Vraag om uitleg van mevrouw Sabine Poleyn tot de heer Frank Vandenbroucke, viceminister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming, over Europese uitwisselingsprogramma's (18 november 2008)
De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord. Mevrouw Sabine Poleyn: Mevrouw de voorzitter, op 1 januari 2007 ging het Europees uitwisselingsprogramma
‘Een Leven Lang Leren’ van start, in opvolging van het Erasmusprogramma. Het is een geïntegreerd program- ma, dat een aantal subprogramma’s of sectorale pro- gramma’s verenigt: Comenius voor het schoolonder- wijs, Grundtvig voor de volwasseneneducatie, Leonar- do voor beroepsonderwijs en beroepsopleiding en Erasmus voor het hoger onderwijs.
Op 6 juni 2007 hebben we hier, in de commissie voor Onderwijs, een gedachtewisseling gehouden met een aantal interessante mensen, naar aanleiding van 20 jaar Erasmus. Daaruit is gebleken dat 4 à 5 percent van alle afgestudeerden in 2006-2007 ooit deelnamen aan het Erasmusprogramma. Het ging om 2900 studenten, wat toen een gestage groei betekende. Recent lezen we in De Standaard dat slechts één op vijf jongeren geïnte- resseerd is om in het buitenland te studeren. Dat lijkt me weinig. We zouden kunnen denken dat er meer jongeren geïnteresseerd zijn. Nochtans is het belangrijk dat jongeren een buitenlandse ervaring kunnen opdoen. Zo blijkt uit een Duitse studie, van de universiteit van Kassel, dat studenten die op Europese uitwisseling geweest zijn, ondernemender uit de hoek komen. Dat is ook al regelmatig aan bod gekomen in deze commissie.
Mijnheer de minister, in opvolging van wat we hebben gehoord tijdens die gedachtewisseling, wil ik u de volgende vragen stellen. Beschikt u over recente cijfers van studenten die deelnamen aan Comenius, Grundtvig, Leonardo en Eramus? Er is daar sprake van een dalen- de trend of van een stagnatie? Hebt u een zicht op het aantal studenten in hogescholen of universiteiten die een stage deden of een andere uitwisseling met het buitenland naast Erasmusprogramma’s? Kunt u uit die cijfers een aantal conclusies trekken, bijvoorbeeld over verschillen naargelang studierichtingen of instellingen? Zo denk ik aan stages in het buitenland die eigenlijk niets te maken hebben met Erasmus, maar waar we volgens mij weinig zicht op hebben.
EPOS vzw is hier al een aantal malen aan bod geko- men. Welke initiatieven heeft die vzw ondertussen genomen om de deelname van studenten aan het pro- gramma ‘Een Leven Lang Leren’ te stimuleren? Is de vzw ondertussen een extern verzelfstandigd agentschap geworden?
De bamahervorming had als doel de mobiliteit van studenten voor hun master te vergemakkelijk binnen de Europese Unie. Ondertussen hebben we een eerste generatie afgestudeerde bachelors. Kunt u nu al vaststellen of er een grotere ‘brain circulation’ van Vlaamse jongeren binnen Europa begint te komen of zal komen?
VLHORA deed in 2007 een enquête bij zijn instellin- gen, om na te gaan welke aandacht zij geven aan inter- nationalisering. Bent u op de hoogte van de resultaten van die enquête?
Studenten in tweejarige opleidingen kunnen in het buitenland eigenlijk ook deelnemen aan het Erasmuspro- gramma. Voor Vlaanderen zou dat dan gelden voor het niveau van het hoger beroepsonderwijs. Zijn er nu al Vlaamse studenten die een hbo-opleiding volgen en ook deelnemen aan het Erasmusprogramma? Wat is uw hou- ding ter zake?
De voorzitter: Minister Vandenbroucke heeft het woord.
Minister Frank Vandenbroucke: Mevrouw de voorzit- ter, op de eerste vraag kan ik het volgende antwoorden. Voor het Erasmusprogramma zullen de definitieve cij- fers voor het academiejaar 2007-2008 pas bekend zijn na 30 november, meer bepaald na de rapportering door de universiteiten en de hogescholen aan het Nationaal Agentschap EPOS vzw.
De voorlopige cijfers geven het volgende beeld. In totaal zijn 2954 studenten met Erasmus vertrokken, van wie
2637 voor een studieverblijf, de zogenaamde ‘student mobility study’, en 317 voor een stage of ‘student mobility placement’. Deze placements zijn de vroegere Leonardo da Vincistages, die bij de start van het programma
‘Een Leven Lang Leren’ naar Erasmus zijn overgeheveld. Voor het lopende academiejaar vond de eerste, voorlopige rapportering op 31 oktober 2008 plaats. Die rapportering heeft betrekking op de studenten die vertrokken zijn tijdens het eerste semester en op de studen- ten die plannen te vertrekken in het tweede semester. In totaal zijn dat 3293 studenten, van wie 2744 voor studie en 549 voor stages.
Het onderdeel studentenstages uit het vroegere Leonardo da Vinciprogramma is nu dus ondergebracht in het Erasmusprogramma, althans wat de stages van studenten betreft. In 2007 en 2008 zijn onder het oude Leonardo- programma nog 223 studenten op stage geweest. Voor afgestudeerde studenten werden vanuit het hoger onderwijs 20 stages georganiseerd.
In het Comeniusprogramma, dat zich hoofdzakelijk richt tot leerlingen, leerkrachten en directies, is er één actie waarbij er sprake is van studenten, namelijk de Come- niusassistenten. Die actie heeft leerkrachten in opleiding als doelgroep. In 2007 gingen via die actie 43 leerkrachten in opleiding op buitenlandse stage. Er zijn nog geen cijfers beschikbaar voor 2008. Voor deze en andere cijfers ver- wijs ik u trouwens graag door naar de website van EPOS vzw. Die bevat een schat aan informatie, waaronder heel wat cijfermateriaal en statistieken, voor elk van de pro- gramma’s. U vindt de site op www.epos-vlaanderen.be.
Een vergelijking van de cijfers van het huidige en het vorige academiejaar leert ons dat er voor Erasmus een toename is van 11 percent van het totale aantal deelnemende studenten. Bij de stages is dat voor een groot deel toe te schrijven aan de verschuiving van het Leonardo da
Vinciprogramma naar het Erasmusprogramma, al is daar
– vooral bij de hogescholen – ook wel een nettotoename. Ook de klassieke studentenuitwisselingen stijgen, met 4 percent. Voor de Comeniusassistentenactie is op basis van de beschikbare cijfers geen eenduidige trend af te lezen. Het aantal deelnemers schommelt van jaar tot jaar. Voor meer gedetailleerde informatie over dit programma verwijs ik graag naar mijn antwoord op schriftelijke vraag 321 van mevrouw Libert.
Dan kom ik tot de volgende vraag. Een totaalbeeld hebben we niet, omdat de gegevens in kwestie ver- spreid zijn over de diverse aanbieders van dergelijke uitwisselingen. Zoals ik in mijn antwoord op de schriftelijke vraag nr. 180 van mevrouw Franssen al heb aangehaald, worden op dit ogenblik bijvoorbeeld geen gegevens bijgehouden van studenten die gedurende een bepaalde periode aan een buitenlandse instelling stude- ren: op eigen initiatief en met eigen middelen, of met middelen van de instelling waar ze in Vlaanderen stu- deren, of met een beurs van privéorganisaties, of met een beurs in het kader van de ontwikkelingssamenwerking, of met een beurs van buitenlandse nationale overheden en instanties. In een studie over de impact van de voorganger van het programma ‘Een Leven Lang Leren’ schatten de onderzoekers Van den Berg- he, Kirsch en Beernaert op basis van enquêtes en ra- mingen dat één student op acht een deel van zijn of haar opleiding in het buitenland heeft gevolgd. De nieuwe Databank Hoger Onderwijs, die in het kader van het nieuwe Financieringsdecreet voor het hoger onderwijs wordt aangelegd, zal het overigens mogelijk maken de gegevens te registreren van studenten die in het kader van een opleiding aan een Vlaamse hoge- school of universiteit een gedeelte van hun studies in het buitenland volgen.
De Europese ministers van Onderwijs hebben tijdens de ministeriële Bolognaconferentie te Londen vastge- steld dat de EU eigenlijk niet over allesomvattende cijfers over mobiliteit beschikt. Er zijn enkel cijferge- gevens over een beperkt aantal categorieën mobiele studenten, zoals bijvoorbeeld de Erasmusstudenten. Die cijfergegevens kunnen niet zonder risico worden geëxtrapoleerd. Sommige opleidingen of zelfs instel- lingen blijken immers veel in de alternatieve uitwisselingsvormen te investeren. Eens de nieuwe databank ook deze studietrajecten zal omvatten, zullen deze gegevens vlot toegankelijk worden en zullen we dergelijke analyses kunnen uitvoeren.
Het Levenslang Leren Programma (LLP) is een sterk gedecentraliseerd programma. Dit betekent dat de Vlaamse universiteiten, hogescholen, lagere en mid- delbare scholen, sociaal-culturele verenigingen en andere opleidingsverstrekkers grotendeels zelf voor de implementatie van de mobiliteit instaan.
Als nationaal agentschap voor Vlaanderen heeft het Europese Programma voor Onderwijs, Opleiding en Samenwerking (EPOS) hoofdzakelijk een faciliterende rol. Deze vzw moet instellingen aansporen tot het verhogen van hun mobiliteit. De vzw organiseert voor elk subprogramma studiedagen, contactseminaries en informatiesessies. Deze activiteiten richten zich tot de tussenpersonen, met name de aanbieders van mobiliteit binnen de betrokken instellingen. Ten aanzien van de studenten maakt vzw EPOS vooral onrechtstreeks publi- citeit voor mobiliteit, bijvoorbeeld door middel van de samenwerking met de vzw JINT en met het Erasmus Student Network (ESN).
Zoals ik hier al eerder heb toegelicht, onderzoeken we momenteel de mogelijke omvorming tot een extern verzelfstandigd agentschap van de vzw Epos. Dit vergt een grondige studie van ieder mogelijk denkspoor. We onderzoeken de juridische aspecten, de haalbaarheid en de wenselijkheid voor alle partijen. De vzw-structuur waarborgt de samenwerking tussen de drie initiërende organen, met name de Vlaamse dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB), Syntra en het Ministerie van Onderwijs en Vorming. Het is momen- teel overigens ook de enige structuur die door de Euro- pese Commissie is goedgekeurd.
Wat de vierde vraag over ‘brain circulation’ betreft, moet ik melden dat de EU en de Vlaamse overheid hierover nog geen informatie hebben. Dit heeft in de eerste plaats te maken met het feit dat het hier gaat om een erg recente en niet overal in Europa gelijktijdig doorgevoer- de hervorming van het hogeronderwijssysteem. De resultaten zullen pas in een later stadium zichtbaar en meetbaar worden.
Eind 2007 heeft de Vlaamse Hogescholenraad (VLHO- RA) met het oog op een screening in functie van de internationalisering de missieteksten van de 22 Vlaamse hogescholen opgevraagd en verzameld. Voor zover ik weet, heeft de VLHORA hier nog geen synthese van gemaakt of conclusies uit getrokken. Ik kijk hier uiteraard met interesse naar uit.
Momenteel kunnen enkel studenten van universiteiten en hogescholen aan het Erasmusprogramma deelnemen. In de huidige setting is niet in een deelname van studen- ten van het hoger beroepsonderwijs voorzien. Na de goedkeuring van het op stapel staande decreet betreffende het hoger beroepsonderwijs zal dit in principe wel kunnen.
De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord. Mevrouw Sabine Poleyn: Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik ben blij te merken dat het aantal deelne- mers aan het Erasmusprogramma en aan andere studen- tenuitwisselingen blijkbaar stijgt. Het is een goede zaak dat we dit beleidsmatig willen stimuleren. De nieuwe databank zal ons in de toekomst de kans bieden hier een duidelijk beeld van te vormen.
Ik wil hier in de kantlijn nog even verwijzen naar de ontwikkeling van de zogenaamde vierde pijler door de minister van Ontwikkelingssamenwerking. De vierde pijler omvat die mensen, bijvoorbeeld studenten aan een Vlaamse hogeschool, die op eigen initiatief op zoek gaan naar een stageplaats in landen als India. Er zijn momenteel heel wat losse initiatieven. De Vlaamse overheid wil die initiatieven ondersteunen. Dit is zeker nodig indien het om stageplaatsen in zuidelijke landen gaat. Op die manier kunnen we de kwaliteit en de slaagkansen verhogen.
We hebben een website ontwikkeld die als een help- desk functioneert. We bieden tevens vorming aan. Het Vlaams Agentschap Internationale Samenwerking (VAIS) ontwikkelt samen met de ngo-sector een vormingsaanbod om studenten, die vaak op individuele basis en zonder ondersteuning voor een stage naar het Zuiden trekken, voor te bereiden en na hun terugkeer te ondersteunen. Op die manier kunnen ze achterhalen hoe ze die ervaring een plaats in hun rol in Vlaanderen of in hun engagement binnen het onderwijs of binnen de ontwikkelingssamenwerking kunnen geven.
Mijnheer de minister, indien u eens tijd hebt, zou u eens met de minister-president over een mogelijke versterking moeten overleggen. Die initiatieven staan los van de Europese uitwisselingsprogramma’s en kunnen wat verdieping gebruiken.
De voorzitter: Minister Vandenbroucke heeft het woord.
Minister Frank Vandenbroucke: Dat is interessant. We gaan na of we op die manier synergieën tot stand kunnen brengen.
Mevrouw Sabine Poleyn: Ik denk hierbij ook aan de beurzen. Het systeem is nu heel versplinterd en valt onder de beleidsdomeinen Ontwikkelingssamenwerking en Onderwijs.
Mevrouw Monica Van Kerrebroeck: Mevrouw Poleyn, we hebben in het kader van de Nederlandse Taalunie recent nog een aantal contacten gehad in Suriname, waar ook in het Nederlands wordt onderwezen. Er is veel vraag naar wederzijdse uitwisselingsprogram- ma’s. Ik kan uw suggestie bijgevolg onderschrijven.
Minister Frank Vandenbroucke: Dat klopt.
De voorzitter: Het incident is gesloten. |