Vraag om uitleg van mevrouw Sabine Poleyn tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over de werking van de nieuwe vzw RTC-netwerk. (15-10-09)
De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.
Mevrouw Sabine Poleyn: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, sinds 2000-2001 ontstonden in Vlaanderen enkele regionale technologische centra (RTC’s). Zij hadden als doel om samenwerking tussen bedrijven en scholen te stimuleren met het oog op het geza- menlijk gebruik van hoogtechnologische infrastructuur, ontwikkelen van leermiddelen en de scholing van leerlingen, studenten en werknemers op het vlak van nieuwe technologieën. Sinds het RTC-decreet van 2007 werden enkele doelstellingen toegevoegd, met name het stimuleren van werkplekleren voor leerlingen en het ontwikkelen van een platform waar scholen en bedrijven kennis en ervaring kunnen uitwisselen.
RTC’s vervullen een belangrijke rol in het samenbrengen van scholen en bedrijfsleven door- dat ze regionaal/provinciaal ingebed zijn en zo makkelijk direct contact kunnen leggen tussen scholen en bedrijven. Ze kunnen ook telkens inspelen op de specifieke noden en opportuni- teiten. In de beleidsbrief 2007-2008 sprak toenmalig minister Vandenbroucke voor het eerst van een overkoepelende structuur op Vlaams niveau, een ‘RTC Vlaanderen’. Dit leek een vreemde stap, juist vanwege het gedecentraliseerde concept van de RTC’s. In zijn beleidsbrief bena- drukte hij dat RTC-Vlaanderen: “... de lokale dynamiek niet mag afremmen. Het zal worden beperkt tot het uitvoeren van functies die een meerwaarde hebben voor de lokale vzw’s, zoals
ondersteunen, bekendmaken en verspreiden van resultaten en/of eindproducten van acties in het werkveld.”
Intussen werd in maart van dit jaar een overkoepelende vzw opgericht onder de naam RTC- netwerk. In tegenstelling tot de faciliterende minimale bovenbouw die oorspronkelijk bedoeld werd, lijkt dit een zwaardere structuur te zijn die de lokale dynamiek kan verstoren. Immers, als ik het goed lees, is de opdracht ruimer dan enkel de lokale RTC’s te ondersteunen en ver- sterken. De doelgroep wordt verruimd. Het kent een hele werking met werkgroepen en actie- plannen die de lokale RTC’s samen moeten uitwerken.
Mijnheer de minister, wees gerust, alle initiatieven die de brug vormen tussen onderwijs en bedrijfsleven zijn lovenswaardig. De opportuniteitsvraag die ik echter wil stellen is of deze structuur, namelijk een koepel van de provinciale RTC’s, de ideale weg is om deze Vlaamse opdrachten te realiseren. Een aantal van deze opdrachten werden vroeger door de Dienst In- formatie, Vorming en Afstemming (diva) uitgevoerd, die zelf intussen hervormd werd tot RTC-netwerk vzw. Mijn vrees is dat de lokale dynamiek hierdoor gefnuikt wordt en provin- ciale initiatieven in het gedrang komen. Bijkomend lijkt een uitbreiding in opdrachten en doelgroepen de oorspronkelijke doelstelling van het aantrekkelijker maken van technisch en beroepsonderwijs in het gedrang te brengen.
Wat was de motivatie om diva om te vormen tot een RTC-netwerk vzw? Waarom werd niet gekozen voor een minimale ondersteuning en versterking van de provinciale RTC’s vanuit de Vlaamse administratie? Beaamt u dat de RTC’s in hoofdzaak op provinciaal vlak hun eigen autonome werking moe- ten kunnen uitbouwen, omdat ze daar het dichtst staan bij de scholen en de bedrijven? Erkent u de vrees dat een sterk uitgebouwde bovenstructuur deze lokale dynamiek kan verlammen? Hoe zult u vermijden dat dit gebeurt?
Op welke manier wordt het RTC-netwerk door u aangestuurd? Wat zijn de links tussen u en de vzw? Wat zijn de budgetten?
Kunt u garanderen dat de oorspronkelijke doelstelling van de promotie van technisch en be- roepsonderwijs, en ook nijverheidstechnisch en beroepsonderwijs, centraal blijft staan, on- danks de uitbreiding naar andere opdrachten en doelgroepen?
Welke initiatieven plant u om de brug tussen onderwijs en bedrijfsleven te verbeteren? Dat zal wellicht in uw beleidsnota staan.
De voorzitter: Mevrouw De Knop heeft het woord
Mevrouw Irina De Knop: De materie die mevrouw Poleyn aankaart, laat mij niet onberoerd. De aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt blijft al vele jaren een knelpunt. Er is blijkbaar een probleem van responsabilisering van de verschillende sectoren naar het onder- wijs. Mijnheer de minister, hoe gaat u die verschillende rollen invullen? Er zijn ook de sec- torfondsen die mijns inziens een belangrijke rol te vervullen hebben in het doen aansluiten van het onderwijs op de arbeidsmarkt, of om te zoeken naar synergieën. De RTC’s hebben gelijksoortige taken. Nu komt er nog een overkoepelende structuur bij. Ik vrees enigszins dat het niet langer duidelijk zal zijn wie waarvoor verantwoordelijk is. Ik zou de minister dan ook willen vragen of hij daadwerkelijk in die overkoepelende structuur gelooft.
De voorzitter: Mevrouw Vanderpoorten heeft het woord.
Mevrouw Marleen Vanderpoorten: Mijnheer de voorzitter, ik ben even naar de websites van de verschillende RTC’s gaan kijken. Wie naar de website van een RTC gaat, komt nog steeds haast automatisch bij de provinciale RTC’s terecht. De daar verwoorde doelstelligen, beginnende bij de ondersteuning van het tso en het bso, zijn ten aanzien van de vroegere doelstellingen nog niet veel veranderd. Dit sluit aan bij de reden waarom ze zijn opgericht. Ik weet natuurlijk niet wat momenteel uit de praktijk blijkt.
Ik weet eigenlijk niet waar de ongerustheid van mevrouw Poleyn precies vandaan komt. Er moet natuurlijk ergens een reden zijn. Ik ben dan ook zeer benieuwd naar het antwoord van de minister.
De voorzitter: Minister Smet heeft het woord.
Minister Pascal Smet: Mijnheer de voorzitter, de vzw diva is oorspronkelijk opgericht als een afstemmingsorgaan tussen de verschillende spelers in het opleidingsveld. Deze vzw is voornamelijk op volwassenen gericht. Tezelfdertijd is, ook bij de provinciale RTC’s, de nood opgemerkt om in bepaalde gevallen provinciegrensoverschrijdende projecten te kunnen op- zetten.
Hierbij moet worden opgemerkt dat binnen de werking van de RTC’s en van de vzw diva ongeveer dezelfde partners, met name de onderwijsverstrekkers, de VDAB en Syntra, actief waren. Het leek dan ook logischer reeds bestaande organen in Vlaanderen, in dit geval de vzw diva, in te schakelen en te heroriënteren dan een nieuwe juridische structuur uit te bou- wen.
In theorie zou ondersteuning door de Vlaamse administratie mogelijk zijn geweest. Dit is om twee belangrijke redenen echter minder wenselijk.
Een aparte beheersstructuur, waarin de RTC’s zelf vertegenwoordigd zijn en momenteel zelfs het voorzitterschap opnemen, garandeert een groter draagvlak voor de projecten van deze organisatie. De RTC’s beslissen immers zelf welke ondersteuning het centrale niveau het lokale niveau zal bieden. Aangezien dit vanuit de provinciale RTC’s vertrekt, hebben zij eigenlijk zelf in handen wat in heel Vlaanderen kan worden ondersteund. Een ondersteuning door de Vlaamse overheid zou de indruk van een top-downbenadering wekken.
Indien eenzelfde administratie voor de uitwerking van de subsidiëring, de levering van onder- steuning en de controle op de werking zou instaan, zou dit een belangrijke rolambiguïteit inhouden.
Om deze twee redenen hebben we ervoor gekozen de ondersteuning van de RTC’s door mid- del van een aparte juridische structuur vorm te geven. De RTC’s moeten, zoals hun naam al aangeeft, regionaal kunnen werken. In het verleden heeft het subsidiariteitsbeginsel hierbij steeds een rol gespeeld. We doen op lokaal niveau wat we op lokaal niveau kunnen doen. Ook in de toekomst moet dit het uitgangspunt blijven. Ik ben het dan ook eens met de stelling dat de RTC’s op provinciaal vlak een eigen, autonome werking moeten kunnen uitbouwen. Het blijft aanbevelenswaardig voor de RTC’s om, daar waar mogelijk, onderling tot afstem- ming te komen. Ik ben het niet eens met de stelling dat een sterk uitgebouwde bovenstructuur de lokale dynamiek noodzakelijkerwijze verlamt.
RTC-netwerk mag geenszins als een sturingsmechanisme worden beschouwd. Het is veeleer een breed RTC voor heel Vlaanderen. Het staat naast de provinciale RTC’s en werkt, in sa- menspraak met de provinciale RTC’s, de ondersteuning uit. Een sturend RTC-netwerk zou de lokale dynamiek kunnen bedreigen. Om te verhinderen dat dit beeld zou ontstaan, is in de bestuursorganen van het RTC-netwerk in een belangrijke vertegenwoordiging vanuit de pro- vinciale RTC’s voorzien.
De RTC’s leveren de meerderheid van de stemmen binnen de raad van bestuur van het RTC-netwerk. Bovendien leveren de RTC’s momenteel ook de voorzitter van RTC-netwerk. Gezien de bijzonder nauwe band tussen het bestuur van RTC-netwerk en de provinciale RTC’s is het haast onmogelijk dat RTC-netwerk een koers zou varen die tegen de belangen van de provinciale RTC’s ingaat.
De vorige Vlaamse Regering heeft besloten met de vzw RTC-netwerk een beheersovereen- komst te sluiten. Hierdoor wordt de wijze van aansturing op de aansturing van de provinciale RTC’s afgestemd. Deze overeenkomst is ondertussen afgesloten en loopt voor een periode van twee jaar. Ze loopt dus niet voor een periode van drie jaar, zoals voor de provinciale RTC’s het geval is. De reden hiervoor is vrij eenvoudig. Op deze manier valt de start van de volgende reeks beheersovereenkomsten met RTC-netwerk en met de provinciale RTC’s samen.
In uitvoering van de beheersovereenkomst, moet het RTC-netwerk, net als de provinciale RTC’s, jaarlijks een jaaractieplan opstellen. Dit plan wordt door het managementcomité On- derwijs en Vorming beoordeeld. Hierdoor krijgt de Vlaamse overheid zicht op de plannen van het RTC-netwerk.
Uit de decretale doelstellingen blijkt dat studiekeuzebegeleiding en -beïnvloeding geen kern- taak van de RTC’s is. Hun opdracht situeert zich veeleer bij de ontsluiting van technologische infrastructuur voor scholen, bij het zoeken naar een afstemming voor leerlingen en leraren op het vlak van werkplekleren, bij de technische nascholing van leraren en bij het vervullen van een platformfunctie voor scholen en bedrijven. De door RTC-netwerk geboden ondersteuning moet zich dan ook in eerste instantie op dit vlak bevinden. Dit blijkt duidelijk uit de in de beheersovereenkomst opgenomen opdrachtbepaling.
Daarnaast kan RTC-netwerk acties op strategisch en operationeel niveau uitvoeren. Hierbij kunnen centrale en lokale actoren op het snijvlak tussen onderwijs en arbeidsmarkt gezamen- lijk optreden. Het opzetten van promotionele acties ter bevordering van technische opleidin- gen zou hiertoe kunnen behoren.
De uitbreiding van de doelgroep van de provinciale RTC’s naar de zachte opleidingen in het secundair onderwijs en naar het geheel van het volwassenenonderwijs is zeker niet nieuw. Sinds 2008 is deze bepaling in de beheersovereenkomst opgenomen. Tot op heden aanvaar- den we dat deze verplichting op een geleidelijke manier verloopt.
Zoals al terecht is opgemerkt, zal het eerste debat over de initiatieven die we in verband met de brug tussen het onderwijs en het bedrijfsleven zullen nemen in het kader van mijn beleids- nota worden gevoerd.
De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.
Mevrouw Sabine Poleyn: Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik ben een groot voor- stander van het concept van de RTC’s. Het is, zeker in het licht van onze rol als Vlaams Par- lement, een goede zaak te waken over de evoluties van bovenstructuren. Indien een bovenstructuur wordt opgebouwd, moeten we in de gaten houden hoe die structuur evolueert. Die structuur zou immers een eigen leven kunnen leiden en een eigen werking kunnen uit- bouwen. Op zich is dit normaal. De betrokkenen willen hun werk goed doen. Hierbij worden de oorspronkelijke doelstellingen echter soms wel eens vergeten. Ik wil hier dan ook een duidelijk signaal geven. We moeten steeds in de gaten houden wat de oorspronkelijke doel- stellingen waren.
Ik ben niet tegen een uitbreiding naar, bijvoorbeeld, de zachtere technische sectoren. We moeten echter steeds het evenwicht bewaren. De nijverheidstechnische sectoren hebben altijd wat meer problemen. Dat geldt zeker op het financiële vlak. Dat was destijds, toen mevrouw Vanderpoorten nog minister was, in elk geval de oorspronkelijke bedoeling.
Het is er me enkel om te doen hier een duidelijk signaal te geven. We moeten erover waken dat het een ondersteunende structuur blijft. Dit mag geen eigen leven leiden. Er mogen even- min financiële gevolgen voor de provinciale RTC’s zijn. Indien ongelooflijk veel middelen zouden worden aangewend om de structuur draaiende te houden, zouden veel minder midde- len op het eigenlijke werkveld terechtkomen.
De voorzitter: Het incident is gesloten.
|