Commissie voor Economie, Economisch Overheidsinstrumentarium, Innovatie, Wetenschapsbeleid, Werk en Sociale Economie
Vergadering van 09/12/2010
Vraag om uitleg van mevrouw Güler Turan tot de heer Philippe Muyters, Vlaams minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, over de resultaten van de werkbaarheidsmonitor 2010
- 43 (2010-2011)
De voorzitter : Mevrouw Turan heeft het woord.
Mevrouw Güler Turan : Minister, als we willen dat mensen langer – en langer na hun vijftigste – blijven werken, moeten we zorgen voor werkbaar werk. Ik weet dat u daar in uw beleidsbrief aandacht voor hebt. U vindt dat belangrijk. Maar het is ook een noodzaak. We hebben niet de luxe om dat naast ons neer te leggen.
Mijn vraag dateert van een tijdje geleden. Ik heb om de cijfers van de werkbaarheidsmonitor 2010 gevraagd. De werknemers, de loontrekkenden, doen het op de arbeidsmarkt beter dan de zelfstandigen. Uit de werkbaarheidsmonitor leid ik af dat we de doelstellingen 2020 zullen halen voor de loontrekkenden, en zullen benaderen voor de zelfstandigen. Dat neemt niet weg dat we daar moeten blijven naar streven.
In uw beleidsnota belooft u dat u het nodige zult doen om werkgevers en werknemers te faciliteren om daar een akkoord over te sluiten. De werkbaarheidsgraad in Vlaanderen is van 52,3 procent in september 2004 gestegen naar 54,3 in september 2010. Sinds de eerste meting zien we telkens weer stijgingen. We kunnen echter niet ontkennen dat die stijging vooral te danken is aan de periode van 2004 tot 2007. Van 2007 tot 2009 zien we eerder een stagnatie: 0,2 is geen echte toename, maar het is gelukkig een stagnatie. Ik vrees dat we in de komende periode meer inspanningen zullen moeten doen om de stijgende lijn van de eerste periode te benaderen.
Er worden een aantal indicatoren gemeten: psychische vermoeidheid, welbevinden op het werk, leermogelijkheden en de werk-privébalans. Over de leermogelijkheden hebben we het naar aanleiding van een vorige vraag om uitleg van mij al uitvoerig gehad. Dat is een verbeterpunt. Vrouwen krijgen minder mogelijkheden dan mannen, laaggeschoolden minder dan kaderleden. Dat weerspiegelt zich natuurlijk in deze meting.
Het grootste verschil is en blijft er op het vlak van de psychische vermoeidheid en het welbevinden op het werk. Die twee indicatoren worden grotendeels bepaald door de combinatie van werk en privé. Zoals te verwachten valt, staan de vrouwen wat dat betreft nog altijd onder grote druk. De psychische vermoeidheid bij de man neemt ook toe: van 27,1 procent in 2007 naar 27,6 in 2010. De toename bij de vrouwen ligt hoger. De combinatie van werk en privé op onze arbeidsmarkt, de psychische vermoeidheid en de druk op de werknemer zijn vooral bij vrouwen een zwaar verbeterpunt.
Bij de 50-plussers is de psychische vermoeidheid lichtjes toegenomen, terwijl het welbevinden op het werk verbeterd is. Hun tevredenheid neemt toe, waarschijnlijk blijven ze langer werken.
Minister, wat is de stand van zaken van de initiatieven die u neemt om de werkbaarheid nog te verbeteren? In 2012 komt er een nieuwe meting. We moeten dan betere cijfers op tafel kunnen leggen. Hoe gaat u dat akkoord faciliteren?
Voldoet het groeiritme aan uw verwachtingen? Ik neem aan dat u “nee” zult zeggen. We hebben het in de laatste jaren niet zo goed gedaan. Welk groeiritme wilt u bij de volgende meting gerealiseerd zien zodat we de doelstellingen van 2020 halen? Welke bijkomende maatregelen gaat u nemen?
Ik heb de achtergrond van de enquête goed gelezen. Ze is schriftelijk afgenomen, ik ben niet zo zeker dat ze heel representatief is. Ze is wel representatief en de reactiegraad is vrij groot, maar het blijft een verbeterpunt.
De voorzitter : De heer Laurys heeft het woord.
De heer Jan Laurys : Ik sluit me aan bij de vraag van mevrouw Turan inzake de werkbaarheid. Deze vraag had bij de bespreking van de beleidsbrief gepast.
Ik heb het vroeger altijd gezegd bij de bespreking van de beleidsnota’s, dat blijft een moeilijk punt. Is men al bezig met een nieuwe methode in plaats van de enquête? Het antwoord op zulke vragen is wellicht vaak gekleurd. We zouden een ander instrument moeten vinden met een min of meer objectieve maatstaf. Mijn vraag sluit dus aan bij de laatste opmerking van mevrouw Turan. Is er een wijziging van de methodiek? Is dat nog altijd gebaseerd op individuele ondervraging?
De voorzitter : Minister Muyters heeft het woord.
Minister Philippe Muyters: Ik begin met dat laatste punt. Dit is een heel zwaar en moeilijk punt geweest binnen het overleg met de Vlaamse sociale partners. De verdienste van het huidige instrument is dat we een evolutie zien. Als we veranderen van methodologie zullen we dat niet meer zien. Het gaat om een perceptie, dus is de evolutie het belangrijkste aspect dat men kan meten. Zoals de heer Laurys zegt, kunnen de antwoorden zeer subjectief zijn.
De sociale partners zijn er altijd van uitgegaan dat de meerwaarde vooral is dat er een evolutie zichtbaar is. U hebt beiden een punt wat de relativering betreft: het blijft een zaak van perceptie.
Men heeft toen, na een Europees onderzoek, onderzocht waar het elders ook bestaat. Men heeft dit gemaakt om te kunnen vergelijken met andere landen. Dat is dus eigenlijk de meerwaarde, met alle beperkingen die jullie naar voren brengen.
Mevrouw Turan, u bent ongelooflijk snel. Mijn beleidsbrief is in september opgemaakt. Gelukkig heb ik nog niet alles gerealiseerd, want anders zou ik na Nieuwjaar niet weten wat te doen.
Ik ben nog niet gestart met het overleg. Ik heb mijn departement wel al opdracht gegeven om het overleg voor te bereiden en op basis van de cijfers en de evoluties een verklaring te zoeken. Men moet ook nagaan wat er in het buitenland gebeurt zodat we met de sociale partners het gesprek kunnen aangaan. Ik heb er ook met het secretariaat van de SERV over gesproken. Ik heb begrepen dat zij ook een oefening zouden maken zodat wij in het voorjaar 2011 met het overleg kunnen starten. Dan pas kan ik zeggen op welke manier ik een akkoord naar voren kan brengen. Het hangt ook een beetje van hen af.
U bent dus iets te snel. Ik kan u niets meer vertellen dan welke stappen er zullen worden gezet.
Mevrouw Güler Turan : Minister, ik neem aan dat u zelf een bepaald groeiritme voor ogen hebt, of hebt u daar nog totaal niet over nagedacht?
Minister Philippe Muyters : Het Pact 2020 geeft de richting aan.
Mevrouw Güler Turan : Ja, maar we hebben vertraging opgelopen.
Minister Philippe Muyters : Ik wil samen met de sociale partners nagaan wat een aanvaardbaar en goed ritme is, op basis van de methodologie en de kennis die we hebben. Laat me duidelijk zijn: ik kan geen groeiritme opleggen. Het zal op het terrein moeten worden gerealiseerd, dus met de sociale partners. Ik ga niet op voorhand zeggen dat ik dit of dat groeiritme wil zonder dat zij hun mening kunnen geven.
Mevrouw Güler Turan : Ik begrijp dat het een akkoord moet zijn, maar ik had minstens verwacht dat u een streefdoel zou stellen.
Minister Philippe Muyters : Als ik dat doe, dan zou de ene sociale partner dat heel goed vinden en op voorhand zeggen dat dat het minimum is en de andere zou zeggen dat het niet gaat. Laat het dus maar groeien binnen het sociaal overleg, samen met de regering.
Mevrouw Güler Turan : Ik neem aan dat u het verschil tussen man en vrouw ook uitdrukkelijk meeneemt naar dat overleg?
Mijnheer Laurys, stress enzovoort blijft een subjectieve waarneming. Ik denk dat de subjectiviteit van de enquête wordt weggenomen door het feit dat het is opgestart met een nulmeting. Als we nu de indicatoren veranderen, dan gaan we de informatie die is ingezameld sinds 2004 verliezen. Dat is een beetje het risico.
Minister, in het voorjaar 2011 zult u mij opnieuw horen.
Met het verschil tussen man en vrouw, bedoel ik het verschil in verloning, in stress op het werk enzovoort. Ik hoop dat we dat tegen de volgende meting zullen hebben weggewerkt.
De heer Filip Watteeuw : Minister, ik denk dat u gelijk hebt dat u zich niet wilt vastpinnen op een groeiritme, ook om het overleg met de sociale partners niet te bemoeilijken. Maar uiteindelijk zal er een koppeling moeten komen tussen het groeiritme dat wordt vooropgesteld en concrete maatregelen.
In de begroting staat al een besparing op de aanmoedigingspremies, maar ik denk dat aanmoedigingspremies wel degelijk een element zijn in het zorgen voor werkbaar werk.
Minister, hoe zult u daarmee omgaan? Hebt u al denkpistes over hoe die aanpassing zal gebeuren? Het zal immers een effect hebben.
Minister Philippe Muyters : Ik ga ook niet vooruitlopen op budgetten. Laat ons eerst nagaan welke maatregelen er moeten worden genomen, en dan zullen we nagaan op welke manier we de nodige middelen zoeken. Dat kan door een budgetcontrole of door andere dingen te laten vallen. Alles moet niet altijd in surplus zijn. U hebt gelijk dat er in de begroting niet onmiddellijk middelen zijn ingeschreven.
De voorzitter : Het incident is gesloten.
De voorzitter: Minister Muyters heeft het woord.
Minister Philippe Muyters: Mevrouw Poleyn, de cijfers die u aanhaalt, zijn juist. Er is effectief een probleem. Dat kan niemand ontkennen. Uit de studie komt ook positief nieuws. Er werd ook een meting in kaart gebracht over een aantal sleutelfactoren op de werkplek, om de werkbaarheid te verbeteren: emotionele belasting, taakvariatie, fysieke arbeidsomstandig- heden en werkdruk.
Ik noem een positief element: het percentage van zelfstandige ondernemers dat onder hoge werkdruk presteert is met 4,4 procentpunt gedaald van 46,6 naar 42,2. Dat neemt niet weg dat we rekening moeten houden met deze studie. We moeten de conclusies bekijken, zowel voor de loontrekkenden als voor de zelfstandigen.
Ik heb aan mijn departement gevraagd om het overleg met de sociale partners voor te bereiden en ons eens een overzicht te geven van de reeds bestaande instrumenten en methodieken in binnen- en buitenland. Ik heb gevraagd om uit te zoeken welke instrumenten we kunnen inzetten om tot meer werkbaarheid te komen. De specifieke situatie van zelfstandigen wordt in deze oefening meegenomen. Dat is nog niet afgerond, ik kan daar niet veel over zeggen. Ik kom daar nog op terug.
Ik heb met het secretariaat van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) gesproken. Ik heb gevraagd om eerst binnen de SERV gesprekken te voeren. Ik vind het belangrijk dat de werkgevers- en werknemersorganisaties bilaterale gesprekken voeren en elkaars standpunt leren kennen. Die gesprekken zijn gestart. Goede besprekingen worden het best achter gesloten deuren gevoerd, zonder er al te veel ruchtbaarheid aan te geven. Ze kunnen het best samen zoeken naar hun gemeenschappelijke punten. Ik wacht dus nog even af. We zullen samen een timing bepalen.
De discussie tussen werkgevers- en werknemersorganisaties over de werkbaarheidsmonitor verliep in het verleden altijd moeizaam. Dat zal tijd nodig hebben. Ik wil hen niet bruuskeren. Het is mijn bedoeling een akkoord te sluiten met hen, dat heb ik hen gezegd en dat staat ook in mijn beleidsbrief. Dat is een duidelijk signaal, maar ik wil hen wel de kans geven om dit grondig te onderzoeken.
Via het Europees Sociaal Fonds (ESF) werden onder andere oproepen gelanceerd voor mensgericht ondernemen. Die projecten hebben tot doel de kwaliteit van de arbeid of de werkbaarheid te stimuleren. Ook binnen Innovatie-oproepen hebben zelfstandigen de mogelijkheid om projecten en voorstellen in te dienen.
Het beleid van evenredige arbeidsdeelname en diversiteit (EAD), een leeftijdsbewust personeelsbeleid en de initiatieven rond strategisch competentiebeleid dragen bij tot de kwaliteit van de arbeid en werkbaar werk. Een bedrijf moet dat natuurlijk wel goed
aanpakken. Wie bereid is zijn arbeidsorganisatie aan te passen kan veel doen aan de werkdruk en werkbaarheid. Het gaat om een degelijk loopbaanbeleid. We kennen dat vandaag nog veel te weinig in Vlaanderen. We kunnen dat in een ruimer kader bekijken en aanpakken als we dat overzicht van de instrumenten hebben, aangevuld met inzichten uit het buitenland. Het doel is het werkbaarheidsakkoord tussen de sociale partners. Ik heb binnenkort een overleg met de sociale partners om te zien hoe ver ze staan en hoe we voort moeten gaan. Ik moet dus bekennen dat ik nog niet zo ver ben gevorderd.
In de vergaderingen van het Vlaams Economisch Sociaal Overlegcomité (Vesoc) zitten drie ministers: minister-president Peeters als voorzitter en als minister van Economie, minister Lieten als viceminister-president en als minister van Innovatie, en daarnaast ikzelf. Met hen en met hun kabinetten houd ik nauw contact om hier een geheel van te maken. Dat past natuurlijk binnen hun beleidsdomein. Ik wil niet alleen een draagvlak bij de sociale partners maar ook binnen de Vlaamse Regering. Ik wil geen hokjesbeleid, maar een horizontaal beleid, waar nodig en nuttig. Dat is de essentie van mijn antwoord op uw zes vragen. Mijn excuses dat we nog niet verder staan, u kent nu toch de stand van zaken. Ik houd u uiteraard verder op de hoogte.
De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.
Mevrouw Sabine Poleyn: Minister, ik ben blij dat u positieve elementen hebt aangehaald. Ik had zoveel te zeggen dat ik alleen de kritiek vermeldde.
Ik ben blij dat u het signaal doorgegeven hebt aan de sociale partners. Wij moeten dit niet allemaal regelen maar we kunnen signalen doorgeven. De scheiding tussen werknemer en zelfstandige is vervaagd. Veel mensen combineren de twee statuten in de loop van hun carrière. We moeten daar aandacht voor hebben.
Ten slotte wil ik u aanspreken als minister van Ruimtelijke Ordening. Eigenlijk kan de Vlaamse overheid veel doen, niet alleen door nieuwe instrumenten bij te creëren, maar vooral door eenvoudiger regelgeving. Vooral voor zelfstandigen is het vaak lastig. Zij moeten in hun eentje alles volgen inzake Ruimtelijke Ordening, Leefmilieu enzovoort en dat creëert ongelooflijk veel stress. Ze voldoen dan vaak niet aan de regels, ze krijgen extra controle en dan is het nog niet in orde. Daar kan de overheid veel aan doen. Daar moeten de prioriteiten liggen, zeker in tijden van budgettaire schaarste. Ik doe een oproep aan u in uw andere bevoegdheid.
Minister Philippe Muyters: Ik had de link niet gelegd. Uiteraard is dat onze bedoeling. Ik verwijs naar de commissie-Sauwens en de commissie-Berx. Samen met ministers Schauvliege en Crevits werken we de visietekst van de Vlaamse Regering over de vereen- voudiging van vergunningen uit. Het is heel juist. Je kunt niet op straat komen of je wordt aangesproken op deze problemen. ‘God en klein Pierke’ noemen ze dat, zeker? Iedereen heeft wel ergens een probleem met ruimtelijke ordening of vergunningen. De Vlaamse Regering is zich daarvan zeker bewust. Op korte termijn komen we met enkele voorstellen. Op lange termijn zetten we de visietekst om in de nodige voorstellen van decreet, in de zomer, veronderstel ik.
De voorzitter: Het incident is gesloten.
|