Schriftelijke
vraag aan Patricia Ceysens, Vlaams minister van economie, ondernemen,
wetenschap, innovatie en buitenlandse handel betreffende de middelen voor
wetenschappelijk onderzoek in West-Vlaanderen. (23-12-08)
Middelen wetenschappelijk onderzoek - West-Vlaanderen
Naast de onderwijsfunctie heeft het hoger onderwijs ook
een onderzoeksopdracht en een dienstverlenende opdracht. Onderzoek wordt
voor de kenniseconomie die we willen steeds belangrijker. De middelen
die de Vlaamse overheid voor onderzoek vrijmaakt, worden verdeeld aan
de hand van een aantal vaste O&O-indicatoren (onderzoek en ontwikkeling)
en via enkele instrumenten, zoals Hercules, PWO, FWO, Tetrafonds, enzovoort.
Wie van naderbij de verdeling van de onderzoeksmiddelen
in Vlaanderen bekijkt, stelt vast dat hiervan slechts 1,4 % in West-Vlaanderen
ingezet wordt. Dit valt natuurlijk te verklaren door de bovenvermelde
indicatoren. Toch lijkt dit percentage zeer laag en niet legitiem. Indien
we de oefening doen en andere indicatoren gebruiken zoals het aantal studenten,
het aantal inwoners of het aantal financieringspunten, stellen we immers
een verhouding tot 18 % ten opzichte van het Vlaamse gemiddelde vast.
Omdat onderzoek zo nauw verbonden is met innovatie en
economische dynamiek, lijkt het toch relevant de frustratie van heel wat
West-Vlaamse onderwijsactoren ernstig te nemen.
1. Is er inderdaad een ongelijke verdeling van onderzoeksmiddelen
over de verschillende provincies? Wat is daarvoor de verklaring?
2. Erkent de minister dat deze verdeling volgens de bestaande
indicatoren in het geval van West-Vlaanderen niet als legitiem ervaren
wordt? Zo ja, welke initiatieven plant de minister om hieraan tegemoet
te komen?
3. Heeft de minister reeds overleg gehad hieromtrent
met West-Vlaamse actoren uit onderzoek of onderwijs?
ANTWOORD
op vraag nr. 43 van 23 december 2008
van SABINE POLEYN
1. De geografische spreiding van de instellingen uit
het hoger onderwijs biedt een eenvoudige verklaring voor de verdeling
van de onderzoeksmiddelen per provincie.
Op de Campus Kortrijk van de Leuvense universiteit na
(waarvan de onderzoeksresultaten in de totale cijfers voor de KULeuven
opgenomen worden) kent West-Vlaanderen geen universitaire onderwijsinstellingen,
dit in tegenstelling met alle andere Vlaamse provincies. De universiteiten
waren in 2007 goed voor ongeveer 90% van de totale O&O uitgaven voor
het hoger onderwijs. Deze O&O uitgaven worden gefinancierd via de
diverse instrumenten vermeld in de vraag. Daarnaast is er echter ook onderzoeksfinanciering
via contractonderzoek met bedrijven of gefinancierd door Europese of internationale
organisaties.
West-Vlaanderen heeft 3 hogescholen op een totaal van
22 voor Vlaanderen. Uit de meest recente O&O gegevens blijkt dat de
3 Westvlaamse hogescholen, 11,6% van de totale O&O uitgaven voor alle
Vlaamse hogescholen uit 2007 vertegenwoordigen. Dit geeft een beduidend
genuanceerder beeld dan de 1,4% waarvan in de vraag melding gemaakt wordt,
maar waarbij vooral rekening gehouden wordt met financieringsbronnen die
voornamelijk voor de universiteiten zijn bestemd en die zoals hierboven
vermeld, in West-Vlaanderen ontbreken.
Wij benadrukken dat voor beleidsdoeleinden of bij internationale
(regionale) vergelijkingen van O&O-uitgaven beter geen uitsplitsing
gemaakt wordt op provinciaal niveau omdat dit een te vertekend beeld geeft
door geografische concentraties van instellingen. Dit geldt zowel voor
instellingen uit de non-profit (publieke onderzoekscentra, hoger onderwijs,
particulier non-profitorganisaties) als voor de bedrijven. De O&O-intensiteit
wordt daarom ook nooit berekend op een niveau dat lager ligt dan dat van
het Vlaamse Gewest.
2. De structuur van het hoger onderwijs en de geografische
spreiding van de instellingen bepalen de geografische spreiding van de
onderzoeksmiddelen. De berekening resulteert hierdoor inderdaad in een
laag cijfer voor West-Vlaanderen. Meerdere nuances en verklaringen hierbij
zijn echter van belang.
Een deel van de financieringsinstrumenten zijn allereerst
niet of nog niet zo lang toegankelijk voor de hogescholen én het beeld
houdt bovendien ook geen rekening met contractonderzoek en middelen afkomstig
van buitenlandse organisaties. Zoals ook gesteld in het antwoord op vraag
1, toont het aandeel van de Westvlaamse hogescholen (11,6% voor 2007)
in de totale O&O uitgaven voor alle Vlaamse hogescholen een genuanceerder
beeld aan. Dit toont aan dat West-Vlaanderen toch wel beter scoort bij
financieringsbronnen toegespitst op de hogescholen en bij bronnen zoals
contractonderzoek met de bedrijven of middelen afkomstig van de EU. Niettemin
blijft het een aandachtpunt dat er overal in Vlaanderen een belangrijke
interactie tussen de onderwijs- en de onderzoeksactoren nodig is.
Door de hervorming van het hoger onderwijs en de rol
van de associaties neemt het onderzoek aan de hogescholen aan belang toe.
Tussen 2002 en 2007 zijn de uitgaven voor onderzoek aan de hogescholen
ongeveer verdubbeld en deze beweging zal ook verder toenemen. De hogescholen
krijgen door deze hervorming immers meer toegang tot nieuwe financieringskanalen
naast andere bestaande kanalen zoals bijvoorbeeld het Tetrafonds.
Studies tonen aan dat heel wat Westvlaamse studenten
in Gent of Leuven een academische opleiding volgen of volgden en er na
hun opleiding blijven wonen, werken of onderzoek uitvoeren. Diverse betrokken
actoren uit de onderzoeks- of onderwijswereld wezen meermaals op dit probleem
van ‘braindrain’ hiermee verbonden. Het Bologna-decreet is een eerste
belangrijke stap geweest in een beter regionale verdeling van de toegang
tot de opleidingen zonder hiervoor nog nieuwe academische instellingen
te moeten organiseren in West-Vlaanderen. Een onderwijs-systeem dat meer
opleidingmogelijkheden biedt binnen West-Vlaanderen zal op termijn zeker
ook een positief effect hebben op de onderzoeksactiviteiten van het hoger
onderwijs daar binnen de associaties meer aandacht besteed wordt aan de
samenwerking tussen hogescholen en universiteiten op het vlak van onderwijs
en onderzoek.
3. Er is dagelijks overleg tussen de minister en haar
kabinet met actoren uit onderzoek en/of onderwijs. Overleg dat toespitst
op een Vlaamse Provincie heeft niet plaatsgevonden, noch van West-Vlaanderen,
noch van een andere Vlaamse Provincie.
|