Vraag om uitleg van mevrouw Sabine Poleyn tot de heer
Frank Vandenbroucke, viceminister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams
minister van Werk, Onderwijs en Vorming, over de stilgevallen nieuwe opleidingen
hoger beroepsonderwijs (hbo) (12-02-09)
De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.
Mevrouw Sabine Poleyn: Mevrouw de voorzitter, in 2008 had de Vlaamse
Regering de bedoeling enkele nieuwe hbo-opleidingen van start te laten
gaan, als proefproject, als voorloper van het komende hbo-decreet. Mijnheer
de minister, hiertoe vroeg u advies aan de Sociaal-Economische Raad van
Vlaanderen (SERV), die enkele beroepscompetentieprofielen ter beschikking
stelde. Ook binnen het onderwijs en de sociaaleconomische sector werden
een aantal interessante mogelijke opleidingen uitgeschreven, die beantwoorden
aan de nog steeds geldende definitie van hbo en beantwoorden aan een elan
en een opleidingsbehoefte. Bovendien groeide het draagvlak in de samenleving
voor die nieuwe hbo-opleidingen.In april 2008 stelde mevrouw Van Kerrebroeck
in deze commissie een vraag naar de resultaten van het SERV-advies. In
uw antwoord gaf u aan te verwachten dat de ontwikkeling van de opleidingen
in september 2008 van start zou kunnen gaan. Sindsdien werd, alleszins
naar mijn weten, ter zake geen verder initiatief genomen. Ik meen dat
geen enkele nieuwe opleiding van start is kunnen gaan, maar misschien
heb ik het bij het verkeerde eind.Intussen verwachten we hier in het parlement
wel het voorontwerp van decreet met betrekking tot het hoger beroepsonderwijs.
Zoals we vorige week ook hebben vastgesteld, is dat ondertussen afgeslankt,
tot enkel niveau 5, terwijl een aantal gesuggereerde opleidingen voor
die proefprojecten ook gingen over niveau 4, waarbij samenwerking tussen
secundair onderwijs en volwassenenonderwijs en zelfs met het hoger onderwijs
wordt gestimuleerd.
Mijnheer de minister, klopt het dat in 2008-2009, dus dit schooljaar,
in het kader van dit proefproject uiteindelijk geen nieuwe hbo-opleidingen,
al dan niet op basis van de SERV- profielen, van start zijn gegaan? Wat
zijn de redenen hiervoor? Blijft u bij de procedure waarbij het de SERV
is die een bindend voorstel doet met betrekking tot beroepscompetentieprofielen?
Zullen die kandidaat-opleidingen hun plaats krijgen in het nieuwe hbo-voorontwerp?
Wat gebeurt er met die elementen die eigenlijk thuishoren bij niveau 4?
Welke procedure kan in dat geval worden gevolgd? U had het vorige week
over flexibiliteit voor dat niveau 4. U stelde dat personen die nu buiten
het hbo-decreet vallen, nog altijd de beloofde voordelen zouden hebben.
Er zou sprake zijn van flexibiliteit. Op welke wijze gaat de overheid
dat doen? Wordt er bijvoorbeeld modulair gewerkt? Is er sprake van de
erkenning van eerder verworven kwalificaties en competenties?In uw antwoord
op de vraag van mevrouw Van Kerrebroeck gaf u op een bepaald ogenblik
aan dat was voorzien in een bedrag van 30.000 euro per opleiding. Het
was me niet zo duidelijk. U sprak zichzelf enigszins tegen. Op een ander
ogenblik stelde u immers dat er geen extra middelen waren. Was in extra
middelen voorzien, en zo ja, wat is er gebeurd met die middelen?
De voorzitter: Minister Vandenbroucke heeft het woord.
Minister Frank Vandenbroucke: Om te beginnen zou ik willen zeggen dat
het nooit de bedoeling is geweest om nieuwe opleidingen van het hoger
beroepsonderwijs al tijdens het schooljaar 2008-2009 van start te laten
gaan. Er worden tijdens dit schooljaar wel de nodige voorbereidingen getroffen
zodat, eenmaal het decreet van kracht is, zo snel mogelijk een reeks nieuwe
opleidingen kan worden opgestart. In het najaar van 2008 leverde de SERV
zes beroepscompetentieprofielen – tandartsassistent, dispatcher internationale
handel, operationeel manager retail, ploegbaas schilder- en decoratiewerken,
fitnessbegeleider en polyvalente medewerker grafimedia – aan, die konden
worden ingeschaald in de kwalificatiestructuur. De inschaling van die
beroepscompetentieprofielen werd uitbesteed en vond plaats tijdens de
maand januari. Op dit moment bespreekt de administratie de resultaten
van dit inschalingsproject met de organisatie die voor de inschaling instond.Half
januari 2009 leverde de SERV acht bijkomende beroepscompetentieprofielen
aan, namelijk praktijkassistent in de eerstelijnsgezondheidszorg, binnenvaartkapitein,
onderhoudsmecanicien zware havenwerktuigen, pijpfitter, douanedeclarant,
podiumtechnicus beeld, podiumtechnicus geluid en podiumtechnicus licht.
Voor de inschaling van die projecten werd door de administratie een bestek
opgemaakt en kunnen tot half februari offertes worden ingediend. Dit tweede
inschalingsproject zal rond de paasvakantie worden afgerond. Nadat die
inschalingen zijn uitgevoerd, zal een tweede projectoproep worden gelanceerd,
waarin blauwdrukken voor opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en
het secundair na secundair onderwijs worden ontwikkeld. Die zullen de
basis vormen van de eerste nieuwe opleidingen binnen het hoger beroepsonderwijs
en het secundair na secundair onderwijs.Ik kom tot uw tweede vraag. We
zijn van oordeel dat door met de verwachtingen van de sociale partners
rekening te houden, een betere aansluiting op de arbeidsmarkt wordt gerealiseerd
en civiel effect wordt gegarandeerd. Om die reden worden de competenties
die men verwacht van een beginnend beroepsbeoefenaar, zoals geformuleerd
in een beroepskwalificatie, de te bereiken einddoelen in het onderwijs.
Voor het uitwerken van de beroepscompetentieprofielen zorgt de SERV voor
een actieve betrokkenheid van de actoren uit de betrokken sectoren. Indien
het gereglementeerde beroepen betreft, worden de federale en internationale
bepalingen voor de beroepsuitoefening mee opgenomen in het uitwerken van
de beroepscompetentieprofielen. De beroepscompetentieprofielen zijn zo
uitgewerkt en geformuleerd dat ze bruikbaar zijn voor opleidingen. Zo
worden bijvoorbeeld de onderliggende kennis, vaardigheden en attitudes
geformuleerd die voor de competenties verworven moeten zijn. De kandidaat-opleidingen
zullen zeker hun plaats krijgen in het nieuwe voorontwerp. In het ontwerp
van decreet worden de procedures vastgelegd om nieuwe opleidingen te programmeren,
en die zullen ook gelden voor de kandidaat-opleidingen.
De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.
Mevrouw Sabine Poleyn: En de middelen? U sprak in uw antwoord aan mevrouw
Van Kerrebroeck over 30.000 euro per opleiding.
Minister Frank Vandenbroucke: Dat durf ik nu niet te zeggen. Het staat
me niet helder voor de geest. Bovendien zal het financieringsmechanisme
tussen secundair na secundair en hbo fundamenteel verschillend zijn. De
vraag is waar ze worden ingeschaald. Voor hbo gaan we iets aparts moeten
doen. Dat staat ook uitgelegd bij de ontwerpteksten van decreet. Het secundair
na secundair valt natuurlijk in het bestaand financieringsmechanisme van
het secundair onderwijs.De moeilijkheid nu is op welk niveau we ze gaan
inschalen. Daar hangt de uiteindelijke financiering van af.
Mevrouw Sabine Poleyn: Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.
De beloofde flexibiliteit voor de opleiding secundair na secundair zal
er effectief wel komen. Komt die er via een besluit?
Minister Frank Vandenbroucke: Neen, dat is decretaal werk. We zullen
dat hier bespreken. Mevrouw Sabine Poleyn: In de volgende legislatuur
dan.
Minister Frank Vandenbroucke: Neen mevrouw, ik hoop dat u blijft werken
zoals dat moet. U bent daarvoor verkozen. We zullen dat hier bespreken.
Mevrouw Sabine Poleyn: Zeer goed. Ik ben er blij om.
Minister Frank Vandenbroucke: Uw ongeduld siert u en u kunt dat omzetten
in legistiek werk.
Mevrouw Sabine Poleyn: Ik vroeg u of deze kandidaat-opleidingen een plaats
zullen krijgen. U zegt van wel, maar natuurlijk alleen als ze beantwoorden
aan de beroepscompetentieprofielen?
Minister Frank Vandenbroucke: Absoluut. Dat moeten we bij de inschaling
doen. Mevrouw Sabine Poleyn: U weet wellicht wat ik eigenlijk bedoel.
Toen hbo voor het eerst werd gelanceerd, zijn er heel wat creatieve geesten
uit het onderwijsveld gaan samen zitten om de behoeften van de regionale
arbeidsmarkten na te gaan en te onderzoeken wat men kan aanbieden. Ze
komen er blijkbaar niet uit door de procedure bij de SERV. Ik vind het
wel goed dat u via de SERV werkt. Maar ik vraag me af of men de arbeidsmarkt
ook op regionaal niveau beschouwt en niet alleen op Vlaams niveau. We
zijn natuurlijk een kleine regio, maar toch zijn er ook sterke socio-economische
verschillen.
Minister Frank Vandenbroucke: Voor de ontwikkeling van een beroepscompetentieprofiel
is dat in principe geen probleem. Veronderstel dat men zegt dat er een
regio is waar een bepaald beroepscompetentieprofiel kan worden geïdentificeerd
en zeer relevant is, dan kan dat worden ontwikkeld en via de SERV aan
ons worden bezorgd. Het is eigenlijk niet echt een issue.
Mevrouw Sabine Poleyn: Dat zal dan hopelijk duidelijk worden via de SERV.Via
die procedure gebruiken we enkel het criterium van de arbeidsmarktrelevantie
en niet – wat helemaal in het begin werd meegegeven – het idee van een
leerladder, van een aantal zones waar minder hoger onderwijs wordt aangeboden,
zoals Meetjesland, Westhoek, Noord- Limburg. Dat was de oorspronkelijke
bedoeling.
Minister Frank Vandenbroucke: Dat was misschien zo in het begin, maar
er moet een arbeidsmarktfinaliteit zijn. Daar blijf ik bij.
Mevrouw Sabine Poleyn: Op zich is dat wel spijtig omdat daardoor een
bepaalde dynamiek is stilgevallen.
Minister Frank Vandenbroucke: We kunnen daarover nog discussiëren wanneer
het decreet er ligt. We willen nu eens echt beantwoorden aan behoeften
uit de samenleving.
Mevrouw Sabine Poleyn: Daar kan ik het mee eens zijn, maar het zou een
bijkomende overweging kunnen zijn.
De voorzitter: De heer Pieters heeft het woord.
De heer Leo Pieters: Mijnheer de minister, nog niet zo heel lang geleden
heb ik u al eens een vraag gesteld over het hbo waar schijnbaar alleen
verpleging in zou worden opgenomen. U geeft nu aan dat er een 6 tot 8-tal
nieuwe richtingen inzitten. U hebt toen ook al gezegd dat u dit niet aan
het secundair onderwijs wilde koppelen.Als er naar aanleiding van de arbeidsmarktrelevantie
vanuit scholen het initiatief zou komen of er interesse zou zijn om hun
zevende jaar om te bouwen naar een hbo, wordt dit dan in aanmerking genomen?
Zij zijn immers gekoppeld aan secundaire scholen.
Minister Frank Vandenbroucke: Nee, behalve voor verpleegkunde niet. Wij
willen hbo 5 in hogescholen, volwassenenonderwijs en samenwerkingsverbanden
en verpleegkunde in het secundair onderwijs. Dat is een uitzondering,
maar men moet weten wat men wil.
De heer Leo Pieters: Als er voor andere richtingen een arbeidsmarktrelevantie
is, dan zou mogelijk kunnen worden overwogen om het mee op te nemen in
het hbo?
Minister Frank Vandenbroucke: U kunt dit nog niet weten omdat het redelijk
recent is. We maken nu een onderscheid tussen het kwalificatieniveau 4
– typisch een zevende tso en we spreken over secundair na secundair en
niet over hbo – en hbo kwalificatieniveau 5 – dit zit niet in het secundair
onderwijs qua organisatie, met uitzondering van de vierde graad verpleegkunde.
Maar iedereen die een goed idee heeft, is welkom.
De heer Leo Pieters: Maar werkt u met wat er nu bestaat in de secundaire
scholen? Als de scholen proberen om een zevende jaar tso uit te werken
– vroeger was dit een graduaat –, dan zou het niet kunnen omdat het secundaire
scholen zijn.
Minister Frank Vandenbroucke: Voor de derde keer: als het op het kwalificatieniveau
4 is, wel, als het op het kwalificatieniveau 5 is, dan niet. Dat is ons
idee. Ik stel voor dat we dit uitpraten wanneer we het ontwerp van decreet
bespreken.
De voorzitter: Het incident is gesloten.
|