|
Vraag om uitleg van mevrouw Sabine Poleyn tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, en tot de heer Kris Peeters, minister- president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid, over het onderwijs voor Vlaamse kinderen in het buitenland. (12-02-2010)
De voorzitter: Het antwoord wordt gegeven door minister Smet. Mevrouw Poleyn heeft het woord.
Mevrouw Sabine Poleyn: Voorzitter, minister, mijn vraag is redelijk lang. Ik stel ze op basis van een antwoord op een schriftelijke vraag en na heel wat contacten op het veld. Ik zal trachten de vraag snel te overlopen. Minister, ik hoop dat u een gefundeerd antwoord hebt. Vlamingen die voor enkele jaren naar het buitenland trekken, laten hun beslissing vaak voor een groot deel afhangen van de gevolgen die dat heeft voor het gezin. Zeker als er kinderen zijn, willen Vlamingen er zeker van zijn dat ze tijdens hun verblijf een goede opleiding kunnen geven aan de kinderen, die ook aansluit bij het Vlaamse onderwijs. Daarnaast is men vaak ook bekommerd om het doorgeven van de Nederlandse taal en de Vlaamse cultuur.
Nu stellen zich vandaag volgens het veld toch enkele problemen. Vooreerst is er weinig zicht op het juiste aantal leerplichtige kinderen dat naar het buitenland trekt, ook als het tijdelijk is en de ouders nog hier gedomicilieerd zijn. Nochtans moeten, volgens de brochure ‘leerrecht/leerplicht’ en de ‘Gids voor leerlingen in het secundair onderwijs’, ouders dit eigenlijk laten weten aan het Departement Onderwijs en verwacht men dat de gemeente waaruit men vertrekt, hier toch ook van op de hoogte wordt gesteld. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op mijn schriftelijke vraag nummer 147. Op de vraag over hoeveel leerlingen het gaat, was het antwoord dat er 1980 leerlingen in het basisonderwijs en 1432 in het secundair onderwijs waren. Dat lijkt me een zeer laag cijfer. De informatie die vertrekkende ouders krijgen over de leerplicht in ons land, over de manieren waarop zij in het buitenland ondersteund kunnen worden om goed onderwijs te verstrekken aan hun kinderen, eventueel via het huisonderwijs, en hoe hun kinderen contact kunnen houden met de Vlaamse taal en cultuur, is zeer beperkt tot onbestaande. In het antwoord op die eerder aangehaalde vraag wordt verwezen naar die brochures. Daarin staat echter maar een heel kleine paragraaf met vage informatie over wat men kan doen als men gaat studeren in het buitenland. Op de plichten en de eventuele ondersteuning wordt nergens expliciet ingegaan. Er is ook geen communicatie via bijvoorbeeld Vlamingen in de Wereld, een vzw die juist bedoeld is om Vlamingen in de wereld te ondersteunen, of grote koepels van werkgeversorganisaties of bedrijven met veel expats, de ngo-koepel (niet- gouvernementele organisaties). Ik stel ook vast dat er een grote nood is aan informatie en ondersteuning van vertrekkende ouders in het begeleiden van hun kinderen. Vooral gezinnen die meer dan enkele maanden, maar niet meer dan 3 jaar vertrekken, hebben het gevoel dat ze nadien min of meer probleemloos zouden moeten kunnen integreren in het Vlaamse onderwijs. Volgens mij bestaat er vandaag geen enkel aanbod van de Vlaamse overheid of het Vlaamse middenveld. Vaak richten Vlamingen zich dan naar het aanbod uit Nederland. Volgens mijn informatie bestaan er twee initiatieven. Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland (Stichting NOB), die vooral aangestuurd wordt vanuit de overheid, heeft scholen over de hele wereld, maar met een beperkt aanbod. Soms, als er nog plaats is, worden er Vlaamse leerlingen toegelaten. Daarnaast is er het bedrijf Edufax, dat aanvullend op een lokale school in een aanbod op maat voorziet dat via huisonderwijs de leerling in staat moet stellen mee te zijn met zijn normale positie in het Nederlandse onderwijs. Het is een bedrijf, en dus is het duur. En het is natuurlijk afgestemd op het Nederlands onderwijssysteem, dat verschillend is van het Vlaamse. Enkel op het vlak van het hoger onderwijs hoor ik positieve signalen wat betreft het afstandsonderwijs, dat heel succesvol is. Dat geldt natuurlijk niet meer voor de leerplichtigen.
Er is ook een vraag om de re-integratie van deze kinderen wat te vergemakkelijken. Wanneer de expatgezinnen terugkomen naar Vlaanderen is er geen enkele begeleiding of informatie over hoe zij kunnen volgen in het leerplichtonderwijs. Zij beginnen dan vaak in hun jaar. Meestal zijn de scholen bereid om ze opnieuw te integreren. Nu en dan moeten ze natuurlijk naar een lager jaar of een andere studierichting in de loop van het jaar, met alle negatieve ervaringen van dien. Het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) heeft hier ook geen aanbod ontwikkeld. Uit de sector komt de vraag naar het inrichten van zomerklasjes om het niveau in het Vlaams onderwijs aan te geven.
Minister, onze Vlaamse economie hangt steeds meer af van de export en Vlaanderen ambieert een actieve rol in de geglobaliseerde wereld. We willen ook voor elk kind een sterk onderwijsaanbod bieden. Wat zijn de plichten van ouders van leerplichtige kinderen indien zij voor enkele jaren naar het buitenland trekken en ze hier gedomicilieerd blijven? Aan wie moeten ze wat laten weten? Vindt u ook dat het cijfer over het aantal leerplichtigen in het buitenland heel laag is en waarschijnlijk niet juist kan zijn? Bent u van plan om initiatieven te nemen om het zicht op het aantal leerplichtige Vlamingen in het buitenland te verbeteren? Hoe wilt u dat doen? Klopt het dat er geen aanbod is vanuit de Vlaamse overheid, noch van Vlaamse bedrijven of het middenveld om ouders die de band met het Vlaamse onderwijs en met de Vlaamse taal en cultuur willen onderhouden, te ondersteunen? Hebt u daar een verklaring voor? Hebt u een zicht op de kwaliteit van het Nederlandse aanbod? Is er via het gebruik van het Nederlandse aanbod een gemakkelijke overstap naar het Vlaamse onderwijs?
Hebt u contact genomen met organisaties die gespecialiseerd zijn in de ondersteuning van de expatgezinnen, zoals Vlamingen in de Wereld, werkgeversorganisaties of ngo-koepels? Bent u bereid om met hen te overleggen hoe de informatiestroom minimaal zou kunnen verbeteren? Dat is een kleine moeite die wel wat effect zou hebben. Ziet u kansen in een samenwerking met Nederland? Kan de Nederlandse Taalunie hier een rol in spelen, bijvoorbeeld om het aanbod in Nederland wat te verbreden en meer specifiek te richten op het Vlaamse onderwijs? De Vlaamse overheid stuurt zelf ook heel wat mensen uit, bijvoorbeeld ambtenaren bij
Internationaal Vlaanderen of het Vlaams Agentschap voor Internationale Samenwerking
(VAIS). Hoe pakt Vlaanderen het zelf als werkgever aan wanneer ambtenaren met kinderen naar het buitenland vertrekken? Hebben we voor hen een informatiekanaal?
Erkent u het probleem van de soms moeilijke re-integratie van kinderen en jongeren in het Vlaamse leerplichtonderwijs? Er is een beperkt aantal initiatieven van mensen die hun kinderen daarbij begeleiden. Wilt u zelf initiatieven nemen om dit te vergemakkelijken?
Wilt u nog andere initiatieven nemen om de problematiek voor de vertrekkende ouders met kinderen te vergemakkelijken en hen te ondersteunen? Misschien kent u interessante voorbeelden in de Europese Unie of daarbuiten.
De voorzitter: De heer Van Overmeire heeft het woord. De heer Karim Van Overmeire: Voorzitter, minister, collega’s, ik wil me aansluiten bij de zeer pertinente vragen van mevrouw Poleyn.
Minister, het probleem is niet eenvoudig. Er is een grote verscheidenheid van behoeften: de Vlamingen in het buitenland zijn verspreid over heel veel landen, de kinderen zijn van verschillende leeftijden en zelfs het kennisniveau van het Nederlands is heel verscheiden. U zult wellicht antwoorden dat er niet heel veel vraag is. Er is niet veel vraag van de Vlamingen in het buitenland omdat die Vlamingen natuurlijk hun plan trekken. Ze sturen hun kinderen naar een Franstalige, een Engelstalige of een internationale school. De vraag is niet of er veel vraag is, de vraag is of dit een situatie is die we wensen.
Mevrouw Poleyn stelt terecht de vraag of de Vlamingen die naar het buitenland vertrekken, voldoende worden geïnformeerd. Het probleem is dat er heel weinig is om informatie over te geven. Ik heb zelf een beetje speurwerk verricht. Grosso modo zijn er twee pistes: de piste van de eigen Belgische/Vlaamse scholen in het buitenland en de piste van samenwerking met Nederland. Ik wil die twee pistes even uitdiepen.
Het toeval wil dat ik twee weken geleden in Bujumbura in Burundi was. Daar is nog een Belgische school. Vroeger waren er twee afdelingen: een Nederlandstalige en een Franstalige. De Nederlandstalige afdeling is gesloten en de Vlamingen sturen hun kinderen nu naar de Franstalige afdeling. De Franstalige Belgen sturen hun kinderen daar natuurlijk ook naar toe, maar 80 percent van de leerlingen zijn mensen van de lokale elite die daar ook hun kinderen naartoe sturen. Haal de Vlamingen weg uit de Franstalige school en haal de lokale mensen er weg, dan is er geen draagvlak meer voor een eigen Franstalige school. De vraag die zich opdringt is: mochten we Vlaamse scholen hebben in het buitenland, zouden we er dan niet in bepaalde landen in slagen om mensen van de lokale elite daar hun kinderen naartoe te laten gaan zodat er een voldoende draagvlak is om die school te handhaven? U kunt zeggen dat er in Burundi niemand geïnteresseerd zal zijn. Dat is juist. Maar zou er in bijvoorbeeld Zuid-Afrika niet voldoende interesse zijn om daar kinderen naartoe te sturen, vooral als men dat goed situeert en zegt dat de school toegang biedt tot een taalgebied van meer dan 20 miljoen mensen in het hart van Europa in een van de economische kerngebieden? We spreken niet over tientallen of honderden mensen, maar over voldoende kinderen om een school open te houden. Onduidelijk is voor mij de situatie van de zogenaamde Belgische school in Kinshasa, de vzw Prins van Luik-School. In 2008 waren daar een vijftigtal kinderen, dat is het meest recente cijfer dat ik heb gevonden. Het is een zelfstandige niet-gesubsidieerde Vlaamse basisschool. Als er nog andere scholen zijn, zult u dat ongetwijfeld in uw antwoord aan ons vertellen. Minister, we hadden gisteren in de commissie Buitenlands Beleid een zeer interessante gedachtewisseling over gastenprogramma’s die we opzetten om buitenlanders naar Vlaanderen te laten komen en ze hier te laten kennismaken met Vlaanderen en de Nederlandse taal. Dat lijkt me een heel lovenswaardig initiatief. Maar als we enerzijds de bestaande Vlaamse scholen in het buitenland laten wegkwijnen en opdoeken, dan staat deze politiek wel haaks op het feit dat we anderzijds mensen naar Vlaanderen trachten te krijgen om hen kennis te laten maken met onze taal, onze cultuur, onze economie enzovoort. Ik wil een lans breken om wat er nog bestaat aan Vlaams en Nederlandstalig onderwijs in Belgische scholen, zeker in stand te houden. Een volgend punt is de samenwerking met Nederland. Nederland is een voor de hand liggende partner. Mevrouw Poleyn heeft verwezen naar de Stichting NOB. Het probleem is dat Vlaamse kinderen op een wachtlijst komen en pas toegelaten worden als er nog plaatsen zijn. Daarnaast betalen ouders veel meer dan Vlaamse kinderen in die scholen. Ik heb vernomen dat er een convenant of gentleman’s agreement zou zijn, waarbij Vlaanderen op een of andere manier een structurele en financiële bijdrage levert aan die Nederlandse scholen. Als dat zo is, kan het natuurlijk niet zijn dat die Vlaamse kinderen op een wachtlijst komen te staan en op de tweede plaats komen. Als dat nog niet zo is, is dit toch een piste om een substantiële bijdrage te leveren en samen met Nederland die scholen te gaan uitbouwen zodat Vlamingen die in het buitenland wonen, voor hun eigen kinderen toegang hebben tot Nederlandstalig onderwijs. Er is een groot probleem, dat nu wordt gemaskeerd doordat de Vlamingen hun plan trekken. De oplossing bestaat erin om wat er bestaat in stand te houden, en dat in samenwerking met Nederland verder uit te bouwen.
De voorzitter: Mevrouw De Knop heeft het woord.
Mevrouw Irina De Knop: Voorzitter, minister, collega’s, deze materie ligt me na aan het hart. Ik heb in december een schriftelijke vraag gesteld over een deelaspect van de vraag om uitleg van mevrouw Poleyn. Ik wil inzoomen op haar vierde vraag. Ik begrijp dat de financiële toestand niet van aard is om grote luxeprojecten op te zetten in het buitenland. Anderzijds moeten we toegeven dat Nederland dit gestructureerder aanpakt met de organisatie Nederlands Onderwijs in het Buitenland (NOB), die u ongetwijfeld kent, en heel degelijk werk levert. Blijkbaar vindt Nederland het wel heel belangrijk om in het kader van cultural diplomacy Nederlands aan te bieden aan landgenoten die daar wonen.
Het is ook een reële nood. We moeten dat in perspectief bekijken; het gaat niet over een gigantisch grote groep. Uiteraard zijn ze verspreid over Europa. Dat is ook het eerste gebied waar we moeten naar kijken. We kunnen toch niet ontkennen dat het voor onze economie bijzonder belangrijk is dat mensen de moeite doen om naar het buitenland te gaan. Als ik er morgen zou moeten aan beginnen, dan zou ik even in mijn haar krabben. Het is chic dat mensen die kans grijpen en een meerwaarde genereren voor onze economie. Het is daarom nodig om minstens na te denken over manieren waarop we mensen die die beslissing nemen, kunnen ondersteunen. Voor de kinderen die leerplichtig zijn, is er een link met onderwijs, maar er is ook een link met onze economie. Uit het antwoord op mijn vraag in december bleek dat de enige detacheringen die we nog hadden in ons onderwijs, worden afgeschaft. Het ging over één specifieke school. Minister, u gaf daarbij ook aan dat het probleem heel beperkt is omdat het maar over een 40-tal leerlingen ging, en dat u het verantwoord vond om dat ongedaan te maken en ook omdat het de enige school is. Ik heb daar begrip voor omdat het moeilijk is een regeling in stand te houden op maat van één school. Dat betekent niet dat we niet moeten nadenken over hoe we dit moeten aanpakken, over hoe we moeten detecteren waar de Vlamingen zitten in Europa en bij uitbreiding in de wereld, en dan nagaan wat we kunnen doen. Minister, in het verleden werkten we samen met NOB, onder meer in die specifieke school. Waarom zou het niet mogelijk zijn om dat op een grotere schaal te doen? Het loont de moeite om met die stichting te praten. Ik heb al gevraagd hoe u de rol van de Vlaamse Gemeenschap ziet inzake ondersteuning van de Nederlandse taal in het buitenland. U hebt gezegd dat het uw bevoegdheid ondersteunt en dat u het ook als een taak ziet voor de Nederlandse Taalunie. Ik ben het met u eens. Misschien moeten ze dat zelf niet doen, maar er kan een beleid voor worden uitgewerkt.
Minister, gaat u gesprekken aan met de Nederlandse Taalunie of met NOB? Vindt u het nuttig dat de Vlaamse Gemeenschap daarvoor een beleid voert?
De voorzitter: Minister Smet heeft het woord.
Minister Pascal Smet: Naast de informatie in de vermelde brochures is er in verband met de leerplicht informatie beschikbaar voor ouders die naar het buitenland verhuizen op de website www.ond.vlaanderen.be/infolijn/faq/buitenland. Die informatie maakt duidelijk dat ouders die voor enkele jaren naar het buitenland vertrekken en gedomicilieerd blijven in Vlaanderen, een verklaring huisonderwijs moeten indienen.De cijfers vermeld in het antwoord op uw recente schriftelijke vraag, zijn gebaseerd op informatie die bij het onderwijsministerie bekend is. Dat kan een onderschatting zijn, hoewel we niet vermoeden dat dat zo is, maar dat weten we niet. Deze cijfers hebben enkel betrekking op leerplichtige kinderen. Kleuters en leerlingen ouder dan 18 jaar werden in dit overzicht niet opgenomen. Er zijn inderdaad geen aparte initiatieven voor Vlamingen in het buitenland, behalve de Europese scholen. Deze scholen zijn in de eerste plaats bestemd voor kinderen van personeel van de Europese instellingen. In de volgende buitenlandse steden zijn Europese scholen met een Nederlandstalige afdeling: Bergen in Nederland, Varese in Italië, München in Duitsland en Luxemburg in het Groothertogdom Luxemburg. Ook in Europese scholen waar geen Nederlandse afdeling is, wordt Nederlands onderwezen als moedertaal of als vreemde taal, namelijk in Alicante in Spanje, Frankfurt en Karlsruhe in Duitsland, en Culham in Groot- Brittannië, hoewel het daar uitdovend is.
Volgens cijfermateriaal van het secretariaat-generaal van de Europese Scholen zijn 426
Belgische leerlingen die Nederlands spreken, ingeschreven in de Nederlandse sectie van de Europese scholen. Dit cijfer heeft echter betrekking op alle Europese scholen, ook deze die in België gevestigd zijn. Uiteraard kunnen Vlaamse kinderen ook aansluiten bij initiatieven van de Nederlandse overheid. Via een hyperlink op het vernoemde internetadres kunnen ouders zich informeren over de op dit vlak bestaande mogelijkheden. Het aantal Vlaamse kinderen is te gering om aparte onderwijsinitiatieven te kunnen nemen.
Dat kan altijd, maar in de huidige budgettaire tijden denk ik niet dat mensen begrip hebben voor een capaciteitsuitbreiding van Vlaamse scholen in het buitenland. Er zijn dus te weinig kindjes gegroepeerd in het buitenland om dergelijke onderwijsinitiatieven te nemen. Het is belangrijk dat leerlingen die door de Nederlandse overheid erkend onderwijs volgen bij het National Academic Recognition Information Centre (NARIC Vlaanderen) de gelijkwaardigheid van hun getuigschrift of hun diploma kunnen aanvragen. Leerlingen uit het basisonderwijs die voor een groep 8-toets slagen en de gelijkwaardigheid aanvragen, krijgen in de regel een getuigschrift van het basisonderwijs. Voor het secundair onderwijs wordt de gelijkwaardigheid door het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2003 geregeld. Tijdens mijn bezoek aan de Verenigde Naties in New York heb ik ook ’t Klokhuis bezocht. Dit is een initiatief van de Nederlandse overheid waar de Vlaamse overheid, meer bepaald het Vlaams Huis mee samenwerkt. We stellen een aantal lokalen ter beschikking. Ik heb daar een twintigtal kindjes, de directie, Nederlandstalige leerkrachten en nadien ook in New York werkende Vlaamse ouders ontmoet. Dit toont aan dat ik tijdens buitenlandse bezoeken het initiatief neem ouders en organisatoren te contacteren. Ik heb die mensen meegedeeld dat we niet meteen financiële ondersteuning zullen bieden. Dat lijkt me wat moeilijk. Bovendien stellen we al iets in natura ter beschikking. De lokalen van het Vlaams Huis zijn schitterend gelegen. We kunnen misschien wat materiaal ter beschikking stellen. Een van de opmerkingen van de ouders houdt immers in dat het lesmateriaal nogal Nederlands getint is. We zullen zien of we hier door middel van een beperkte inspanning iets aan kunnen doen. Ik heb mezelf beloofd dit nader te bekijken.
Op de website zijn hyperlinks te vinden naar de website van de Stichting Vlamingen in de Wereld (VIW), de website van de International Baccalaureate Organization, de website van De Wereldschool, waar Nederlandse lesprogramma’s voor kinderen in het buitenland worden aangeboden, en het portaal over leermogelijkheden in de Europese ruimte. Daarbuiten heb ik nog geen contacten met de betrokken organisaties gelegd.
Eerlijk gezegd, heeft het Departement Onderwijs en Vorming nog niet veel rechtstreekse klachten ontvangen. Het verstrekken van informatie behoort tot de taken van de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB’s).Ik begrijp de vraagstelling. Ik wil dan ook nog iets zeggen over de reïntegratie van leerlingen die buitenlands onderwijs hebben gevolgd. Of dit al dan niet problematisch verloopt, is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de aard en de kwaliteit van het onderwijs dat het kind in het buitenland heeft gekregen, de competentie of bekwaamheid van de leerling om zich aan een nieuwe context aan te passen, de thuistaal en de taal waarin het kind is onderwezen en de andere individuele mogelijkheden en beperkingen van de leerling. De Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap kan in functie van de integratie optreden. Uit mijn antwoord blijkt dat informatie beschikbaar is. Ik zal niet ontkennen dat het allemaal misschien wat beter en gebruiksvriendelijker kan. Ik erken dat er kritiek is. Indien we willen dat men in het buitenland gaat werken, moeten we betere informatie verstrekken. Ik wil me engageren om, samen met de minister-president, die op dit vlak ook een rol speelt, na te gaan of we dat niet wat gebruiksvriendelijker kunnen maken. Ik ben bereid dit te onderzoeken.
Ik ben tevens bereid na te gaan of we wat materiaal ter beschikking kunnen stellen van de initiatieven die vooral door de Nederlandse overheid worden genomen. Ik ben niet bereid Nederlandstalige scholen op te richten. Dit lijkt me in de huidige budgettaire situatie niet prioritair. Indien we ooit opnieuw tijden van overvloed zouden kennen, zouden dergelijke initiatieven kunnen worden genomen. Ik sluit dit niet uit. Nu moeten we ons pragmatisch opstellen. We kunnen materiaal ter beschikking stellen en ervoor zorgen dat de informatie wat meer gestroomlijnd ter beschikking wordt gesteld.
De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.
Mevrouw Sabine Poleyn: Ik dank de minister voor zijn antwoord. Indien hij met betrekking tot de informatie al een aantal stappen zou kunnen zetten, zou dit al een goed begin zijn. Ik pleit er niet voor overal Vlaamse scholen op te richten. De minister zou dit onderwerp eens met de Nederlandse overheid en met de stichting NOB. Er zijn misschien samenwerkingsmogelijkheden. Dit hoeft niet steeds veel te kosten. Een specifiek convenant voor een locatie als New York zou al kunnen helpen. In New York stellen we lokalen ter beschikking. Als compensatie zouden Vlaamse ouders hier makkelijker terecht moeten kunnen. Daarnaast zou ik niet nalaten deze problematiek eens bij de Nederlandse Taalunie aan te kaarten. Het is mogelijk dat op die manier ook stimulansen kunnen worden gegeven.
De voorzitter: De heer Van Overmeire heeft het woord.
De heer Karim Van Overmeire: Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik heb alle begrip voor de budgettaire situatie en voor de praktische problemen. Wie naar de website van de stichting NOB gaat, krijgt onmiddellijk een overzicht van 260 scholen. De Vlamingen kunnen van deze initiatieven gebruik maken. Ze zijn daar echter tweederangsburgers. Ze komen op een wachtlijst terecht en ze moeten meer betalen. De minister zou eens contact met deze stichting moeten opnemen. Hij zou voor een structurele samenwerking moeten zorgen. Hierdoor zouden Vlaamse kinderen op gelijke voet met Nederlandse kinderen in die scholen terechtkunnen. Misschien kan met behulp van weinig budgettaire middelen toch het begin van een oplossing worden gevonden.
De voorzitter: Mevrouw De Knop heeft het woord.
Mevrouw Irina De Knop: Ik denk dat we heel goed moeten nadenken over de manier waarop we de middelen besteden. Ik ben het eens met de leden die hebben verklaard dat het maken van afspraken of het sluiten van een convenant niet onmiddellijk inhoudt dat het allemaal gigantisch veel zal kosten.
Ik pleit, voor alle duidelijkheid, niet voor Vlaamse scholen in het buitenland. Ik denk veeleer aan leerkrachten Nederlands in een aantal welgekozen scholen. Dit moet uiteraard in samenwerking met de stichting NOB gebeuren. Het gaat dan in elk geval om iets anders dan Vlaamse scholen.
De voorzitter: Het incident is gesloten.
|