|
Vraag om uitleg van mevrouw Sabine Poleyn tot de heer Philippe Muyters, Vlaams minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, over de Vlaamse Werkbaarheidsmonitor zelfstandigen 2010 en meer bepaald de werkstress en het moeilijke evenwicht arbeid-gezin bij zelfstandigen.
De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.
Mevrouw Sabine Poleyn: Minister, ik zag dat ditzelfde onderzoek vorige week werd besproken bij een vraag om uitleg aan minister-president Peeters. Ik heb deze vraag bij u ingediend omdat u minister bent van alle mensen die werken, waaronder ook zelfstandigen. Het lijkt me maatschappelijk belangrijk om gelijkaardige standaarden te gebruiken en ambities te hebben voor werknemers en zelfstandigen.
De Vlaamse werkbaarheidsmonitor zelfstandigen 2010 van de Stichting Innovatie & Arbeid in opvolging van het Pact 2020 werd eind 2010 bezorgd. Het rapport analyseert de kwaliteit van de arbeid bij zelfstandige ondernemers in een vergelijking tussen 2007 en 2010. In globo is er geen verbetering te merken tussen 2007 en 2010: zo’n 47 procent van de Vlaamse ondernemers heeft naar eigen zeggen werkbaar werk. 52 procent wordt in 2010 met werk- baarheidsproblemen geconfronteerd, voornamelijk werkstress – 38 procent – en een moeilijke combinatie arbeid en privé – 35 procent. Bij de werkbaarheidsvergelijking voor werknemers was er wel een verbetering van 2 procent te merken tussen 2007 en 2010. Dat is niet zoveel, maar het is toch een verbetering. 54 procent van de werknemers in Vlaanderen heeft werkbaar werk.
Het Pact 2020 stelde echter dat de werkbaarheid zowel van werknemers als van zelfstandigen jaarlijks moet groeien met gemiddeld minstens 0,5 procentpunt. De werkbaarheidsgraad voor werknemers zou daardoor minstens 60 procent moeten worden in 2020, en voor zelfstandigen
55 procent. De monitor meet dus weinig verbetering voor de zelfstandigen. Zo is de werkstress, vooral psychische vermoeidheid, bijvoorbeeld significant toegenomen bij zelfstandige ondernemers met een diploma hoger onderwijs van het lange type en bij de vrije beroepen, die drie tot vijf jaar actief zijn. Ook bij de vrije beroepen zijn er meer problemen om een evenwicht tussen werk en privé te vinden.
Er lijkt niet meteen een verschil tussen mannen en vrouwen aangetoond. In de beleidsbrief Werk 2011 kondigde u aan met de sociale partners te werken aan een werkbaarheidsakkoord. Minister, in antwoord op een vraag van mevrouw Turan in december 2010 zei u dat dat in aantocht is. Heel wat bevoegdheden zijn federaal, maar dat neemt niet weg dat de Vlaamse Regering wel instrumenten kan ontwikkelen, of het overleg met de sociale partners en de Federale Regering kan aansturen.
De resultaten zijn duidelijk. Er zou toch een verbetering moeten zijn bij de volgende meting. In zijn antwoord verwijst de minister-president vooral naar de initiatieven van de Vlaamse Regering op het vlak van kinderopvang en het verbeteren van de bedrijfsvoering. Maar er is meer. De zelfstandigen en zeker de vrije beroepen zijn de eerste ontvangers van een maatschappelijke tendens van mensen die veel eisen. De filosofie van ‘klant is koning’ staat vanzelfsprekend centraal bij heel wat zelfstandigen, maar die is nog heel moeilijk te volgen omdat de klant heel veel, soms onredelijk veel eist.
Minister, welke prioritaire noden haalt u uit de Vlaamse werkbaarheidsmonitor? Hoe wilt u die aanpakken? De belangrijkste vraag is wat de stand van zaken of de voorbereiding is van
het overleg met de sociale partners over een werkbaarheidsakkoord. Wordt hier op basis van deze monitor voldoende aandacht geschonken aan het gebrek aan werkbaarheid bij zelfstandigen? Gaat het niet alleen over werknemers, maar ook over zelfstandigen? Welke timing wordt gehanteerd?
Over welke instrumenten beschikt de Vlaamse Regering om te werken aan werkstress, psychische vermoeidheid en de combinatie arbeid-gezin? Overweegt u nieuwe instrumenten in het leven te roepen? Werden bestaande instrumenten geëvalueerd? Bent u hierover in overleg met de minister-president, bevoegd voor Economie, vooral wat werkbaarheid betreft binnen het Actieplan Ondernemerschap? Worden deze resultaten overgemaakt aan de federale overheid? Kunt u samenwerken met uw toekomstige collega om hetzelfde doel te dienen, om de resultaten mee te geven met het IPA-overleg (interprofessioneel akkoord)? Worden de oorzaken van de problematische situaties uit de monitor per subgroep verder onderzocht, bijvoorbeeld voor de vrije beroepen? Wordt ook rekening gehouden met het genderverschil?
De voorzitter: Minister Muyters heeft het woord.
Minister Philippe Muyters: Mevrouw Poleyn, de cijfers die u aanhaalt, zijn juist. Er is effectief een probleem. Dat kan niemand ontkennen. Uit de studie komt ook positief nieuws. Er werd ook een meting in kaart gebracht over een aantal sleutelfactoren op de werkplek, om de werkbaarheid te verbeteren: emotionele belasting, taakvariatie, fysieke arbeidsomstandig- heden en werkdruk.
Ik noem een positief element: het percentage van zelfstandige ondernemers dat onder hoge werkdruk presteert is met 4,4 procentpunt gedaald van 46,6 naar 42,2. Dat neemt niet weg dat we rekening moeten houden met deze studie. We moeten de conclusies bekijken, zowel voor de loontrekkenden als voor de zelfstandigen.
Ik heb aan mijn departement gevraagd om het overleg met de sociale partners voor te bereiden en ons eens een overzicht te geven van de reeds bestaande instrumenten en methodieken in binnen- en buitenland. Ik heb gevraagd om uit te zoeken welke instrumenten we kunnen inzetten om tot meer werkbaarheid te komen. De specifieke situatie van zelfstandigen wordt in deze oefening meegenomen. Dat is nog niet afgerond, ik kan daar niet veel over zeggen. Ik kom daar nog op terug.
Ik heb met het secretariaat van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) gesproken. Ik heb gevraagd om eerst binnen de SERV gesprekken te voeren. Ik vind het belangrijk dat de werkgevers- en werknemersorganisaties bilaterale gesprekken voeren en elkaars standpunt leren kennen. Die gesprekken zijn gestart. Goede besprekingen worden het best achter gesloten deuren gevoerd, zonder er al te veel ruchtbaarheid aan te geven. Ze kunnen het best samen zoeken naar hun gemeenschappelijke punten. Ik wacht dus nog even af. We zullen samen een timing bepalen.
De discussie tussen werkgevers- en werknemersorganisaties over de werkbaarheidsmonitor verliep in het verleden altijd moeizaam. Dat zal tijd nodig hebben. Ik wil hen niet bruuskeren. Het is mijn bedoeling een akkoord te sluiten met hen, dat heb ik hen gezegd en dat staat ook in mijn beleidsbrief. Dat is een duidelijk signaal, maar ik wil hen wel de kans geven om dit grondig te onderzoeken.
Via het Europees Sociaal Fonds (ESF) werden onder andere oproepen gelanceerd voor mensgericht ondernemen. Die projecten hebben tot doel de kwaliteit van de arbeid of de werkbaarheid te stimuleren. Ook binnen Innovatie-oproepen hebben zelfstandigen de mogelijkheid om projecten en voorstellen in te dienen.
Het beleid van evenredige arbeidsdeelname en diversiteit (EAD), een leeftijdsbewust personeelsbeleid en de initiatieven rond strategisch competentiebeleid dragen bij tot de kwaliteit van de arbeid en werkbaar werk. Een bedrijf moet dat natuurlijk wel goed
aanpakken. Wie bereid is zijn arbeidsorganisatie aan te passen kan veel doen aan de werkdruk en werkbaarheid. Het gaat om een degelijk loopbaanbeleid. We kennen dat vandaag nog veel te weinig in Vlaanderen. We kunnen dat in een ruimer kader bekijken en aanpakken als we dat overzicht van de instrumenten hebben, aangevuld met inzichten uit het buitenland. Het doel is het werkbaarheidsakkoord tussen de sociale partners. Ik heb binnenkort een overleg met de sociale partners om te zien hoe ver ze staan en hoe we voort moeten gaan. Ik moet dus bekennen dat ik nog niet zo ver ben gevorderd.
In de vergaderingen van het Vlaams Economisch Sociaal Overlegcomité (Vesoc) zitten drie ministers: minister-president Peeters als voorzitter en als minister van Economie, minister Lieten als viceminister-president en als minister van Innovatie, en daarnaast ikzelf. Met hen en met hun kabinetten houd ik nauw contact om hier een geheel van te maken. Dat past natuurlijk binnen hun beleidsdomein. Ik wil niet alleen een draagvlak bij de sociale partners maar ook binnen de Vlaamse Regering. Ik wil geen hokjesbeleid, maar een horizontaal beleid, waar nodig en nuttig. Dat is de essentie van mijn antwoord op uw zes vragen. Mijn excuses dat we nog niet verder staan, u kent nu toch de stand van zaken. Ik houd u uiteraard verder op de hoogte.
De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.
Mevrouw Sabine Poleyn: Minister, ik ben blij dat u positieve elementen hebt aangehaald. Ik had zoveel te zeggen dat ik alleen de kritiek vermeldde.
Ik ben blij dat u het signaal doorgegeven hebt aan de sociale partners. Wij moeten dit niet allemaal regelen maar we kunnen signalen doorgeven. De scheiding tussen werknemer en zelfstandige is vervaagd. Veel mensen combineren de twee statuten in de loop van hun carrière. We moeten daar aandacht voor hebben.
Ten slotte wil ik u aanspreken als minister van Ruimtelijke Ordening. Eigenlijk kan de Vlaamse overheid veel doen, niet alleen door nieuwe instrumenten bij te creëren, maar vooral door eenvoudiger regelgeving. Vooral voor zelfstandigen is het vaak lastig. Zij moeten in hun eentje alles volgen inzake Ruimtelijke Ordening, Leefmilieu enzovoort en dat creëert ongelooflijk veel stress. Ze voldoen dan vaak niet aan de regels, ze krijgen extra controle en dan is het nog niet in orde. Daar kan de overheid veel aan doen. Daar moeten de prioriteiten liggen, zeker in tijden van budgettaire schaarste. Ik doe een oproep aan u in uw andere bevoegdheid.
Minister Philippe Muyters: Ik had de link niet gelegd. Uiteraard is dat onze bedoeling. Ik verwijs naar de commissie-Sauwens en de commissie-Berx. Samen met ministers Schauvliege en Crevits werken we de visietekst van de Vlaamse Regering over de vereen- voudiging van vergunningen uit. Het is heel juist. Je kunt niet op straat komen of je wordt aangesproken op deze problemen. ‘God en klein Pierke’ noemen ze dat, zeker? Iedereen heeft wel ergens een probleem met ruimtelijke ordening of vergunningen. De Vlaamse Regering is zich daarvan zeker bewust. Op korte termijn komen we met enkele voorstellen. Op lange termijn zetten we de visietekst om in de nodige voorstellen van decreet, in de zomer, veronderstel ik.
De voorzitter: Het incident is gesloten.
|