sabine
sabinevlaams parlementbuitenlandjeugdoverigeonderwijswest-vlaanderenfotoboekcontact

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine Poleyn tot de heer Frank Vandenbroucke, viceminister-president van  de  Vlaamse  Regering,  Vlaams  minister  van Werk, Onderwijs en Vorming, over de onderverte- genwoordiging van jongens in pedagogische wetenschappen (18 november 2008)

De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord. Mevrouw  Sabine  Poleyn:  Mevrouw  de  voorzitter, deze  vraag bouwt eigenlijk voort op de voorgaande vraag van mevrouw Moerman. Ze sluit daar  volledig bij aan. Het gaat over hetzelfde, maar vanuit een ande- re invalshoek.

Mijnheer de  minister, in  verband met de scheve gen- derverhoudingen in het hoger onderwijs, en in het on- derwijs in het algemeen, wordt meestal gewezen op de ondervertegenwoordiging van meisjes in wetenschap- pen en technologie. Daarover hebben we het  daarnet uitvoerig gehad. Ik steun ook alle inspanningen die we doen om dat recht te trekken. Het is belangrijk om een mix te hebben in alle richtingen. Zoals de heer Voor- hamme het daarnet ook al opmerkte, is het eveneens belangrijk  dat leerkrachten  er in de  klas een  gender- bewuste aanpak op nahouden.

Een andere scheve genderverhouding die minder vaak aan bod komt, is echter de ondervertegenwoordiging van jongens aan de faculteit Psychologie en Pedagogi- sche Wetenschappen. Ik baseer me daarbij op de speci- fieke cijfers ter zake. Zo telt de richting psychologie aan de Katholieke Universiteit Leuven maar 14 percent jongens. De richting  pedagogie telt er  minder dan  4 percent jongens.

Mevrouw  Monica  Van  Kerrebroeck:  Dat  is  zeer weinig.

Mevrouw Sabine Poleyn: In  het academiejaar  2007- 2008  studeerden  82  percent  vrouwen  en  18  percent

mannen  in  de  richting  psychologie  en  pedagogische wetenschappen.

Nochtans  heeft  die  laatste  scheve  verhouding  maat- schappelijke gevolgen. We lijken te evolueren naar een maatschappij  waarin  de zorg- en opvoedingssector een vrouwenaangelegenheid is,  en economie en harde we- tenschappen grotendeels door mannen worden geleid. Ik wil wel een kanttekening maken: soms  moeten we wel erkennen dat er verschillen zijn tussen mannen en vrou- wen. Soms zijn  vrouwen  misschien  beter of voelen  ze zich beter thuis in zorgende sectoren en voelt een  man zich misschien beter thuis in de harde sector. Dat heeft echter  maatschappelijke  gevolgen:  het  heeft  bijvoor- beeld nadelen voor het onderwijs. Er is een sterke over- vertegenwoordiging van vrouwelijke leerkrachten in het kleuter-, lager en secundair onderwijs. Nochtans is het voor de opvoeding  van  de jongens en  ook de meisjes belangrijk voldoende mannelijke opvoeders en rolmo- dellen te hebben in hun opvoeding.

Mijnheer  de minister, herkent u die  tendens?  Erkent u dat dit een probleem kan zijn voor onze maatschappij en meer bepaald voor de  opvoeding die we geven in ons onderwijs? Welke initiatieven  kunt  u eventueel nemen om die scheve genderverhouding in de sociale en psy- chologische richtingen, en met name in de pedagogie in het hoger onderwijs te kenteren?

De voorzitter: Mevrouw Moerman heeft het woord. Mevrouw Fientje Moerman: Ik zie bij mevrouw Poleyn het artikel liggen waarnaar ik heb verwezen in mijn vraag. Ik heb 5 percent gezegd, maar het is minder dan 4 percent als  het  gaat  over  de  pedagogische  wetenschappen.  De wanverhouding is dus nog iets meer geprononceerd.

De   voorzitter:   Minister   Vandenbroucke   heeft   het woord.

Minister Frank Vandenbroucke: Om te beginnen wil ik zeggen dat mevrouw Poleyn uiteraard gelijk heeft: de man-vrouwverhouding  in  het hoger onderwijs is sterk verschillend, afhankelijk van de studierichting. Traditio- neel vinden  we inderdaad  meer vrouwelijke studenten terug  in studiegebieden in  zorg en opvoeding,  en  veel minder  in de wetenschappen  en ingenieurswetenschap- pen. Daarover hebben we het daarnet nog gehad, naar aanleiding  van  de  interessante   vraag   van  mevrouw Moerman.

Om dat te illustreren: we zien dat natuurlijk ook zeer goed in het studiegebied onderwijs. Dat is  met 28 per- cent mannen tegenover 72 percent vrouwen evenmin in balans, maar toch iets minder scheefgetrokken  dan de opleidingen pedagogische wetenschappen  en  psycholo- gie,  waar  er  in  het  algemeen,  met  psychologie  erbij, sprake is van 18 percent  mannen tegenover 82  percent vrouwen. Ik geef dat mee, omdat de leerkrachten in het kleuter- en in het  basisonderwijs, en voor een groot deel ook  in het  secundair onderwijs, uit het  studiege- bied onderwijs komen. Afgestudeerden in de pedagogi- sche wetenschappen en de psychologie stromen relatief weinig  door naar  het onderwijs  zelf.  In het licht van deze vraag, maar niet in het licht van de ruimere pro- blematiek die mevrouw Moerman heeft geschetst, doet de  man-vrouwverdeling in  psychologie en pedagogie dus even minder ter zake. Tot zover de cijfers.

De vraag  is of die relatieve ondervertegenwoordiging van  mannelijke  leerkrachten  vanuit  maatschappelijk oogpunt problematisch is. Ik wil daar een dubbel ant- woord op geven. Het antwoord is ja, omdat, net zoals dat  in de zorgsector het  geval is, zo het stereotiepe beeld wordt doorgegeven en  misschien zelfs versterkt dat er ‘mannelijke’ en ‘vrouwelijke’ taken zijn.

Anderzijds weet ik ook dat er in de pers soms verhalen opduiken waaruit zogezegd blijkt dat  vooral jongens nadelen in  hun  schoolloopbaan  kunnen  ondervinden van te weinig of geen contact  met  mannelijke leer- krachten. Daarin ga ik niet mee. We hebben dat laten onderzoeken  in  het  kader  van  een  onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek (OBPWO), getiteld ‘Het geslacht der leerkrachten. Een onderzoek naar de impact van  de sekse van  het leer-krachtencorps en van de sekse van de  directie op de cognitieve  prestaties,  affectieve waarden van de leer- lingen’. De professoren Glorieux en Elchardus komen daarin tot de conclusie dat we de stelling moeten ver- werpen dat  een overwegend  vrouwelijk leerkrachten- team  een  negatieve  invloed  heeft  op  de  cognitieve prestaties  van jongens. Ze  relativeren  ook de invloed van de feminisering van het onderwijs op de houdingen van de leerlingen.

Kort  samengevat:  ik  zie  in  de  scheve  man-vrouw- verhouding onder de leerkrachten niet meteen gevaren voor de prestaties in het onderwijs, maar wél een pro- bleem qua maatschappelijke beeldvorming.

Ik kom nu tot een punt dat ik belangrijk vind. Ik vind dat de boodschap niet zozeer is dat er te veel vrouwe- lijke leerkrachten zijn. Er  zijn net méér leerkrachten welkom, net zoals er méér wetenschappers nodig zijn. Terwijl we  in het geval van de wetenschappen blijk- baar  vooral  moeilijk meisjes aanspreken, geldt  dat in het geval van het onderwijs, maar ook in het geval van de zorg, vooral voor jongens.

Er werd me gevraagd welke initiatieven ik zal nemen. Ik wil grotendeels verwijzen naar het antwoord dat ik zonet  ook aan  mevrouw  Moerman  heb  gegeven  en waarbij ik bijvoorbeeld heb gewezen op de cruciale rol van  de studiekeuze.  In  het  onderwijs  wil  ik  goede, bekwame en gemotiveerde leerkrachten. Dat impliceert dat de keuze voor pedagogische richtingen in het hoger onderwijs  een  bewuste  en  positieve  keuze  moet  zijn, rekening houdend met de talenten van de leerlingen, hun interesses  en  motivatie.  Tegelijk  moeten  we  zo  veel mogelijk af zien te raken van factoren die vaak mee de studiekeuze bepalen,  maar eigenlijk niet ter zake doen. Dat geldt ook voor erg stereotiepe, maar helaas ook erg foute  denkbeelden  over  wat  zogezegd  mannelijke  en vrouwelijke opleidingen en beroepen zijn. Zowel scho- len en CLB’s als mijn diensten ontwikkelen in dat kader initiatieven.

Specifiek  voor  het  onderwijs  wil  ik  hier  melden  dat binnen  mijn diensten een werkgroep gender en onder- wijspersoneel werkzaam is. Het is de bedoeling dat die werkgroep een  actieplan  uitwerkt ter bevordering van het  genderevenwicht  bij  het  onderwijspersoneel.  Dat actieplan past binnen de deelname van onderwijs aan het gelijkekansenbeleid  van   mijn  collega,   minister  Van Brempt.

De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord. Mevrouw Sabine Poleyn: Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik ben blij dat u in het tweede deel van uw antwoord zegt initiatieven te nemen om die mix in alle richtingen  te stimuleren en aandacht te  hebben voor het genderevenwicht.

In uw eerste deel van uw antwoord zegt u dat dit volgens u geen probleem is. Ik zou wat meer willen weten over dat onderzoek, want in de scholen zelf hoor je toch wel vaak, ook van leerlingen, dat een man voor de klas echt wel iets anders is dan een vrouw voor de klas. Dan gaat het over omgangsvormen, omgaan met conflicten en zo. Dat is natuurlijk niet wetenschappelijk. Misschien klopt dat niet. Ik zou dus kennis willen nemen van de resulta- ten van dat onderzoek. Laten we hopen dat er inderdaad geen probleem is,  maar ik zal zelf toch  mijn huiswerk wat beter maken en bekijken of er ter zake internationale onderzoeken te vinden vallen.

De voorzitter: Het incident is gesloten.

 

2009

2008

2007

 

 


tekening
Marte Dewitte 8j.

 

 

Sabine Poleyn - Vlaams volksvertegenwoordiger - Otegemstraat 131, 8550 Zwevegem, 0472 27 69 99 - Tel 02 552 43 27

creatie www.soete.be