sabine
sabinevlaams parlementbuitenlandjeugdoverigeonderwijswest-vlaanderenfotoboekcontact

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine Poleyn tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, en tot de heer Kris Peeters, minister- president van de  Vlaamse  Regering,  Vlaams  minister  van  Economie,  Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid, over het  onderwijs voor Vlaamse kinderen in het buitenland. (12-02-2010)

De voorzitter: Het antwoord wordt gegeven door minister Smet. Mevrouw Poleyn heeft het woord.

Mevrouw Sabine Poleyn: Voorzitter, minister, mijn vraag is redelijk lang. Ik stel ze op basis van een antwoord op een schriftelijke vraag en  na heel wat contacten op  het veld. Ik  zal trachten de vraag snel te overlopen. Minister, ik hoop dat u een gefundeerd antwoord hebt. Vlamingen die voor enkele jaren naar het buitenland trekken, laten hun beslissing vaak voor een groot deel afhangen van de gevolgen die dat heeft voor het gezin. Zeker als er kinderen zijn, willen Vlamingen er zeker van  zijn dat ze tijdens hun verblijf een goede opleiding kunnen geven aan de kinderen, die ook aansluit bij het Vlaamse onderwijs. Daarnaast is men vaak ook bekommerd om het doorgeven van de Nederlandse taal en de Vlaamse cultuur.

Nu stellen zich vandaag volgens het veld toch enkele problemen. Vooreerst is er weinig zicht op het juiste aantal leerplichtige kinderen dat naar het buitenland trekt, ook als het tijdelijk is en  de  ouders  nog  hier  gedomicilieerd  zijn.   Nochtans   moeten,  volgens   de  brochure ‘leerrecht/leerplicht’ en de ‘Gids voor leerlingen in het secundair  onderwijs’, ouders  dit eigenlijk laten weten aan het  Departement  Onderwijs en verwacht  men dat de gemeente waaruit men vertrekt, hier toch ook van op de hoogte wordt gesteld. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op mijn schriftelijke vraag nummer 147. Op de vraag over hoeveel leerlingen het gaat, was het antwoord dat er 1980 leerlingen in het basisonderwijs en 1432 in het secundair onderwijs waren. Dat lijkt me een zeer laag cijfer. De  informatie  die  vertrekkende  ouders  krijgen  over  de  leerplicht  in  ons  land,  over  de manieren waarop zij in het buitenland ondersteund kunnen worden om goed onderwijs te verstrekken aan hun kinderen, eventueel via het huisonderwijs, en hoe hun kinderen contact kunnen houden met de Vlaamse taal  en cultuur, is zeer beperkt tot onbestaande. In het antwoord op die eerder aangehaalde vraag wordt verwezen naar die brochures. Daarin staat echter maar een heel kleine paragraaf met vage informatie over wat men kan doen als men gaat studeren in het buitenland. Op de plichten en de eventuele ondersteuning wordt nergens expliciet ingegaan. Er is ook geen communicatie via bijvoorbeeld Vlamingen in de Wereld, een vzw die juist bedoeld is om Vlamingen in de wereld te ondersteunen, of grote koepels van   werkgeversorganisaties   of   bedrijven    met   veel    expats,   de   ngo-koepel   (niet- gouvernementele organisaties). Ik stel ook vast dat er een grote nood is aan informatie en ondersteuning van vertrekkende ouders in het begeleiden van hun kinderen. Vooral gezinnen die meer dan enkele maanden, maar  niet  meer  dan  3  jaar  vertrekken,  hebben  het  gevoel  dat  ze  nadien  min  of  meer probleemloos  zouden  moeten  kunnen  integreren  in  het  Vlaamse  onderwijs.  Volgens  mij bestaat er vandaag geen enkel aanbod van de Vlaamse overheid of het Vlaamse middenveld. Vaak richten Vlamingen zich dan naar het aanbod uit Nederland. Volgens  mijn informatie bestaan  er twee initiatieven. Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland (Stichting NOB), die vooral aangestuurd wordt vanuit de overheid, heeft scholen over de hele wereld, maar  met  een beperkt aanbod. Soms, als er  nog plaats is, worden er  Vlaamse leerlingen toegelaten. Daarnaast is er het bedrijf Edufax, dat  aanvullend op een lokale school in een aanbod op maat voorziet dat via huisonderwijs de leerling in staat moet stellen mee te zijn met zijn normale positie in het Nederlandse onderwijs. Het is een bedrijf, en dus is het duur. En het is natuurlijk afgestemd op het Nederlands onderwijssysteem, dat verschillend is van het Vlaamse. Enkel op het vlak van het hoger onderwijs hoor ik positieve signalen wat betreft het  afstandsonderwijs,  dat  heel  succesvol  is.  Dat  geldt   natuurlijk  niet   meer  voor  de leerplichtigen.

Er is ook een vraag om de re-integratie van deze kinderen wat te vergemakkelijken. Wanneer de expatgezinnen terugkomen naar Vlaanderen is er geen enkele begeleiding of informatie over hoe zij kunnen  volgen in het leerplichtonderwijs. Zij beginnen dan vaak in hun jaar. Meestal zijn de scholen bereid om ze opnieuw te integreren. Nu en dan moeten ze natuurlijk naar een lager jaar of een  andere studierichting in de loop van het jaar,  met alle negatieve ervaringen van dien. Het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) heeft  hier ook geen aanbod ontwikkeld. Uit de sector komt de vraag naar het inrichten van zomerklasjes om het niveau in het Vlaams onderwijs aan te geven.

Minister, onze Vlaamse economie hangt steeds meer af van de export en Vlaanderen ambieert een  actieve  rol  in  de  geglobaliseerde  wereld.  We  willen  ook  voor  elk  kind  een  sterk onderwijsaanbod bieden. Wat zijn de plichten van ouders van leerplichtige kinderen indien zij voor enkele jaren naar het buitenland trekken en ze hier gedomicilieerd blijven? Aan wie moeten ze wat laten weten? Vindt u ook dat het cijfer over het aantal leerplichtigen in het buitenland heel laag is en waarschijnlijk niet juist kan zijn? Bent u van plan om initiatieven te nemen om het zicht op het aantal leerplichtige Vlamingen in het buitenland te verbeteren? Hoe wilt u dat doen? Klopt het dat er geen aanbod is vanuit de Vlaamse overheid, noch van Vlaamse bedrijven of het middenveld om ouders die de band met het Vlaamse onderwijs en met de Vlaamse taal en cultuur willen onderhouden, te ondersteunen? Hebt u daar een verklaring voor? Hebt u een zicht op de kwaliteit van het Nederlandse aanbod? Is er via het gebruik van het Nederlandse aanbod een gemakkelijke overstap naar het Vlaamse onderwijs?

Hebt u contact genomen met organisaties die gespecialiseerd zijn in de ondersteuning van de expatgezinnen, zoals Vlamingen in de Wereld, werkgeversorganisaties of ngo-koepels? Bent u  bereid  om   met  hen  te  overleggen  hoe  de  informatiestroom   minimaal  zou  kunnen verbeteren? Dat is een kleine  moeite  die wel  wat  effect zou hebben. Ziet u  kansen in een samenwerking  met   Nederland?  Kan   de  Nederlandse  Taalunie  hier  een  rol  in  spelen, bijvoorbeeld om het aanbod in Nederland wat te verbreden en meer specifiek te richten op het Vlaamse onderwijs? De Vlaamse overheid stuurt zelf ook heel wat  mensen uit, bijvoorbeeld  ambtenaren  bij
Internationaal  Vlaanderen  of  het  Vlaams  Agentschap  voor  Internationale  Samenwerking
(VAIS). Hoe pakt Vlaanderen het zelf als werkgever aan wanneer ambtenaren met kinderen naar het buitenland vertrekken? Hebben we voor hen een informatiekanaal?

Erkent u het probleem van de soms moeilijke re-integratie van kinderen en jongeren in het Vlaamse  leerplichtonderwijs?  Er  is  een  beperkt  aantal  initiatieven  van  mensen  die  hun kinderen daarbij begeleiden. Wilt u zelf initiatieven nemen om dit te vergemakkelijken?

Wilt u nog andere initiatieven nemen om de problematiek voor de vertrekkende ouders met kinderen  te   vergemakkelijken  en  hen  te   ondersteunen?  Misschien  kent  u  interessante voorbeelden in de Europese Unie of daarbuiten.

De voorzitter: De heer Van Overmeire heeft het woord. De heer Karim Van Overmeire: Voorzitter, minister, collega’s, ik wil me aansluiten bij de zeer pertinente vragen van mevrouw Poleyn.

Minister, het probleem is niet eenvoudig. Er is een grote verscheidenheid van behoeften: de Vlamingen in het buitenland zijn verspreid over heel veel landen, de kinderen zijn van verschillende leeftijden en zelfs het kennisniveau van het Nederlands is heel verscheiden. U zult wellicht antwoorden dat er niet heel veel vraag is. Er is niet veel vraag van de Vlamingen in het buitenland omdat die Vlamingen natuurlijk hun plan trekken. Ze sturen hun kinderen naar een Franstalige, een Engelstalige of een internationale school. De vraag is niet of er veel vraag is, de vraag is of dit een situatie is die we wensen.

Mevrouw Poleyn stelt terecht de vraag of de Vlamingen die naar het buitenland vertrekken, voldoende worden geïnformeerd. Het probleem is dat er heel weinig is om informatie over te geven. Ik heb zelf een beetje speurwerk verricht. Grosso modo zijn er twee pistes: de piste van de eigen Belgische/Vlaamse scholen in het buitenland en de piste van samenwerking met Nederland. Ik wil die twee pistes even uitdiepen.

Het toeval  wil dat ik twee weken geleden in Bujumbura in Burundi was. Daar is nog een Belgische school. Vroeger waren er twee afdelingen: een Nederlandstalige en een Franstalige. De Nederlandstalige afdeling is gesloten en  de Vlamingen sturen hun kinderen nu naar de Franstalige afdeling. De Franstalige Belgen sturen hun kinderen daar natuurlijk ook naar toe, maar 80 percent van de leerlingen zijn mensen van de lokale elite die daar ook hun kinderen naartoe sturen. Haal de Vlamingen weg uit de Franstalige school en haal de lokale mensen er weg, dan is  er geen draagvlak meer voor een eigen Franstalige school. De  vraag die zich opdringt is: mochten we Vlaamse scholen hebben in het buitenland, zouden we er dan niet in bepaalde landen in slagen om mensen van de lokale elite daar hun kinderen naartoe te laten gaan zodat er een voldoende draagvlak is om die school te handhaven? U kunt zeggen dat er in Burundi niemand geïnteresseerd zal zijn. Dat is juist. Maar zou er in bijvoorbeeld Zuid-Afrika niet voldoende interesse  zijn om daar kinderen naartoe te  sturen, vooral als men dat goed situeert en zegt dat de school toegang biedt tot een taalgebied van meer  dan  20   miljoen  mensen  in   het  hart   van  Europa  in  een  van  de  economische kerngebieden? We spreken niet over tientallen of honderden mensen, maar over voldoende kinderen om een school open te houden. Onduidelijk is voor mij de situatie van de zogenaamde Belgische school in Kinshasa, de vzw Prins van Luik-School. In 2008 waren daar een vijftigtal kinderen, dat is het meest recente cijfer dat ik heb gevonden. Het is een zelfstandige niet-gesubsidieerde Vlaamse basisschool. Als er nog andere scholen zijn, zult u dat ongetwijfeld in uw antwoord aan ons vertellen. Minister,  we  hadden  gisteren  in  de  commissie  Buitenlands  Beleid  een  zeer  interessante gedachtewisseling   over   gastenprogramma’s   die   we   opzetten   om   buitenlanders   naar Vlaanderen  te  laten  komen  en  ze  hier  te   laten  kennismaken  met  Vlaanderen   en   de Nederlandse  taal. Dat lijkt  me een heel lovenswaardig initiatief. Maar als we enerzijds de bestaande Vlaamse scholen in het buitenland laten wegkwijnen en opdoeken, dan staat deze politiek wel haaks op het feit dat we anderzijds mensen naar Vlaanderen trachten te krijgen om hen kennis te laten maken met onze taal, onze cultuur, onze economie enzovoort. Ik wil een lans breken om wat er nog bestaat aan Vlaams en Nederlandstalig onderwijs in Belgische scholen, zeker in stand te houden. Een  volgend  punt  is  de  samenwerking  met  Nederland.  Nederland  is  een  voor  de  hand liggende partner. Mevrouw Poleyn heeft verwezen naar de Stichting NOB. Het probleem is dat Vlaamse kinderen op een wachtlijst komen en pas toegelaten worden als er nog plaatsen zijn.  Daarnaast  betalen  ouders  veel  meer  dan  Vlaamse  kinderen  in  die  scholen.  Ik  heb vernomen dat er een convenant of gentleman’s agreement zou zijn, waarbij Vlaanderen op een  of  andere  manier  een  structurele  en  financiële  bijdrage  levert  aan  die  Nederlandse scholen. Als dat zo is, kan het natuurlijk niet zijn dat die Vlaamse kinderen op een wachtlijst komen te staan en op de tweede plaats komen. Als dat nog niet zo is, is dit toch een piste om een substantiële bijdrage te leveren en samen met Nederland die scholen te gaan uitbouwen zodat Vlamingen die in het buitenland wonen, voor hun eigen kinderen toegang hebben tot Nederlandstalig onderwijs. Er is een groot probleem, dat nu wordt gemaskeerd doordat de Vlamingen hun plan trekken. De oplossing bestaat erin om wat er bestaat in stand te houden, en dat in samenwerking met Nederland verder uit te bouwen.

De voorzitter: Mevrouw De Knop heeft het woord.

Mevrouw Irina De Knop: Voorzitter,  minister, collega’s, deze  materie ligt me na  aan het hart. Ik heb in december een schriftelijke vraag gesteld over een deelaspect van de vraag om uitleg  van  mevrouw  Poleyn.  Ik  wil  inzoomen  op  haar  vierde  vraag.  Ik  begrijp  dat  de financiële toestand niet van aard is om grote  luxeprojecten op te zetten in het buitenland. Anderzijds  moeten  we   toegeven  dat  Nederland  dit  gestructureerder  aanpakt  met  de organisatie Nederlands Onderwijs in het Buitenland (NOB), die u ongetwijfeld kent, en heel degelijk werk levert. Blijkbaar vindt Nederland het wel heel belangrijk om in het kader van cultural diplomacy Nederlands aan te bieden aan landgenoten die daar wonen.

Het is ook een reële nood. We moeten dat in  perspectief bekijken; het gaat niet over een gigantisch grote groep. Uiteraard zijn ze verspreid over Europa. Dat is ook het eerste gebied waar we  moeten naar kijken. We kunnen toch niet ontkennen dat het voor onze economie bijzonder belangrijk is dat mensen de moeite doen om naar het buitenland te gaan. Als ik er morgen zou moeten aan  beginnen,  dan zou ik even in mijn haar krabben.  Het is chic dat mensen die kans grijpen en een meerwaarde genereren voor onze economie. Het is daarom nodig om minstens na te denken over manieren waarop we mensen die die beslissing nemen, kunnen ondersteunen. Voor de kinderen die leerplichtig zijn, is er een link met onderwijs, maar er is ook een link met  onze  economie.  Uit  het  antwoord  op  mijn  vraag  in  december  bleek  dat  de  enige detacheringen die we nog hadden in ons onderwijs, worden afgeschaft. Het ging over één specifieke school. Minister, u gaf daarbij ook aan dat het probleem heel beperkt is omdat het maar over een 40-tal leerlingen ging, en dat  u het verantwoord vond  om dat ongedaan te maken en ook omdat het de enige school is. Ik heb daar begrip voor omdat het moeilijk is een regeling in stand te houden op maat van één school. Dat betekent niet dat we niet moeten nadenken  over  hoe  we  dit  moeten  aanpakken,  over  hoe  we  moeten  detecteren  waar  de Vlamingen zitten in Europa en bij uitbreiding in de wereld, en dan nagaan wat we kunnen doen. Minister, in het verleden werkten we samen met NOB, onder meer in die specifieke school. Waarom zou het niet mogelijk zijn om dat op een grotere schaal te doen? Het loont de moeite om met die stichting te praten. Ik heb al gevraagd hoe u de rol van de Vlaamse Gemeenschap ziet inzake ondersteuning van de Nederlandse taal in het buitenland. U hebt gezegd dat het uw bevoegdheid ondersteunt en dat u het ook als een taak ziet voor de Nederlandse Taalunie. Ik ben het met u eens. Misschien moeten ze dat zelf niet doen, maar er kan een beleid voor worden uitgewerkt.

Minister, gaat u gesprekken aan  met  de Nederlandse Taalunie  of  met  NOB? Vindt u het nuttig dat de Vlaamse Gemeenschap daarvoor een beleid voert?

De voorzitter: Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet: Naast de informatie in de vermelde brochures is er in verband met de leerplicht informatie beschikbaar voor ouders die naar het buitenland verhuizen op de website www.ond.vlaanderen.be/infolijn/faq/buitenland.  Die  informatie  maakt duidelijk dat ouders die voor enkele jaren naar het buitenland vertrekken en gedomicilieerd blijven in Vlaanderen, een verklaring huisonderwijs moeten indienen.De  cijfers vermeld in het antwoord op uw  recente schriftelijke vraag, zijn  gebaseerd op informatie die bij het onderwijsministerie bekend is. Dat kan een onderschatting zijn, hoewel we  niet  vermoeden  dat  dat  zo  is,  maar  dat  weten  we  niet.  Deze  cijfers  hebben  enkel betrekking op leerplichtige kinderen. Kleuters en leerlingen ouder dan 18 jaar werden in dit overzicht niet opgenomen. Er zijn inderdaad geen aparte initiatieven voor Vlamingen in  het buitenland, behalve de Europese scholen. Deze scholen zijn in de eerste plaats bestemd voor kinderen van personeel van de Europese instellingen. In de volgende buitenlandse steden zijn Europese scholen met een Nederlandstalige afdeling: Bergen in Nederland, Varese in Italië, München in Duitsland en Luxemburg in het Groothertogdom Luxemburg. Ook in Europese scholen waar geen Nederlandse  afdeling is, wordt Nederlands onderwezen als  moedertaal of als vreemde taal, namelijk in  Alicante in Spanje, Frankfurt en  Karlsruhe in Duitsland, en Culham in Groot- Brittannië, hoewel het daar uitdovend is.

Volgens  cijfermateriaal  van  het  secretariaat-generaal  van  de  Europese  Scholen  zijn  426
Belgische leerlingen die Nederlands spreken, ingeschreven in de Nederlandse sectie van de Europese scholen. Dit cijfer heeft echter betrekking op alle Europese scholen, ook deze die in België gevestigd zijn. Uiteraard kunnen Vlaamse kinderen ook aansluiten bij initiatieven van de Nederlandse overheid. Via een hyperlink op het vernoemde internetadres kunnen ouders zich informeren over de op dit vlak bestaande mogelijkheden. Het aantal Vlaamse kinderen is te gering om aparte onderwijsinitiatieven te kunnen nemen.

Dat kan altijd, maar in de huidige budgettaire tijden denk ik niet dat mensen begrip hebben voor een capaciteitsuitbreiding van Vlaamse scholen in het buitenland. Er zijn dus te weinig kindjes gegroepeerd in het buitenland om dergelijke onderwijsinitiatieven te nemen. Het is belangrijk dat leerlingen die door de Nederlandse overheid erkend onderwijs volgen bij het   National   Academic   Recognition   Information   Centre   (NARIC   Vlaanderen)   de gelijkwaardigheid van hun getuigschrift of hun diploma kunnen aanvragen. Leerlingen uit het basisonderwijs die voor een groep 8-toets slagen en de gelijkwaardigheid aanvragen, krijgen in de regel een getuigschrift van het basisonderwijs. Voor het secundair onderwijs wordt de gelijkwaardigheid door het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2003 geregeld. Tijdens mijn bezoek aan de Verenigde Naties in New York heb ik ook ’t Klokhuis bezocht. Dit is een initiatief van de Nederlandse overheid waar de Vlaamse overheid, meer bepaald het Vlaams Huis mee samenwerkt. We stellen een aantal lokalen ter beschikking. Ik heb daar een twintigtal kindjes, de directie, Nederlandstalige leerkrachten en nadien ook  in New York werkende Vlaamse ouders ontmoet. Dit toont aan dat ik tijdens buitenlandse bezoeken het initiatief neem ouders en organisatoren te contacteren. Ik heb  die mensen  meegedeeld dat we niet  meteen financiële ondersteuning zullen bieden. Dat lijkt me wat moeilijk. Bovendien stellen we al iets in natura ter beschikking. De lokalen van  het  Vlaams  Huis  zijn  schitterend  gelegen.  We  kunnen  misschien  wat  materiaal  ter beschikking  stellen.  Een  van  de  opmerkingen  van  de  ouders  houdt  immers  in  dat  het lesmateriaal  nogal Nederlands getint is. We  zullen zien of we  hier door middel van een beperkte inspanning iets aan kunnen doen. Ik heb mezelf beloofd dit nader te bekijken.

Op de website zijn hyperlinks te vinden naar de website van de Stichting Vlamingen in de Wereld (VIW), de website van de International Baccalaureate Organization, de website van De Wereldschool, waar Nederlandse lesprogramma’s voor kinderen in het buitenland worden aangeboden, en het portaal over leermogelijkheden in de Europese ruimte. Daarbuiten heb ik nog geen contacten met de betrokken organisaties gelegd.

Eerlijk gezegd, heeft het  Departement Onderwijs en Vorming nog niet veel  rechtstreekse klachten ontvangen. Het verstrekken van informatie behoort tot de taken van de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB’s).Ik begrijp de vraagstelling. Ik wil dan ook nog iets zeggen over de reïntegratie van leerlingen die buitenlands onderwijs hebben  gevolgd. Of  dit al dan niet problematisch verloopt,  is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de aard en de kwaliteit van het onderwijs dat het kind in het buitenland heeft gekregen, de competentie of bekwaamheid van de leerling om zich  aan  een  nieuwe  context  aan  te  passen,  de  thuistaal  en  de  taal  waarin  het  kind  is onderwezen  en de andere individuele mogelijkheden en beperkingen van de leerling. De Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap kan in functie van de integratie optreden. Uit mijn antwoord blijkt dat informatie beschikbaar is. Ik zal niet ontkennen dat het allemaal misschien wat beter en gebruiksvriendelijker kan. Ik erken dat er kritiek is. Indien we willen dat men in het buitenland gaat werken, moeten we betere informatie verstrekken. Ik wil me engageren om, samen met de minister-president, die op dit vlak ook een rol speelt, na te gaan of we dat niet wat gebruiksvriendelijker kunnen maken. Ik ben bereid dit te onderzoeken.

Ik ben tevens bereid na te gaan of we wat materiaal ter beschikking kunnen stellen van de initiatieven die vooral door de Nederlandse overheid worden  genomen. Ik ben niet bereid Nederlandstalige scholen op te richten. Dit lijkt  me in de huidige budgettaire situatie niet prioritair. Indien we ooit  opnieuw tijden van  overvloed zouden  kennen, zouden dergelijke initiatieven kunnen worden genomen. Ik sluit dit  niet uit. Nu moeten we ons pragmatisch opstellen. We kunnen  materiaal ter beschikking stellen en ervoor zorgen dat  de informatie wat meer gestroomlijnd ter beschikking wordt gesteld.

De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.

Mevrouw Sabine Poleyn: Ik dank de minister voor zijn antwoord. Indien hij met betrekking tot de informatie al een aantal stappen zou kunnen zetten, zou dit al een goed begin zijn. Ik pleit er niet voor overal Vlaamse scholen op te richten. De minister zou dit onderwerp eens met    de    Nederlandse    overheid    en    met    de    stichting    NOB.    Er    zijn    misschien samenwerkingsmogelijkheden. Dit hoeft niet steeds veel te kosten. Een specifiek convenant voor een locatie als  New York zou al kunnen  helpen. In New  York stellen we lokalen ter beschikking.  Als  compensatie  zouden  Vlaamse  ouders  hier  makkelijker  terecht  moeten kunnen. Daarnaast zou ik niet nalaten deze problematiek eens bij de Nederlandse Taalunie aan te kaarten. Het is mogelijk dat op die manier ook stimulansen kunnen worden gegeven.

De voorzitter: De heer Van Overmeire heeft het woord.

De heer Karim Van Overmeire: Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik heb alle begrip voor de  budgettaire situatie en voor de praktische problemen. Wie naar de website van de stichting  NOB  gaat,  krijgt  onmiddellijk  een  overzicht  van  260  scholen.  De  Vlamingen kunnen van deze  initiatieven  gebruik  maken. Ze zijn daar echter tweederangsburgers. Ze komen op een wachtlijst terecht en ze moeten meer betalen. De minister zou eens contact met deze stichting moeten opnemen. Hij zou voor een structurele samenwerking moeten zorgen. Hierdoor zouden Vlaamse kinderen op gelijke voet met Nederlandse kinderen in die scholen terechtkunnen. Misschien kan  met behulp van weinig budgettaire  middelen toch het begin van een oplossing worden gevonden.

De voorzitter: Mevrouw De Knop heeft het woord.

Mevrouw Irina De Knop: Ik denk dat we heel goed moeten  nadenken over de  manier waarop we de middelen besteden. Ik ben het eens met de leden die hebben verklaard dat het maken van afspraken of  het sluiten van een convenant niet onmiddellijk inhoudt dat  het allemaal gigantisch veel zal kosten.

Ik pleit, voor alle duidelijkheid, niet voor Vlaamse scholen in het buitenland. Ik denk veeleer aan  leerkrachten  Nederlands  in  een  aantal  welgekozen  scholen.  Dit  moet  uiteraard  in samenwerking met de stichting NOB gebeuren. Het gaat dan in elk geval om iets anders dan Vlaamse scholen.

De voorzitter: Het incident is gesloten.

 

2010

archief 2009

archief 2008

archief 2007

tekening
Marte Dewitte 8j.


LINKS

CD&V-fractie Vlaams Parlement

Gemeente Zwevegem

Vlaams Parlement

CD&V Nationaal

CD&V West-Vlaanderen

CD&V afdeling Zwevegem

 

 

 

Sabine Poleyn - Vlaams volksvertegenwoordiger - Otegemstraat 131, 8550 Zwevegem, 0472 27 69 99 - Tel 02 552 43 27

creatie www.soete.be