sabine
sabinevlaams parlementbuitenlandjeugdoverigeonderwijswest-vlaanderenfotoboekcontact

Sabine Poleyn tot de heer Frank Vandenbroucke, viceminister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming, over technologie op school (26-06-08)

De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.

Mevrouw Sabine Poleyn: Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, dames en heren, techniek en technologie op school verdienen meer ondersteuning. Mijnheer de minister, dat is ook wat u zei op het atelier Talent van Vlaanderen in Actie op 16 mei. Jongeren moeten opnieuw warm gemaakt worden voor technische vakken en technologie. Jongeren met deze talenten blijken immers vaak in een andere richting terecht te komen. Onze maatschappij heeft deze jongeren echter hard nodig.

In uw beleidsbrief kondigde u aan dat u werk zou maken van een leerlijn technologie voor het hele leerplichtonderwijs. Uit het antwoord op mijn schriftelijke vraag van 18 april 2008 blijkt dat deze leerlijn in de zomer van 2008 klaar zal zijn. Ze zou de basis vormen van een herziening van de ontwikkelingsdoelen en eindtermen technologie. Dit zou ingaan op 1 september 2010. De invoering zou starten met het kleuter- en basisonderwijs en de eerste graad secundair.

Momenteel worden deze ontwikkelingsdoelen en eindtermen in diverse scholen uitgetest. Tegen de zomer van 2008 zouden de resultaten beschikbaar zijn. Een van de te verwachten resultaten – en dat is de reden van mijn mondelinge vraag – is de nood aan meer ondersteuning van de leerkrachten. Velen hebben immers weinig ervaring met techniek of technologie, of met de meest recente innovaties. Hun kennis, aanpak en motivatie zijn evenwel essentieel om de leerlingen echt warm te maken. Er moet nog uitgemaakt worden hoe leraars en scholen ondersteund kunnen worden om deze eindtermen te bereiken. Mij lijkt het belangrijk dit via verschillende kanalen te doen: via het stimuleren en eventueel gecoördineerd aanbieden van nascholing en de ontwikkeling van didactisch materiaal, sensibiliseren van leraren in opleiding, het stimuleren van samenwerkingsverbanden met bedrijven, meer bepaald ook de regionale technologische centra (RTC’s) enzovoort.

Vaak wordt in het veld gevraagd om deze eindtermen niet enkel vakoverschrijdend maar nog meer als apart vak aan te bieden. Deze nieuwe leerlijn technologie zal ook belangrijk zijn voor de nieuwe blauwdruk secundair onderwijs, zo stelde u vroeger, mijnheer de minister.

Bent u er ook van overtuigd dat scholen en leerkrachten nog meer ondersteuning nodig hebben vooraleer de nieuwe ontwikkelingsdoelen en eindtermen ingevoerd kunnen worden? Hoe denkt u dit uit te werken? Kunnen de RTC’s een rol spelen op regionaal niveau? Worden zij betrokken bij de uitwerking van het actieplan? Gaat u in op de interesse uit Nederland voor onze methodieken? Bent u van plan verdere samenwerking aan te gaan met Nederland of niet?

Hoe wilt u met een nieuwe blauwdruk secundair onderwijs techniek en technologie concreet stimuleren in de basisvorming en bij de studiekeuze? Denkt u eraan technologie meer als apart vak aan te bieden? Of is dat niet uw denkspoor?

De voorzitter: Minister Vandenbroucke heeft het woord.

Minister Frank Vandenbroucke: De eindtermen en ontwikkelingsdoelen techniek zijn voor advies een paar dagen geleden overgemaakt aan de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor). Daarna volgen de decretaal voorziene stappen, waaronder de bespreking van de voorstellen in het Vlaams Parlement. Indien we de implementatie, die gepland is vanaf september 2010, inderdaad goed willen laten starten, dan is extra ondersteuning van leraren in het basisonderwijs en in de eerste graad van het secundair onderwijs nodig.

Aansluitend bij mijn antwoord op de vorige vraag wil ik erop wijzen dat de actualisering van de ontwikkelingsdoelen en eindtermen voor techniek samenloopt met de herziening van nog andere onderdelen van het curriculum. Zo zullen er ook aanpassingen zijn voor het onderdeel natuurwetenschappen en zullen de vakoverschrijdende eindtermen voor het secundair onderwijs worden herzien. Tussen haakjes: de nieuwe eindtermen voor Nederlands en moderne vreemde talen eisen extra inspanningen van de scholen.

Er is wel een beperking aan ons initiatiefrecht: als er nieuwe eindtermen komen, volgen er ook nieuwe leerplannen die een grotere mate van concretisering kennen en de leraar ook methodologisch en didactisch een richting aangeven. De leerplanmakers zorgen doorgaans zelf voor een implementatieplan waar vaak nascholing aan gekoppeld is. Pedagogische begeleiders spelen daarbij vaak een belangrijke rol. Dit is bij uitstek een terrein waarop de pedagogische vrijheid speelt, en die wil ik respecteren.

Maar waar de partners bereid zijn samen te werken, wil ik zelf ook verantwoordelijkheid nemen. Dat is mogelijk in de vorm van een actieplan. Zoals aangegeven, hebben we niet alleen een actieplan nodig voor de ondersteuning van de implementatie van techniek. Er wordt het best werk gemaakt van een gecoördineerd implementatieplan voor de verschillende domeinen, rekening houdend met de belasting ervan voor de leraren en met voldoende oog voor de totaliteit van het curriculum, zowel in het basisonderwijs als in de eerste graad van het secundair onderwijs.

Er zijn nog geen beslissingen genomen over wie het actieplan zal realiseren. Zoals hierboven al aangegeven, stelt u eigenlijk een vraag over het terrein van de pedagogische vrijheid. Het is voor mij duidelijk dat de ondersteuning van vernieuwingen een systeembenadering vraagt. We zullen verschillende kanalen moeten gebruiken. De RTC’s zijn zeker een van onze mogelijke partners. Als overheid bevoegd voor het onderwijs kunnen we op mijn initiatief ook in het systeem van de prioritaire nascholing bijkomende impulsen geven. De voorbije twee jaren hebben we langs deze weg sterk in de nascholing met betrekking tot talen geïnvesteerd. Indien de budgettaire mogelijkheden er zijn, kan dit in een volgende periode mogelijk naar nascholing met betrekking tot wetenschappen en techniek verschuiven.

In het kader van het protocol met de Groep Educatieve en Wetenschappelijke Uitgeverijen (GEWU), de overkoepelende organisatie van educatieve uitgevers, heb ik de Entiteit Curriculum gevraagd een systematisch overleg en informatiedoorstroming te organiseren. Op die manier moet het mogelijk zijn gelijke tred te houden met de ontwikkelingen op de diverse terreinen.

Ik heb, eerlijk gezegd, niet meteen plannen om op de interesse uit Nederland in te gaan. Het is belangrijk dat we allereerst de zaken in het Vlaamse onderwijs voortreffelijk regelen.

Met de nieuwe blauwdruk voor het secundair onderwijs beogen we een consensus over een eigentijds concept van secundair onderwijs. De decretale onderbouw kan dan in de volgende regeerperiode tot stand komen. Het gaat om eigentijds secundair onderwijs, dat ieders talenten recht aandoet, dat de lat hoog legt, dat sterke leerlingen op hun niveau uitdaagt en dat minder sterke leerlingen optilt. Er is nood aan een bijgestuurde visie op het secundair onderwijs, die wat vandaag goed is recht aandoet en die voor wat minder loopt oplossingen suggereert.

Ik wil een brede en evenwichtige visie op talentontwikkeling. In het kader van deze doelstelling speelt de zogenaamde ‘basisvorming voor iedereen’ een cruciale rol. Ik ga ervan uit dat de leeftijdscategorie tussen tien en veertien jaar cruciaal is voor de talentenontdekking en de studiekeuze. Tijdens deze periode moeten de leerlingen tal van activiteiten worden aangeboden. Op basis van die activiteiten moet worden nagegaan waar ze goed in zijn. Dit houdt in dat techniek en technologie aan bod moeten komen. Indien dit niet zou gebeuren, zouden we mogelijk talent op deze vlakken misschien niet detecteren. Een brede waaier van ervaringen moet de leerlingen inzicht in en feeling voor hun interesses en mogelijkheden bieden. De verschillende vormingscomponenten van de basisvorming staan hier garant voor.

De geactualiseerde ontwikkelingsdoelen en de eindtermen voor de vormingscomponent techniek in het basisonderwijs en in de eerste graad van het secundair onderwijs hebben de brede technische geletterdheid als hoofddoel. Na de eerste graad komt technologische opvoeding al vaak niet meer voor in het curriculum van het secundair onderwijs. Het is dan ook zeer belangrijk dat de tijdens het werken aan de vormingscomponent techniek verworven competenties voldoende mogelijkheden bieden om in de volgende graden voor alle leerlingen verder te worden geoperationaliseerd en verruimd.

In de tweede en de derde graad van het aso komt techniek op zich niet meer aan bod. Er zijn enkel nog een beperkt aantal vakoverschrijdende eindtermen met betrekking tot de technisch-technologische vorming. In principe diepen die eindtermen de technische geletterdheid verder uit. Het statuut houdt echter enkel een inspanningsverplichting van de school in. De realisatie kan enkel binnen andere vakken, in projecten of in andere schoolactiviteiten tot stand komen.

Ik heb niet de indruk dat we op dit vlak belangrijke stappen voorwaarts hebben gezet. In de fundamentele gedeelten van de studierichtingen in het tso, het kso en het bso wordt de basis van technische geletterdheid tot specialistische technische vaardigheden en competenties in de onderscheiden sectoren en disciplines verruimd.

Voorlopig blijft de bestaande normering vanaf de tweede graad geldig. De invoering van de herziene ontwikkelingsdoelen en eindtermen voor techniek is nu prioritair. We bewegen ons stap voor stap. Het ligt voor de hand dat we de nieuwe lijn die in het basisonderwijs en in de eerste graad zal worden gevolgd voor de tweede en de derde graad zal worden doorgetrokken. In welke vorm dat precies zal gebeuren, is nog niet bepaald.

Ik wil met een praktische opmerking eindigen. Later deze namiddag zal de heer Mahassine een vraag om uitleg over min of meer dezelfde thematiek stellen. Het lijkt me een goede zaak mevrouw Poleyn en de heer Mahassine eens uit te nodigen om met mijn medewerkers over de vraag naar ondersteuning te overleggen. We zouden samen kunnen nagaan wat dit concreet kan inhouden. Mevrouw Poleyn heeft naar de RTC’s verwezen. Ik stel voor dat we in opvolging voorzien. Eerst moeten we evenwel overleg organiseren.

De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.

Mevrouw Sabine Poleyn: Ik dank de minister voor zijn antwoord en voor zijn uitnodiging, waar ik graag op zal ingaan. Ik wil toch repliceren op een paar punten die de minister heeft aangehaald.

Ik ben blij dat de minister zelf heeft verklaard dat de organisatie van de ondersteuning van de leerkrachten tot de pedagogische vrijheid van de scholen en de netten behoort. Hij heeft daarmee gezegd wat ik wilde horen. Tegelijkertijd zou de Vlaamse overheid gewoon in de gaten moeten houden op welke wijze ze een complementaire rol kan spelen. We kunnen al het bestaande samenbrengen. Ik denk in dit verband aan de CANON Cultuurcel. Het gaat dan om een flankerend beleid, naast al wat in de scholen en de netten zelf gebeurt.

Ik heb vooral naar de RTC’s verwezen omdat het me belangrijk lijkt dat de ondersteuning en de contacten met de bedrijven niet enkel vanuit nationale of algemene koepels worden geregeld. We moeten vooral de regionale contacten stimuleren. De RTC’s en andere bestaande regionale overlegplatformen tussen bedrijven en scholen kunnen hierbij een rol spelen.

Ik heb naar Nederland verwezen omdat ik heb vernomen dat daar een aantal interessante zaken aan de gang zijn. Ik moet toegeven dat ik de details niet ken. Indien de minister ooit tijdens een Europese top eens een kop koffie met zijn Nederlandse ambtsgenoot zou drinken, zou hij eens moeten nagaan of er uitwisselingsmogelijkheden zijn.

Wat de blauwdruk betreft, heb ik het antwoord met betrekking tot de tweede en de derde graad van het aso niet zo goed begrepen. Als ik het goed heb begrepen, heeft de minister gesteld dat er nog niet veel stappen voorwaarts zijn gezet. Is dat zijn evaluatie van de situatie?

Minister Frank Vandenbroucke: Dat is wat ik momenteel denk.

Mevrouw Sabine Poleyn: Er is met andere woorden nog veel werk voor de toekomst. Ik hoop dat de eerste stap, die vanaf 2010 zal worden gezet, een nieuwe schwung zal teweegbrengen. Ik hoop dat het onderwijs hier aandacht aan zal besteden. Ik hoop dat dit eerst in de publieke opinie en nadien in de studiekeuze van de jongeren vruchten zal afwerpen.

De voorzitter: Minister Vandenbroucke heeft het woord.

Minister Frank Vandenbroucke: Mag ik toch even verduidelijken dat ik de scholen geen verwijten maak? Ik stel dat gewoon vast. Het gaat even goed om een zelfkritische bedenking over het beleid. Ik denk dat we op dat vlak niet veel beweging hebben tot stand gebracht en de afgelopen jaren ook niet veel beweging hebben kunnen vaststellen. Dit is een uitnodiging om er werk van te maken, natuurlijk.

Mevrouw Sabine Poleyn: We zullen dat in de volgende legislatuur samen zeker nog opvolgen.

De voorzitter: Het incident is gesloten.

 

 

Archief 2009

Archief 2008

Archief 2007

Archief 2006

 


tekening
Marte Dewitte 8j.

 

CD&V

Sabine Poleyn - Vlaams volksvertegenwoordiger - Otegemstraat 131, 8550 Zwevegem, 0472 27 69 99 - Tel 02 552 43 27

creatie www.soete.be