             |
Vraag om uitleg van mevrouw Sabine Poleyn tot de heer Frank Vandenbroucke,
Viceminister- president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Werk,
Onderwijs en Vorming, over onderzoek en hoger onderwijs in West-Vlaanderen
(19-03-09)
De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.
Mevrouw Sabine Poleyn: Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, begin
december
2008 stelde de gouverneur van West-Vlaanderen, de heer Breyne, namens
de instellingen hoger onderwijs in de provincie West-Vlaanderen een visie
op de uitbouw van het hoger onderwijs en onderzoek in de provincie voor
die ijvert voor een kennisgedreven toekomst voor West-Vlaanderen. Ik zal
ter informatie even wat cijfers aanhalen. In 2008 zijn 13.792 jongeren
aan de West- Vlaamse hogescholen en 1130 jongeren aan de K.U.Leuven Campus
Kortrijk afgestudeerd. Ongeveer 58 percent van de West-Vlaamse jongeren
vat hogere studies aan. In vergelijking met de andere provincies gaat
het hier om een hoog percentage. In verhouding studeren minder West-Vlaamse
jongeren aan een universiteit. Dit is aan het beperkter universitair aanbod
te wijten. Veel jongeren zoeken andere horizonten op om te studeren. Op
zich is dit heel positief. Het wordt enkel problematisch wanneer ze na
hun studies niet naar West- Vlaanderen terugkeren. West-Vlaanderen kent
bij de 20- tot 35-jarigen immers een negatief migratiesaldo. Ten gevolge
van de innovatieve hogere opleidingen aan de West-Vlaamse instellingen
zijn de cijfers in verband met deze braindrain de voorbije jaren licht
verbeterd. Het blijft hier echter om een alarmsignaal gaan. Een bijkomend
gevolg van het beperkter aanbod in het hoger onderwijs en in het bijzonder
in het academisch hoger onderwijs is het feit dat zeer weinig onderzoeksmiddelen
naar het hoger onderwijs in West-Vlaanderen gaan. Uit de nota van de gouverneur
blijkt dat slechts 1,4 percent van de Vlaamse onderzoeksmiddelen in West-Vlaanderen
wordt aangewend. Dit heeft natuurlijk gevolgen voor de regionale economie.
Minder hoger onderwijs betekent minder onderzoek, minder innovatie en
minder aantrekkelijke jobs voor jonge, creatieve hooggeschoolden. Het
initiatief van de gouverneur is bedoeld om alle krachten in West-Vlaanderen
te bundelen. Hij wil zich in het Vlaanderen in Actie-plan van de Vlaamse
Regering inschrijven. Dit plan wil van Vlaanderen een topregio maken.
In de huidige economische context is dit belangrijker dan ooit. De nota
van de gouverneur wil hiertoe een bijdrage leveren. De gouverneur ijvert
voor kennisontwikkeling en -verspreiding in zes zorgvuldig gekozen kennisdomeinen
in het hoger onderwijs. Ook op het niveau van het Vlaams wetenschapsbeleid
zijn een aantal clusters en domeinen afgebakend. De door de gouverneur
gekozen kennisdomeinen zijn creativiteit, materialen, gezondheid, onderwijstechnologie,
milieu en grensoverschrijding. Een onderdeel van de nota betreft onderzoek
en het belang van een goed onderwijsaanbod. Mijn vraag om uitleg gaat
vooral over dit laatste element. Het voorstel van de gouverneur wil West-Vlaanderen
als onderwijsprovincie aantrekkelijker maken. Het wil meer unieke opleidingen,
die studenten van over heel het land aantrekken en meer steun voor het
onderzoek dat hieruit zou voortvloeien. Dit zou in sterke mate in samenwerking
met bedrijven en met andere onderwijsinstellingen moeten gebeuren. West-Vlaanderen
moet in een aantal kennisdomeinen excelleren. De ontwikkeling, verspreiding
en valorisatie van kennis moet hieraan worden gekoppeld. Ik ben ervan
overtuigd dat niet enkel de West-Vlamingen deze visie genegen zijn. Ook
in Limburg moeten heel wat mensen beseffen dat de traditionele economie
moet worden omgeschakeld en dat het hoger onderwijs een rol in die evolutie
naar een creatievere en innovatievere economie kan spelen. Op 6 maart
2009 heb ik tot mijn verbazing in de Krant van West-Vlaanderen gelezen
dat de minister al een houding tegenover het plan van de gouverneur had
aangenomen. Ik ben heel blij dat de minister het plan van de gouverneur
genegen is. Ik zou hem hierover dan ook een aantal vragen willen stellen.
Mijnheer de minister, erkent u de maatschappelijke en economische gevolgen
van het beperkter hogeronderwijsaanbod en van de daaraan gekoppelde beperkte
onderzoeksfinanciering van het hoger onderwijs in West-Vlaanderen? Is
dit voor u een legitieme reden om specifieke maatregelen te treffen? Hoe
staat u tegenover de in de nota van de gouverneur vermelde voorstellen
in verband met kennisontwikkeling en -verspreiding in onderzoek en onderwijs?
Welke initiatieven wilt u nemen of zou u in de toekomst kunnen nemen om
deze vragen te beantwoorden? Hebt u hierover reeds overleg gehad met West-
Vlaamse actoren uit onderwijs en onderzoek? Er is ginds heel wat dynamiek
aanwezig. Ik kan me niet inbeelden dat niemand u heeft aangesproken. Hebben
deze gesprekken een concreet resultaat opgeleverd?
De voorzitter: De heer De Coene heeft het woord.
De heer Philippe De Coene: Mevrouw de voorzitter, ik
zou me graag bij de vraag om uitleg van mevrouw Poleyn aansluiten. We
hebben dit in de krant gelezen. We mogen echter niet altijd geloven wat
in de krant staat. Ik zou een en ander dan ook graag van de minister zelf
willen vernemen. Het document dat de gouverneur en de hoofden van de vier
hogeronderwijsinstellingen in West-Vlaanderen hebben opgesteld, lijkt
me zeer waardevol. Het document stelt zich ten aanzien van de nodige rationalisatie
niet defensief op. Het gaat uit van een samenwerking. We kennen die situatie
in heel Vlaanderen. Als ik enkel naar de 22 hogescholen kijk, merk ik
al dat ze soms elkaar fel beconcurreren. Het document bevat een goede
offensieve strategie. Het is meer dan enkel een oplijsting van de desiderata
van alle instellingen. Het brengt reliëf aan. De keuzes vormen een goede
strategie. Ik vraag me af of de nota van gouverneur Breyne haaks staat
op het advies en de besluiten van de Ministeriële Commissie Optimalisatie
en Rationalisatie in het hoger onderwijs, ook wel de commissie-Soete genaamd.
De nota pleit voor uitbreidingen. Is dit uitvoerbaar? Heeft de minister
de tijd genomen om dit uitgebreid met de auteurs van de nota te bespreken?
De auteurs van de nota reiken een aantal denksporen aan. Ik kan me inbeelden
dat de minister zelf ook een paar alternatieven of aanvullingen in gedachten
heeft. Ik zou in elk geval graag vernemen wat hij van deze nota vindt.
De voorzitter: De heer Tavernier heeft het woord.
De heer Jef Tavernier: Mevrouw de voorzitter, ik heb
de presentatie van deze studie of dit manifest bijgewoond. In mijn ogen
gaat het om een waardevol document. Hoewel er in West- Vlaanderen een
aantal belangrijke en vernieuwende bedrijven zijn, kampt het onderwijs
met een zekere achterstelling op het vlak van de onderzoeksmiddelen. We
moeten daar iets aan kunnen doen.We worden met een aanzet tot rationalisering
in het onderwijs geconfronteerd. Dit houdt het gevaar van centralisatie
en concentratie op een paar plaatsen in. Hierbij zouden bepaalde provincies
uit de boot kunnen vallen. Aan de andere kant is er de valkuil van het
provincialisme. Daar moeten we enorm voor opletten. Het kan niet de bedoeling
zijn dat West-Vlaamse studenten in West-Vlaanderen blijven, de Oost-Vlaamse
in Oost-Vlaanderen, die van Vlaams-Brabant in Vlaams-Brabant en die van
Limburg in Limburg. We moeten absoluut zorgen voor een openheid van geest
en voor een voldoende mobiliteit. Het zal de grote uitdaging zijn om ervoor
te zorgen dat we op verschillende locaties excellentiecentra kunnen ontwikkelen
waar er studenten terechtkomen van verschillende provincies. De vraag
is dan hoe je ervoor kunt zorgen dat je ook in West-Vlaanderen, naast
de andere provincies, een aantal onderzoeksprojecten concentreert, niet
om hetzelfde te doen wat al elders gebeurt en ook niet alleen met West-Vlaamse
studenten, maar om dingen te doen die men elders niet doet en ook met
studenten die uit andere provincies komen. Op welke manier denkt u te
proberen om dit te bewerkstelligen, rekening houdend met het feit dat
er waarschijnlijk een rationalisering moet komen zonder dat dit mag betekenen
dat alles zou worden geconcentreerd in twee steden?
Mevrouw Monica Van Kerrebroeck: Ik wil opmerken dat horizonverbreding
voor alle studenten iets gezonds is. Het zou hier misschien ook nuttig
kunnen zijn.
De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.
Mevrouw Sabine Poleyn: Een belangrijk deel van het actieplan dat wordt
voorgesteld en dat
CD&V bijvoorbeeld heel sterk bepleit, is dat de internationale, grensoverschrijdende
samenwerking nog veel sterker zou worden uitgebouwd, zodat de studenten
die bijvoorbeeld naar West-Vlaanderen komen, maar eigenlijk alle studenten,
bijna per definitie een internationale of grensoverschrijdende ervaring
opdoen. Ik ben het er volledig mee eens dat het helemaal niet de bedoeling
is om provincialistisch te werken.
Mevrouw Monica Van Kerrebroeck: U ziet die horizonverbreding
waarschijnlijk vooral voor Oost-Vlamingen die naar West-Vlaanderen gaan
en omgekeerd.
De voorzitter: De heer Sannen heeft het woord.
De heer Ludo Sannen: Ik ben het met u eens. We moeten
oppassen voor elke vorm van provincialisme, maar we moeten ook oppassen
voor elke vorm van het opsluiten van studenten in de eigen associatie,
waardoor mobiliteit ook deels onmogelijk wordt gemaakt.
De voorzitter: Minister Vandenbroucke heeft het woord.
Minister Frank Vandenbroucke: Mevrouw Poleyn moet een
beetje opletten wanneer ze mijn mening citeert uit een krant. Ik ben namelijk
gedurende jaren opgevoed door mijn moeder met de stelling dat je vooral
niet moet geloven wat er in de kranten staat. Ik denk daar elke dag aan.
Nu was mijn moeder afkomstig van Antwerpen en is die stelling misschien
niet toepasselijk op West-Vlaamse publicaties. Maar zonder de braindrain
uit West-Vlaanderen zou ik een existentieel probleem hebben gehad. In
die zin ben ik de Krant van West- Vlaanderen zeer goed gezind. Ik wil
iets meer ten gronde zeggen over de kwestie. Mevrouw de voorzitter, ik
neem aan dat iedereen hier aanwezig het document waarnaar mevrouw Poleyn
en de heer De Coene verwijzen, kent. Het is de nota die onder leiding
van gouverneur Breyne is opgesteld. Het is een interessant document. Als
dat niet zo is, stel ik voor dat we dit verdelen. Dat het een interessant
document is, blijkt uit het feit dat de provincialismediscussie nuttig
kan worden geïnformeerd door te kijken naar een tabel op pagina 6 van
dat document. Daaruit blijkt dat als je de afkomst van studenten ziet
in West-Vlaanderen, je door unieke opleidingen in West-Vlaanderen in staat
bent om mensen aan te trekken van verafgelegen provincies. Er is dus eten
en drinken in die discussie. Het is opmerkelijk dat ik vorige zaterdag
te gast was in Howest en ook even bij de campusrector van de KULAK. Ik
vond die twee bezoeken zeer interessant. Het heeft ook het denken hierover
een beetje gevoed. Wat Howest betreft, en misschien ook andere hogescholen,
is het indrukwekkend wat de school in haar unieke opleidingen aantrekt
aan studenten uit Limburg, Antwerpen en Vlaams-Brabant. Op dat soort mobiliteit
in de beide richtingen moeten we inzetten. Ik wil niet te lang stilstaan
bij de analyse die de gouverneur maakt. De feiten zijn wat ze zijn. Dat
geldt zowel voor de beschrijving van de sociaaleconomische situatie van
de provincie als voor de status quaestionis van het hoger onderwijs in
de provincie en inzake het onderzoek in de provincie. Ik wil meteen de
band tussen die dingen onderkennen, namelijk de band tussen de activiteiten
van universiteiten, hogescholen en andere onderzoekscentra met het maatschappelijke
en economische leven in de regio. Dat op zich legitimeert het nemen van
maatregelen, mevrouw Poleyn. Dat is net een van de fundamenten van de
Lissabonstrategie. Het is ook een van de blikvangers in ons brede Vlaams
Pact 2020. Dat is niet minder waar voor West-Vlaanderen. Zo kom ik meteen
bij uw derde vraag, namelijk hoe ik tegenover de voorstellen sta en hoe
we met die analyse omgaan. Ik waardeer alleszins de aanpak van de gouverneur.
De visienota vertrekt van een beperkt aantal strategisch gekozen domeinen.
Daarbij wordt onder meer rekening gehouden met maatschappelijk erkende
noden, met in de provincie al aanwezige sterke punten, en met afstemming
op programma’s zoals Vlaanderen in Actie. Rond die domeinen, zo stelt
de nota, moet aan kennisontwikkeling, door allerlei vormen van onderzoek,
en aan kennisvalorisatie, door overdracht naar bedrijven, organisaties
en dergelijke, gedaan worden. Vervolgens moet er ook kennisverspreiding
gebeuren, dat is het laten doorsijpelen van die kennis in de opleidingen.
Waar dat kan, in bestaande opleidingen, waar het moet, in nieuwe opleidingen.
Dan pas is dus sprake van de eventuele programmatie van nieuwe opleidingen.
Ik vind dat een verfrissende aanpak. Het is niet het intussen wat holle
pleidooi voor de klassieke uitbreiding met traditionele onderwijsbevoegdheden,
dat links en rechts – en soms zelfs bij sommige West-Vlamingen – wel eens
de kop wil opsteken. De sceptici die zich afvragen of het hier om meer
gaat dan een mooie verpakking voor een paar individuele dromen, zullen
ook niet naast de bijlagen in het document kunnen kijken. Daarin hebben
de West-Vlaamse RESOC’s namelijk hun visies, noden, doelstellingen en
acties uitgeschreven en leggen ze de fundamenten voor dit verhaal. Die
aanpak, die vertrekt vanuit de noden van de samenleving en niet vanuit
de wensen van de instellingen of de dromen van een of andere politicus,
waardeer ik sterk. De heer De Coene legt zeer terecht een band met het
rationalisatieproces, dat nu echt in gang is gezet. De keuze tussen Soete
en Breyne, tussen rationaliseren en programmeren, is voor mij geen of-ofverhaal.
Het ene bouwt voor mij voort op het andere. Wat we met de rationalisatie
beogen, is immers niet een klassieke besparing of een oefening in het
afbouwen van zo veel mogelijk opleidingen. De focus wordt nochtans vaak
gelegd op opleidingen die de norm niet halen en die dus – ik citeer –
“zullen moeten verdwijnen”. Dat is overigens een vrees die we ook wel
een beetje terugvinden in de nota-Breyne. Maar dat is niet de grond van
de zaak als we het hebben over rationalisatie. Met de rationalisatie willen
we vooral dat sterktes beter uitgespeeld worden, dat de instellingen en
hun personeel zich kunnen concentreren op waar ze echt goed in zijn, en
dat studenten kunnen kiezen voor nog betere opleidingen, met een bredere
waaier aan specialisaties die echt uitgediept worden. In dat kader is
het dus helemaal niet tegenstrijdig om ook te denken aan lacunes in het
opleidingsaanbod en hoe die best opgevuld kunnen worden. Vandaar ook dat
de programmatiestop in het hoger onderwijs maar tijdelijk is. Ik vind
het zelfs niet ondenkbaar om aanpassingen te doen aan de onderwijsbevoegdheden
die in het structuurdecreet zijn vastgelegd. Dat is altijd een delicate
kwestie, maar ik vind het niet ondenkbaar in de hele opbouw van redenering
die hieraan voorafgaat. Maar tegelijk zeg ik ook: geen Breyne zonder Soete.
Want als onze universiteiten en hogescholen niet kunnen aantonen dat de
middelen voor het bestaande opleidingsaanbod zo doelmatig mogelijk worden
ingezet, waar halen ze dan de legitimatie om te pleiten voor bijkomend
aanbod? De heer Sannen en mevrouw Demeulenaere hebben indertijd in deze
commissie de wildgroei van afstudeerrichtingen aangeklaagd. De heer Sannen
heeft mij aangezet tot actie, en ik heb die ook ondernomen, met effect.
West-Vlaanderen was op dat vlak soms echt de Far West, met alle kwalijke
gevolgen van dien. In een sfeer van na-ijver en overmatige concurrentie
kan bijkomend programmeren inderdaad een averechts effect hebben. In zo’n
sfeer dreigt het ook bij voorbaat elk redelijk gesprek over een mogelijke
uitbreiding van de onderwijsbevoegdheid van deze of gene instelling uit
te sluiten. Vandaar mijn duidelijke vraag om niet alleen energie te stoppen
in het verder uitwerken van de visienota, maar meteen ook de rationalisatie
ernstig aan te pakken. Enkel als het rationalisatieproces serieus wordt
uitgevoerd, zal er een voldoende maatschappelijk en politiek draagvlak
groeien voor het uitvoeren van de visienota. Ik heb daarnet al gezegd
dat ik, uiteraard onder voorbehoud van een bekwame aanpak van het rationalisatieproces,
bereid ben om zo nodig initiatieven te nemen om de onderwijsbevoegdheden
van de instellingen aan te passen. De eerlijkheid gebiedt mij daaraan
toe te voegen dat ik dat niet als een exclusief West-Vlaams privilege
zie. Ik kan die redenering evengoed ontwikkelen voor in Antwerpen of Limburg:
als de universiteiten en de hogescholen er met een gezamenlijke inspanning
en in onderling vertrouwen in slagen om het huidige hogeronderwijslandschap
optimaal in te richten, ontstaat er ook ruimte voor compleet nieuwe initiatieven.
Ik begrijp ook dat er in de nota enige bezorgdheid doorklinkt over de
beschikbaarheid van middelen om ook in de hogescholen aan onderzoek te
doen, welke kwalificatie dat onderzoek ook meekrijgt. Het is alleszins
niet mijn bedoeling om de onderzoeksmiddelen volledig uit het niet-universitaire
onderwijs weg te trekken, ook niet – maar dat is een thema dat we nu niet
moeten aansnijden – na een inkanteling van de academisch gerichte opleidingen
aan de universiteiten. Er gebeurt in de hogescholen inderdaad bijzonder
waardevol onderzoek, dat vaak heel nauw aansluit bij het lokale sociaaleconomische
weefsel. Dat lokale sociaaleconomische weefsel, dat kunnen inplantingen
zijn van grote internationale bedrijven en multinationals die Vlaanderen
uitkiezen en die ook belang hebben bij deze onderzoeksontwikkelingen.
Ik heb dat vorig weekend nog met eigen ogen kunnen aanschouwen in de Hogeschool
West-Vlaanderen (Howest). We mogen dat niet verloren laten gaan. Ik zou
dat eigenlijk integendeel nog willen versterken, zowel financieel als
structureel. We zouden dat kunnen doen door bijvoorbeeld de PWO- middelen,
die typisch ingezet worden voor praktijkgebaseerd onderzoek, als een volwaardige
component van de werkingsuitkering in de financiering van de hogescholen
in te bouwen, in plaats van ze via een aanvullend kanaal toe te kennen,
zoals vandaag het geval is. Ik kom dan tot een volgende overweging. De
hogescholen pleiten in de nota voor het creëren van meer opstappen naar
het hoger onderwijs, van meer samenwerking ook tussen de verschillende
soorten instellingen die opleidingen aanbieden tussen het secundair en
het klassieke hoger onderwijs in. Wat dat betreft, krijgt deze nota vandaag
al een begin van uitvoering, want ik wil u straks, met het ontwerp van
decreet op het hoger beroepsonderwijs en het beeld van de ladder hier
achter me, meteen al een heel belangrijk initiatief voorstellen waarmee
we een duidelijk kader kunnen bieden voor dat aspect van de visienota.
Ik wil ten slotte ook wel bekijken hoe we een en ander zo nodig logistiek
kunnen ondersteunen. Ik geef een voorbeeld. Professor Vanden Abeele, de
campusrector van KULAK, heeft me vorig weekend verteld over de vrijwillige
uitwisselingen van studenten met de universiteiten in Rijsel. Ik kende
dat zo niet in detail en zo uit het leven gegrepen als hij me het heeft
verteld. Ik moet zeggen dat dat gesprek me bijzonder enthousiast heeft
gemaakt. Er is natuurlijk sprake van een grensgebied, maar dit is een
soort mobiliteit die eigenlijk op een bijzonder efficiënte manier internationale
uitwisseling met zich meebrengt en tegelijk natuurlijk ook een investering
is in een betere kennis van het Frans voor de ene en kennis van het Nederlands
voor de andere. Het is toch enigszins een onderdompeling in een andere
onderwijscultuur, en dat door een zeer eenvoudig mechanisme: mensen nemen
de trein en gaan naar Rijsel, en omgekeerd. Hoe eenvoudig dat op het eerste
gezicht ook is, toch kan ik me voorstellen dat die extra verplaatsingen
voor sommige jongeren een drempel kunnen vormen. Via bijvoorbeeld de studentenvoorzieningen
moeten we daar oplossingen voor kunnen vinden. Zo nodig moeten we verder
gaan dan onze eigen onderwijsbevoegdheden. Al bij al is het immers vreemd
dat iemand als student voor een appel en ei van Menen of Veurne naar de
andere kant van het land kan sporen, hoewel we daar natuurlijk voor zijn,
maar flink wat meer moet ophoesten als hij even de grens oversteekt. Er
is dus, denk ik, een vraag naar wat creatief beleidswerk om daar iets
aan te doen. Mevrouw de voorzitter, ik beperk me voorlopig tot die vier
punten. De rest zal moeten blijken als de dossiers in uitvoering van de
visienota concreet op tafel komen.Er werd me vervolgens gevraagd of ik
daarover al overleg heb gepleegd en wat daarvan het resultaat was. De
heer De Coene vroeg of er wegen zijn voor de uitbouw van het hoger onderwijs
en het onderzoek in de provincie die naar mijn mening in de strategienota
niet of onvoldoende aan bod komen. Dat brengt me bij een laatste reeks
vragen. Er werd gevraagd of er eventueel nog dingen ontbreken in die strategienota
en hoe we uitkijken naar verder overleg. Mevrouw Poleyn, de gouverneur,
de algemeen directeurs van de drie West-Vlaamse hogescholen en de campusrector
van de KULAK zijn me eind januari de visienota komen voorstellen. We hebben
daar toen een eerste gedachtewisseling over gehad, waarbij ik ook een
aantal thema’s heb opgeworpen die naar mijn aanvoelen nog onderbelicht
waren. Ik kom daar zo dadelijk op terug. We hebben toen de afspraak gemaakt
dat we voort in contact met elkaar zouden blijven. Ik heb sindsdien contacten
gehad. Ik heb het al gehad over mijn uitstapjes van vorige zaterdag. In
het vervolg op dat eerste overleg met de gouverneur is het onder meer
de bedoeling een aantal zaken te verduidelijken die naar mijn mening vooralsnog
een beetje onderbelicht zijn in de visienota. Zo wordt de samenwerking
met hogeronderwijsinstellingen uit Noord-Frankrijk en Henegouwen wel aangekaart,
maar blijft de nota voorlopig vrij vaag over de draagwijdte van die grensoverschrijdende
samenwerking, terwijl initiatieven als de Eurometropool Rijsel- Kortrijk-Doornik
net in die samenwerking tussen universiteiten en hogescholen een concrete
invulling kunnen krijgen en echt tastbaar worden voor de mensen. Op gelijkaardige
wijze hebben de onderwijsprogramma’s van de EU lang voor de euro veel
bijgedragen aan het tastbaar maken van Europa. Dat is echter een nevenbedenking.
Om dat wat op gang te helpen, heb ik alvast 25.000 euro gereserveerd voor
de organisatie van een Vlaams-Noord-Franse ontmoetingsdag, die gepland
is voor eind oktober. De visienota stipt verder aan, maar voorlopig ook
zonder daar heel concreet in te zijn, dat er steun van en samenwerking
tussen de associaties zal moeten zijn. Het gaat dan in het bijzonder over
de associaties van Gent en Leuven. Dat is echt wel een kritieke succesfactor
voor dit hele verhaal. Zonder een goede verstandhouding met de Universiteit
Gent acht ik bijvoorbeeld
elke minieme uitbreiding van de onderwijsbevoegdheid van KULAK onmogelijk.
De associaties zullen dus de plannen mee moeten dragen. Mijnheer Sannen,
ik weet niet ik dat ‘associanisme’ moet noemen, maar ze zijn er en ze
zullen dat mee moeten dragen, maar natuurlijk met een open geest. Ik denk
trouwens eveneens dat bij sommige initiatieven ook Oost-Vlaamse instellingen
zullen moeten worden betrokken. De ingenieurs van Brugge zitten net zo
dicht bij die van Gent als bij die van Kortrijk. Hetzelfde geldt voor
sociaal werk, lerarenopleidingen enzovoort. Het blijft ten slotte ook
wel uitkijken hoe de instellingen zullen reageren op de mogelijkheden
die we met het aankomende Hbo-decreet bieden. Ik hoop dat ze die kans
met beide handen grijpen. Daarover blijft de visienota eigenlijk ook nog
vaag, terwijl er in de vragen van de regionale sociaaleconomische overlegcomités
(RESOC’s) ongetwijfeld verschillende mogelijkheden zijn om concrete initiatieven
te ontplooien in het hbo. De activiteiten op die sport van de onderwijsladder
kunnen we immers niet los zien van de ontwikkelingen in het klassieke
hoger onderwijs. Een strategie voor West-Vlaanderen die een hogeronderwijsstrategie
is, moet ook rekening houden met dat nieuwe deel van de onderwijsladder.
Concluderend wil ik zeggen dat ik inderdaad positief sta ten aanzien van
de visienota en dat ik wil meewerken aan de uitvoering ervan, uiteraard
binnen mijn mogelijkheden. Het is nu zaak om de concepten uit de visienota
om te zetten in heel concrete doelstellingen en acties. Om zeker te zijn
dat dit geen plannen voor de lade worden, lijkt het me raadzaam dat alle
betrokken actoren daar nauw bij worden betrokken. De formule van de rondetafels
met de RESOC’s heeft duidelijk gewerkt. Ik denk dus dat die kan worden
gebruikt voor de verdere uitwerking van de visienota. Dat vergt wat georganiseer,
maar het is belangrijk om een stevig draagvlak te creëren en de blik ook
voldoende ruim te houden. Naast vertegenwoordigers van het West-Vlaamse
hoger onderwijs zie ik ter zake zeker ook een rol weggelegd voor de sociaaleconomische
partners, die al werden geraadpleegd bij de voorbereiding van de visienota,
en voor de associaties en de andere onderwijsinstellingen, zoals de West-Vlaamse
centra voor volwassenenonderwijs, de Universiteit Gent en de Oost-Vlaamse
hogescholen. We mogen ook de band met het dossier van de grensoverschrijdende
samenwerking niet uit het oog verliezen. Ik wil ten slotte ook voorstellen
het politieke overleg te verbreden. Ik ben eigenlijk heel blij dat de
gouverneur in groot vertrouwen in zo’n vroeg stadium al contact heeft
gezocht met mezelf en mijn administratie. Dat is niet alles. Ik denk dat
bepaalde initiatieven vroeg of laat op de agenda van deze commissie zullen
moeten komen. Laten we dus het parlement dan ook van meet af aan betrekken
bij het uitwerken van de visienota. Ik denk dat dat helpt om tijdig goede
oplossingen uit te dokteren voor problemen die zich onderweg kunnen voordoen.
Dat is goed voor het politieke draagvlak en voor het uitdragen van het
project naar actoren buiten de hogeronderwijssector en naar de brede samenleving.
We mogen dit immers niet louter beleidsmatig bekijken. We zullen de samenleving
toch een beetje moeten mobiliseren. We moeten dan ook breed gaan in de
ondersteuning. Tegelijkertijd moeten we ervoor zorgen dat inzake het traject
dat moet worden afgelegd in legistiek en regelgevend werk, de nodige eensgezindheid
wordt ontwikkeld.Het is een interessant en stimulerend project. Zoals
altijd ben ik redelijk voorzichtig in mijn reactie omdat het nog verder
moet worden ingevuld. Er zit echter zeker, op zijn zachtst gezegd, muziek
in.
De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.
Mevrouw Sabine Poleyn: Mijnheer de minister, ik dank
u voor uw enthousiasme. U zegt dat u doorgaans voorzichtig bent. Voor
uw normen vind ik u dit keer toch heel enthousiast. Het evenwicht Soete-Breyne
– rationaliseren om te kunnen uitbreiden – is wat iedereen wenst die aan
de nota heeft meegewerkt. Er is een draagvlak voor rationalisatie maar
er is ook marge om nieuwe unieke of interessante opleidingen bij te creëren.
Wat de onderzoeksmiddelen betreft, ben ik wat verrast door uw concreet
voorstel over de PWO-middelen. Dat is heel positief. Ik heb die vraag
ook gesteld aan minister Ceysens. Zij heeft nog iets voorzichtiger gereageerd.
Nochtans zijn liberalen doorgaans iets extraverter. Misschien zit er dus
wel toekomst in het voorstel. Het probleem is vooral dat de financieringskanalen
zo ingewikkeld zijn en dat er aan heel wat voorwaarden voldaan moet worden.
Die voorwaarden hebben soms meer te maken met de aanvragen van de actor
dan met de inhoud van het project. Op zich is het de kwaliteit van het
project dat moet tellen en niet zozeer de aanvrager. Wanneer u dus zegt
dat u meer middelen in de basisfinanciering wilt stoppen, dan is dat heel
positief. Wat uw bedenking over het grensoverschrijdende betreft, wil
mijn fractie benadrukken dat er al heel wat kansen zijn met Eurometropool.
Het gaat iets trager dan verwacht. Frankrijk is dan ook centralistischer
dan België. Toch moet onderwijs de eerste concrete realisatie zijn. Als
ik het goed heb begrepen, zal daar binnenkort wat beweging in komen. Wat
de samenwerking tussen de associaties betreft, ben ik het met u eens.
Ik zou het veeleer hebben over interassociatief werken dan over a-associatief
werken. Ik heb ook begrepen dat de West-Vlaamse instellingen van de associaties
bereid zijn om samen te werken en niet te veel in zuilen te denken. Onze
voorwaarde is dat niet alleen de associaties maar ook de bedrijven daarbij
worden betrokken. Zij moeten de valorisatie immers gebruiken.Wat het hbo
betreft, volg ik u wanneer u zegt dat er heel wat kansen in de ladder
liggen voor het hoger onderwijs. Dat geldt natuurlijk niet alleen voor
het hoger onderwijs. Ook de centra voor volwassenenonderwijs spelen een
belangrijke rol. De idee was toch dat samenwerking tussen al die actoren
gestimuleerd moet worden. Die kaart moeten we trekken. Waar er al samenwerking
is, moet dat nog meer gestimuleerd worden. Mijnheer de minister, ik ben
heel blij met uw positieve reactie. Ik veronderstel dat uw partij dit
mee zal trekken in West-Vlaanderen. Ik ben van plan om daar binnenkort
nog een resolutie over in te dienen.
De voorzitter: De heer De Coene heeft het woord.
De heer Philippe De Coene: Zo voorzichtig de minister
is in zijn antwoord op de vragen, zo voorzichtig wil ik zijn met de beoordeling
van zijn antwoord. Vanuit de West-Vlaamse
rationaliteit wil ik de voeten op de grond houden. We moeten op een verstandige
manier, en liefst provincieoverschrijdend, proberen een goed aanbod te
hebben. We mogen echter ook niet naïef zijn. Op een zeker moment is er
concurrentie. Ik geef hier het voorbeeld van de bachelor sociaal werk.
Dat wordt in Kortrijk in twee instellingen aangeboden. Het is bijzonder
moeilijk om daar een samenwerking te krijgen omdat daar dikwijls ook een
levensbeschouwelijke onderbouwing is. De heer Sannen pleit tegen een wildgroei
in de afstudeerrichtingen. Toch moet men soms initiatieven nemen die door
de minister en door de administratie argwanend worden bekeken. Ik geef
het voorbeeld van het keuzetraject Devine aan de Hogeschool West-Vlaanderen.
Dat is een keuzetraject binnen de bachelor Multimedia en Communicatietechnologie.
Dat bestaat eigenlijk niet, maar is ter plaatse uitgevonden, en met bijzonder
veel succes. Wanneer u zegt dat onder meer Howest erin slaagt studenten
aan te trekken van de andere kant van Vlaanderen, dan heeft dat precies
te maken met dergelijke unieke initiatieven. Het is nu een diploma MCT
terwijl het in de realiteit een compleet nieuwe formule is. Ik wil hier
opmerken dat er zelfs binnen de associatie sprake is van grote concurrentie.
Ik heb zelf gemerkt het voor de Katholieke Hogeschool Brugge-Oostende
(KHBO) en de Katholieke Hogeschool Zuid-West-Vlaanderen (KATHO) is om
de violen gelijk te stemmen. Tot slot wil ik nog iets over mobiliteit
zeggen. Het is een goede ambitie met de trein heen en weer tussen Kortrijk
en Rijsel te willen rijden. Dat is nu trouwens nog veel te duur. We kunnen
echter niet met de trein tussen Veurne en Kortrijk rijden. De reden waarom
beduidend minder studenten uit de Westhoek hoger onderwijs volgen, is
net dat dit gebied te weinig ontsloten is. Die mensen hebben een goede
relatie met Gent. Ze hebben echter nauwelijks een relatie met Brugge en
absoluut geen relatie met Kortrijk. Ik weet dat dit niet de bevoegdheid
van de minister van Onderwijs is. Dit situeert zich op een ander bestuursniveau.
Indien we succes willen boeken, zullen we hier echter iets aan moeten
doen. De studenten uit Veurne raken niet in Rijsel. Ze moeten langs Brussel
naar Rijsel rijden.
Minister Frank Vandenbroucke: Misschien moeten de bevoegdheidsdomeinen
Onderwijs, Werk en Mobiliteit in de volgende Vlaamse Regering worden gecombineerd.
(Opmerkingen en gelach)
Ik wil nog iets over de programmatie van opleidingen
en over afstudeerrichtingen zeggen. Ik reageer zeer voorzichtig. Ik kan
begrijpen dat de heer De Coene voorzichtig is in zijn beoordeling van
mijn voorzichtigheid. Er is een spreekwoord over wie met de hond slaapt.
(Gelach)
Deze situatie biedt ons opportuniteiten. De wildgroei
van afstudeerrichtingen heeft met het rigide kader inzake opleidingen
te maken. Iedereen houdt elkaar op een wat verkrampte manier in bedwang.
Er mag geen expansie van opleidingen komen. De instellingen zoeken allerlei
wegen om dit kader op een innovatieve manier te doorbreken. Daar zijn
goede voorbeelden van te vinden. De door de heer De Coene aangehaalde
ontwikkelingen in de media en op het vlak van informatie- en communicatietechnologie
leiden tot mooie voorbeelden van manieren waarop het keurslijf van de
opleidingenstructuur langs zijwegen wordt doorbroken. Innovatieve en goede
zaken krijgen dan de vorm van nieuwe afstudeerrichtingen. We moeten er
in een regio als West-Vlaanderen en eigenlijk in heel Vlaanderen in slagen
op een wat minder verkrampte manier over dat opleidingenaanbod te spreken.
We moeten in een sfeer van overleg openingen creëren. Dit moet rationeel
en in overleg gebeuren. Hierdoor zullen een aantal sluipwegen om het carcan
te ontwijken, zoals afstudeerrichtingen, zich niet meer zo gemakkelijk
ontwikkelen en zullen we opnieuw een eigenlijk gebruik van opleidingen
en afstudeerrichtingen krijgen. Dit is interessant omdat we in West-Vlaanderen
een wat minder gecrispeerde sfeer dan in de rest van Vlaanderen zouden
kunnen creëren. Er zouden rationaliseringen volgen. Er zou echter ook
samenwerking volgen. De instellingen zouden elkaar openingen voor nieuwe
opleidingen kunnen bieden. De sluipweg van de afstudeerrichtingen, die
misschien wat verwarrend is, zou dan niet langer nodig zijn om tot innovaties
over te gaan. Met betrekking tot de onderwijsladder wil ik eenzelfde algemene
overweging maken. Mevrouw Poleyn heeft dit terecht benadrukt. Gouverneur
Breyne heeft dit voorgesteld. Een aantal volksvertegenwoordigers uit de
regio willen hier eventueel samen aan werken. Ik vind dit positief. Dit
maakt het mogelijk de ontwikkeling van het hoger beroepsonderwijs in een
sfeer van samenwerking en gemeenschappelijke maatschappelijke doelstellingen
te plaatsen. Op die manier zouden we de concurrentie tussen de wereld
van de centra voor volwassenenonderwijs en de wereld van de hogescholen
in goede banen kunnen leiden. Het is een opportuniteit om de neuzen met
betrekking tot het hoger beroepsonderwijs in één richting te krijgen en
om samenwerkingsverbanden tot stand te brengen. Hoewel ik voorzichtig
ben, vind ik dit een interessant uitgangspunt om het verhaal van het West-Vlaams
hoger onderwijs te schrijven. De grenzen zouden dan wel enigszins flou
blijven.
De voorzitter: Het incident is gesloten.
|
2010
Archief 2009
Archief 2008
Archief 2007

Marte Dewitte 8j.
|