sabine
sabinevlaams parlementbuitenlandjeugdoverigeonderwijswest-vlaanderenfotoboekcontact

Schriftelijke vraag aan Frank Vandenbroucke, Viceminister-president van de Vlaamse regering, Vlaams minister van werk, onderwijs en vorming betreffende de stand van zaken van burgerschapseducatie. (18-03-08)

In de Beleidsbrief Onderwijs en Vorming 2007-2008 (Stuk 1404 (2007-2008) – Nr. 1) kondigt de minister aan dat hij de administratie zou vragen hoe burgerschapseducatie en andere educaties kunnen worden versterkt. Voor burgerschapseducatie zou dit in samenwerking met de Koning Boudewijnstichting gebeuren.

In de Beleidsnota Onderwijs en Vorming 2004-2009 (Stuk 156 (2004-2005) – Nr. 1) kondigde de minister reeds aan dat het Europese Jaar van het Burgerschap door Onderwijs (2005) een eerste aanzet zou geven tot het creëren van netwerken en het identificeren en verspreiden van goede praktijkvoorbeelden en materiaalondersteuning. Zo zouden de betrokkenen over voldoende instrumenten beschikken om na 2005 burgerschapseducatie ten volle te realiseren in de lerarenopleiding en in de klas.

De minister verwees er ook naar dat partnerschappen met bijvoorbeeld jeugdraden/jongerenverenigingen een bijdrage kunnen leveren tot uitwisseling van goede praktijkvoorbeelden rond burgerschapseducatie.

  1. Welke verspreiding van goede voorbeelden en ontwikkeling van materiaal voor burgerschapsvorming is er gebeurd na of naar aanleiding van het Europese Jaar van het Burgerschap?
  2. Heeft het departement Onderwijs partnerschappen met jeugdraden of verenigingen kunnen stimuleren? Had dit een positief resultaat? Op welke manier gebeurde/gebeurt dit?
  3. Wanneer verwacht de minister de suggesties van de administratie en de Koning Boudewijnstichting voor het versterken van burgerschaps- en andere educaties?
  4. Is er al duidelijkheid over de wijze waarop een “betere coördinatie, kwaliteitsvolle ondersteuning en heldere financiering” met betrekking tot burgerschapseducatie zal worden bereikt?
  5. Welke “andere educaties” worden in het onderzoek meegenomen?

Naar aanleiding van het Europese Jaar van het Burgerschap organiseerde het departement Onderwijs en Vorming drie studiedagen met als centrale vraag ‘hoe omgaan met burgerschap in het onderwijs’. De resultaten van deze studiedagen - presentaties van experts, conclusies uit een aantal stellingengesprekken en goede praktijkvoorbeelden uit het leerplichtonderwijs en de lerarenopleiding - zijn verzameld op de website www.ond.vlaanderen.be/burgerschap. Op deze website zijn ook verwijzingen opgenomen naar organisaties die ondersteuning bieden op het vlak van burgerschapseducatie, onder de vorm van materiaalontwikkeling, projectondersteuning, vorming of begeleiding. Deze organisaties zijn doorgaans ook opgenomen in de databank van de CANON Cultuurcel en maken regelmatig gebruik van het tijdschrift Klasse om leerkrachten te informeren over hun educatief aanbod.
Eén van de belangrijkste vaststellingen die uit de stellingengesprekken (met leerkrachten basis- en secundair onderwijs, docenten en studenten uit de lerarenopleiding en pedagogisch begeleiders) naar voren kwam, was het gebrek aan concrete werkvormen en een aan specifieke doelgroepen en omstandigheden aangepaste ondersteuning. In het bijzonder actuele thema’s, die soms veel conflictstof inhouden en politiek geladen zijn, bleken weinig of niet te worden ingevuld in het huidige ondersteuningsaanbod op het vlak van burgerschapseducatie. De Koning Boudewijnstichting heeft daarop het initiatief genomen tot het project ‘De wereld op je bord’. Dit project biedt nascholing aan leerkrachten en materiaal rond de aanpak van controversiële thema’s in de klas. De nascholing, die gespreid over één schooljaar wordt aangeboden, heeft als doel de competenties van leerkrachten te versterken om samen met hun leerlingen te kunnen werken aan kritische meningsvorming, de opbouw van zinvolle discussies,… Het project staat open voor 50 secundaire scholen, voor leerkrachten uit het ASO, TSO, (D)BSO en KSO. Na afloop van de vormingssessies krijgen de deelnemende scholen financiële ondersteuning van de KBS om een vervolgtraject uit te werken. Dit stelt de leerkrachten in staat om op hun respectievelijke scholen het geleerde meteen in de praktijk om te zetten en op die manier voor een steviger draagvlak te zorgen inzake een coherente aanpak van controversiële thema’s. 

2.Via het initiatief Brede School in Vlaanderen en Brussel wordt in 17 proefprojecten een breed netwerk opgezet tussen organisaties en overheden uit de verschillende sectoren die samen het leren en leven van kinderen en jongeren mee vormgeven en ondersteunen. Er zijn daarbij enkele proefprojecten die gericht zijn op burgerzin in de brede betekenis van het woord. Ik ben van mening dat het stimuleren van dergelijke partnerschappen op lokaal niveau nuttiger is dan bijvoorbeeld een structureel partnerschap met jeugdraden na te streven. Ik wil niet vooruit lopen op de conclusies van het Brede School project, maar ik geloof vrij sterk in het feit dat partnerschappen vooral op lokaal niveau moeten groeien.

3.De administratie is op dit moment bezig met een terreinverkenning om een beter zicht te verwerven op de organisaties die initiatieven en materialen aanbieden op het vlak van educaties. Op basis van deze terreinverkenning wordt een prioriteitenplan opgesteld dat ik verwacht tegen het einde van dit schooljaar. De Koning Boudewijnstichting is wat betreft burgerschapseducatie ingeschakeld in dit proces. Eens het prioriteitenplan definitief vorm heeft gekregen, zal overleg worden opgestart met de relevante partners. Ik denk daarbij in de eerste plaats aan de pedagogische begeleidingsdiensten van de verschillende onderwijsnetten en aan een aantal organisaties die op grote schaal een aanbod doen aan scholen. Het spreekt immers voor zich dat deze actief bij de uitvoering van het prioriteitenplan betrokken moeten worden.

4.Ik verwacht hierover meer duidelijkheid te krijgen op het moment dat de administratie mij haar prioriteitenplan bezorgt. Wat de terreinverkenning op dit moment echter al aantoont, is de grote heterogeniteit in het bestaande ondersteuningsaanbod. Een betere coördinatie en afstemming van het aanbod zal op dit vlak al enig soelaas bieden. Maar het lijkt mij daarnaast onontbeerlijk dat scholen een instrument ter beschikking hebben waarmee ze zelf hun ondersteuningsbehoeften kunnen identificeren. De ondersteuning die de school vraagt, zal immers een duidelijke plaats moeten hebben binnen de visie van de school op vakoverschrijdend werken.
Wat de heldere financiering betreft, verwijs ik naar de opdracht die ik aan CANON heb gegeven om een laagdrempelige website te ontwikkelen waar alle informatie over ondersteuningsmiddelen voor scholen wordt gecombineerd en geactualiseerd. De voorbereidingen zijn begin 2008 opgestart, in nauw overleg met de betrokken overheden en instellingen. Het is de bedoeling de website eind 2008 te lanceren en van dan af te actualiseren.
Het uitgangspunt bij alle maatregelen is dat de kwaliteit van de ondersteuning moet verhogen. Alle vormen van ondersteuning dienen erop gericht te zijn voor scholen een bevorderend klimaat te creëren om met de vakoverschrijdende eindtermen om te gaan.

5.Het initiatief rond de kwaliteit van de ondersteuning heeft betrekking op alle leergebied- en vakgebiedoverschrijdende thema’s in het basis- en secundair onderwijs en op de educaties die via de leergebied- en vakoverschrijdende eindtemen kunnen worden behandeld. 

 

 

Archief 2009

Archief 2008

Archief 2007

Archief 2006

 


tekening
Marte Dewitte 8j.

 

CD&V

Sabine Poleyn - Vlaams volksvertegenwoordiger - Otegemstraat 131, 8550 Zwevegem, 0472 27 69 99 - Tel 02 552 43 27

creatie www.soete.be