Schriftelijke vraag aan Frank Vandenbroucke, Viceminister-president van
de Vlaamse regering, Vlaams minister van werk, onderwijs en vorming betreffende
de bewijsvoering van energieprestaties in schoolgebouwen. (04-09-08)
In het decreet betreffende energieprestaties in scholen (7 december 2007) wordt aangegeven aan welke eisen een school moet voldoen met betrekking tot de passiefhuisstandaard:
- een netto energiebehoefte voor verwarming <= 15 kWh/m² jaar;
- een netto energiebehoefte voor koeling <= 15 kWh/m² jaar;
- een luchtdichtheid (n50-waarde) <= 0,6 h-1;
- een maximaal E-peil van E55.
Er wordt in het decreet echter niet aangegeven hoe bewezen kan worden dat aan deze eisen wordt voldaan. er wordt ook niet aangegeven op welk ogenblik de bewijsvoering moet gebeuren.
Men kan ervan uitgaan dat ter zake mogen worden gebruikt:
- een netto energiebehoefte voor verwarming per oppervlakte-eenheid
- berekening van de netto energiebehoefte voor verwarming (kWh) volgens paragraaf 5.2 van bijlage 2 aan het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de eisen op het vlak van de energieprestaties en het binnenklimaat van gebouwen (11 maart 2005);
- berekening van de gebruiksoppervlakte zoals gedefinieerd in paragraaf 2 van hetzelfde besluit;
- een netto energiebehoefte voor koeling per oppervlakte-eenheid
- berekening van de netto energiebehoefte voor koeling (kWh) volgens paragraaf 5.2 van bijlage 2 aan het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de eisen op het vlak van de energieprestaties en het binnenklimaat van gebouwen (11 maart 2005);
- berekening van de gebruiksoppervlakte zoals gedefinieerd in paragraaf 2 van hetzelfde besluit;
- een luchtdichtheid (n50-waarde)
- bepaling volgens NBN en 13829:2001 Thermische eigenschappen van gebouwen – Bepaling van de luchtdoorlatendheid van gebouwen – overdrukmethode;
- een maximaal E-peil van E55
- berekening van de netto energiebehoefte voor verwarming (kWh) volgens paragraaf 4 van bijlage 2 aan het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de eisen op het vlak van de energieprestaties en het binnenklimaat van gebouwen (11 maart 2005).
Voor het tijdstip van de bewijsvoering lijkt het logisch om uit te gaan van het moment waarop het bouwaanvraagdossier wordt ingediend. Als de bewijsvoering alleen kan gebeuren bij het indienen van het energieprestatieverslag, dan ontstaat een grote druk op de directie van de school: subsidies die op het ogenblik van de start van de bouwwerken onzeker zijn, vormen een belangrijk risico.
Kan de minister meedelen op welke wijze en wanneer dient aangetoond te worden dat aan de in het decreet gestelde eisen wordt voldaan?
ANTWOORD
De in het decreet gestelde eisen (zijnde een netto energiebehoefte voor verwarming <= 15 kWh/m² jaar / een netto energiebehoefte voor koeling <= 15 kWh/m² jaar / een luchtdichtheid (n50-waarde) <= 0,6 h-1/ en een maximaal E-peil van E55) zal inderdaad cijfermatig gecontroleerd worden, en dit vanaf het begin van de werken.
De basis van de manier van “meten” van de eisen waaraan een school moet voldoen met betrekking tot de passiefhuisstandaard is opgenomen in een softwareprogramma. Dit specifiek programma is ontworpen om passieve gebouwen reeds van bij het ontwerp door te rekenen. Om een optimaal en dus kosten-efficiënt ontwerp te verkrijgen is het immers belangrijk dat een passief gebouw al tijdens het ontwerp wordt doorgerekend. Het evalueren van het al dan niet passief zijn van een ontwerp, kan dan ook gebeuren op basis van deze software.
Om tegemoet te komen aan de vraag van verschillende professionelen om een evaluatie te kunnen voorzien van de berekening, nog vóór de start van de werken, werd een “Quick scan procedure” ontwikkeld. Daarbij wordt de berekening nagekeken op de meest voorkomende fouten, en dit vóór de aanvang van de werken. Hoewel dit geen garantie geeft dat het resultaat ook effectief passief zal zijn - dat hangt immers af van de kwaliteit van het geleverde werk door de aannemers en van het al dan niet doorvoeren van cruciale wijzigingen aan de plannen tijdens de bouw - geeft het wel de nodige zekerheid dat het gebouw als ontwerp voldoet aan de passiefstandaard. Daarbij worden voor de enkele factoren die nog niet gekend zijn, want verband houden met de uitvoeringspraktijk, realistische standaardwaarden aangenomen. Zo zal voor de luchtdichtheid worden gerekend met n50 = 0,6 h-1 .
Deze quick scans worden op dit moment reeds uitgevoerd als de architect of bouwheer er effectief om vraagt.
De berekeningen worden na de werken opnieuw uitgevoerd en grondig nagekeken. Daarbij wordt uitgegaan van de situatie “as built”, op basis van de “as-built” plannen en op basis van de effectief gebruikte materialen, te staven door middel van officiële documenten zoals een factuur. Naast het nakijken van de berekeningen, zal een onafhankelijke partij een pressuratieproef uitvoeren voor het testen van de luchtdichtheid (een "BlowerDoor test") volgens de van toepassing zijnde Belgische Norm. Het effectief voldoen aan de criteria van de passiefhuisstandaard na uitvoering van de werken zal dan moeten blijken uit een kwaliteitsverklaring die wordt uitgereikt door een instelling, die middels een procedure volgens de wetgeving overheidsopdrachten geselecteerd wordt.
Bij de start van de werken kan men dus niet 100% zeker zijn of het resultaat ook effectief zal worden gehaald na uitvoering van de werken. Dat is op zich niet vreemd, gezien er bij de bouw van elk gebouw, passief of niet, een kwalitatieve uitvoeringspraktijk nodig is om het gewenste resultaat te verkrijgen.
|