             |
Vraag om uitleg van mevrouw Sabine Poleyn tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over de weigering van subsidies aan jeugdverblijfcentra wegens verhuur aan Franstalige en buitenlandse groepen. (15-10-09)
De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.
Mevrouw Sabine Poleyn: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, geachte collega’s, in het uitvoeringsbesluit van 28 mei 2004 van het decreet van 3 maart 2004 betreffende de er- kenning en subsidiëring van jeugdherbergen, jeugdverblijfcentra, ondersteuningsstructuren en de Algemene Dienst voor Jeugdtoerisme staat in artikel 7: “Om erkend en gesubsidieerd te worden, moeten de jeugdherbergen en de jeugdverblijfcentra erkend zijn als jeugdverblijf van het type A, B of C, overeenkomstig artikel 24 van het besluit van de Vlaamse Regering”. Dit besluit zegt niets over de nationaliteit of domicilie van de groepen.
Ik kreeg vragen van een Vlaams jeugdverblijfcentrum van type C, dat zijn kampplaats ver- huurde aan een Waalse en een Nederlandse jeugdgroep en daarvoor minder werd gesubsidi- eerd. Nochtans kan ik in de decreten en de besluiten hiervoor geen legitimering vinden. Volgens mij is de enige voorwaarde dat jeugdverblijfcentra voorrang geven aan overnachtin- gen voor de jeugd. Het decreet spreekt nergens van een nationaliteits- of taalgroepvoorwaarde of voorkeur. Integendeel: in artikel 4 staat net dat de jeugdverblijfcentra de democratie, men- sen- en kinderrechten moeten respecteren, dus niet mogen discrimineren omwille van irrele- vante persoonskenmerken.
Blijkbaar wordt geredeneerd dat het decreet een gemeenschapsbevoegdheid regelt, en dat daarom enkel logies van Vlaamse jeugdgroepen meetellen. Nochtans lijkt de herkomst van de bezoekers mij niet relevant. Immers, noch in het decreet van 3 maart 2004, noch in het besluit van 28 mei 2004 is sprake van een onderscheid tussen ‘Vlaams’ en ‘ander’: Waals, Brussels of buitenlands jeugdwerk.
Mijnheer de minister, hoe verklaart u dat er bij de administratie toch een onderscheid wordt gemaakt tussen verhuren aan enerzijds Vlaamse en anderzijds andere groepen? Wordt dit onderscheid ook in andere jeugdverblijven gemaakt? Staat u hierachter? Is dit niet in strijd met de antidiscriminatiewetwetgeving in ons land? Welke initiatieven zult u nemen om der- gelijke interpretaties te vermijden en om duidelijkheid te scheppen bij de jeugdverblijfcentra? De voorzitter: Minister Smet heeft het woord.
Minister Pascal Smet: Mijnheer de voorzitter, geachte collega’s, het decreet van 3 maart
2004 houdende subsidiering van hostels, jeugdverblijfcentra, ondersteuningsstructuren en de vzw ADJ, zoals gewijzigd bij decreet van 21 november 2008, en zijn uitvoeringsbesluit van
28 mei 2004, kent van in het begin een aantal interpretatieproblemen waarmee mijn admini- stratie wordt geconfronteerd.
Het is dan ook een van mijn doelstellingen dit decreet aan te pakken en te herzien. Samenvat- tend kan er gesteld worden dat de filosofie van het decreet goed is, maar dat de uitwerking ervan veel te wensen overlaat. Er zijn zeer ingewikkelde en tijdrovende procedures, onduide- lijke begrippen, moeilijk controleerbare principes en veel administratieve last voor de subsi- dieaanvragers.
Het decreet voorziet voor de jeugdverblijven en hostels in drie verschillende types van subsi- dies, namelijk een basissubsidie, een werkingsubsidie en een personeelsubsidie. Om gesubsi- dieerd te worden in het kader van het decreet, moet het verblijfcentrum aan een hele resem voorwaarden voldoen. Die worden opgesomd in de artikelen 3 en 14 van het decreet. Een belangrijke voorwaarde is dat de jeugdverblijven erkend moeten zijn in het kader van het decreet Toerisme voor Allen. Het is Toerisme Vlaanderen dat de jeugdverblijven erkent en opdeelt in de categorieën A, B of C. Mijn administratie gaat verder op deze erkenningslijsten en controleert welke van deze verblijven in aanmerking komen op basis van de verdere voorwaarden van het decreet: een vzw zijn, minstens 40 bedden hebben, enzovoort.
Een belangrijke voorwaarde voor de jeugdverblijven van type C is vervat in artikel 14, para- graaf 3, vijfde lid, waarnaar u verwijst. Jaarlijks moeten er minstens tien verschillende jeugd- verenigingen verblijven, voor minstens twee nachten. Elk verblijfcentrum dat meent te voldoen aan de voorwaarden opgesomd in het decreet, kan een aanvraag tot basis-, werkings- en personeelssubsidiëring doen. De volledige procedure is zeer ingewikkeld, daarom ga ik er niet op in.
Bij de interpretatie en toepassing van de regelgeving door de administratie wordt bij de bere- kening van de werkingssubsidies geen rekening gehouden met jeugdverenigingen die niet gelokaliseerd zijn in Vlaanderen of Brussel. Slechts in één geval leidde dit tot niet- subsidiëring. Het gaat hier om een centrum aan de kust waar enkel en alleen jongeren uit Wallonië verblijven. In alle andere gevallen kwamen de verblijfcentra die een dossier indien- den aan minstens tien verschillende jeugdverenigingen uit Vlaanderen en Brussel, ook in het geval van de Nederlandse jeugdorganisatie waar u naar verwijst. Het niet meerekenen van buitenlandse groepen heeft tot nog toe enkel een beperkte invloed gehad op de werkingssub- sidies, met een maximum van 80 euro minder. U stelt dus terecht een probleem aan de kaak, maar in de praktijk heeft het niet zoveel consequenties.
Mijn administratie wijst erop dat een ruimere interpretatie van het decreet binnen de huidige budgettaire context zal leiden tot een versnippering van de middelen, en dus tot minder sub- sidies voor jeugdverblijfcentra waar wel jeugdverenigingen uit Vlaanderen en Brussel ver- blijven. Ook wijst de administratie er terecht op dat het controleren van de voorwaarden waaraan een groep moet voldoen om als jeugdwerkvereniging in aanmerking te komen in het kader van dit decreet, voor buitenlandse groepen haast oncontroleerbaar is. Ik heb begrip voor de vragen van de administratie naar een heldere en transparante regelgeving. Ik denk dat het ook in het belang van de administratie is dat regels toegepast kunnen worden, in plaats van ze te moeten interpreteren. Ik deel evenwel ook uw bezorgdheid over deze interpretatie. Er kun- nen inderdaad juridische vragen worden gesteld en zelfs vragen naar opportuniteit over de interpretatie die tot op heden is gehanteerd.
Ik zal de administratie dan ook verzoeken om, in afwachting van een nieuwe regelgeving, geen groepen uit te sluiten op basis van hun herkomst. Dat Vlaanderen een trekpleister is voor jongeren uit de hele wereld, ook uit Wallonië, moeten we koesteren. Ik denk dat we daarbij een heel duidelijk onderscheid moeten maken tussen het subsidiëren van verblijfsmo- gelijkheden voor Vlaamse jeugdverenigingen, waar dan ook, en het erkennen en subsidiëren van verblijfsmogelijkheden voor jongeren in Vlaanderen. Ik heb de indruk dat die door elkaar worden gemengd – niet door u, maar het gebeurt. Als Vlaanderen vindt dat het verblijfcentra financieel moet stimuleren om jongeren in groep de kans te geven Vlaanderen te leren ken- nen, mag het inderdaad geen onderscheid maken gebaseerd op de herkomst van die jongeren, maar anderzijds moet het ook onze bezorgdheid blijven om het Vlaamse jeugdwerk de kans te geven om in Vlaamse centra te verblijven.
Met mijn collega, minister Bourgeois, zal ik er een prioriteit van maken om de regelgeving inzake de subsidiering van jeugdverblijven, hostels en de ondersteuningsstructuren grondig te herzien. Dit is meteen ook een van mijn prioriteiten bij de aanvang van mijn mandaat: een duidelijke, eerlijke en simpele reglementering uitwerken, zowel voor de sector van de uitba- ters, voor de gebruikers van deze verblijfcentra als voor mijn administratie.
De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.
Mevrouw Sabine Poleyn: Mijnheer de voorzitter, ik wil de minister graag bedanken voor zijn duidelijke antwoord. Het is goed dat de interpretatieproblemen in het geval van verhuur aan andere groepen dan Vlaamse, uit de weg worden gegaan en dat de administratie hier dui- delijkheid over krijgt.Mijnheer de minister, ik ben blij dat u ermee akkoord gaat dat het niet kan dat we daar een verschil maken en dat het feitelijk juist goed is dat buitenlandse groepen naar Vlaanderen komen.
Het argument dat er zou worden versnipperd indien we het toch toelaten, is niet zo goed, want u zegt zelf dat het maar om 80 euro gaat die de groepen te weinig hebben gekregen. Zo veel minder budget zal er dan toch niet zijn voor andere jeugdverblijfcentra.
Ik dank u voor uw antwoord, en ik wil u nog graag de volgende suggestie meegeven. Gezien uw politieke voorgeschiedenis is dit misschien iets makkelijker voor u: ik denk dat het goed zou zijn om iets nauwer samen te werken met de ministers van Jeugd en van Toerisme van de andere gemeenschappen en gewesten van ons land om ervoor te zorgen dat we het jeugdtoe- risme, vooral van jeugdbewegingen met kampen in Wallonië en in het Duitstalig gebied, en vanuit Brussel beter op elkaar afstemmen. Ik heb hierover in de vorige legislatuur regelmatig vragen gesteld aan toenmalig minister Anciaux. Ik meen dat hij één keer een overleg heeft gehad met zijn collega’s, maar dat het daarbij bleef. Misschien bent u de geschikte minister om die draad weer op te nemen.
Minister Pascal Smet: Ik ben blij dat te horen.
De voorzitter: Het incident is gesloten.
|
archief 2009
archief 2008
archief 2007
archief 2006

Marte Dewitte 8j.
|