Vraag om uitleg van mevrouw Sabine Poleyn tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over de impact van niet- onderwijsgebonden regelgeving
De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.
Mevrouw Sabine Poleyn: Voorzitter, minister, beste collega’s, mijn vraag ligt in dezelfde lijn als een aantal vragen die in deze commissie nu en dan aan bod komen maar is wat algemener. Hij gaat over de impact van niet-onderwijsgebonden regelgeving op het onderwijs.
Naast de onderwijsgebonden werkingskosten dragen scholen nog tal van andere verplichtingen die niet rechtstreeks met het onderwijs en het onderwijsbeleid te maken hebben. Ik heb een lijst gemaakt van wat er allemaal bestaat aan verplichtingen. Ik kwam tot
54 regels, gaande van de nieuwe vzw-wetgeving met betrekking tot de boekhouding tot de Europese normen voor veiligheid en hygiëne, de normen voor voedselveiligheid die worden gecontroleerd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen
(FAVV), verplichte aansluitingen bij allerlei diensten, preventieadviseurs, het verplicht bodemattest bij herstructurering als de eigenaar verandert, alle wetgeving in verband met grafische kopieën en muziekpartituren, de verplichte aangifte van camerabewaking enzovoort. Minister, ik stel vast dat de impact van deze niet-onderwijsgebonden nieuwe verplichtingen op de organisatie en zeker ook op de werkingsmiddelen nooit vooraf wordt ingeschat bij de totstandkoming ervan. Ik hoor in het veld dat deze impact steeds groter wordt. Het wordt steeds moeilijker om aan alles op een voldoende manier te beantwoorden en om dat ook nog betaalbaar te houden. Ik heb dit al even kort aangehaald bij de bespreking van de beleidsnota Onderwijs. Ik stelde toen voor om voor wat betreft de Vlaamse regelgeving op een eenvoudige manier een soort van impactanalyse voor nieuwe regels op scholen in te voeren. Ik wil daar niet per se een nieuwe structuur zoals een aparte reguleringsimpactanalyse (RIA), maar wel een reflectie op de administratie of het kabinet Onderwijs om bij nieuwe regelgeving die vanuit andere beleidsdomeinen komt, goed in het achterhoofd te houden of ze een impact heeft op scholen en zo ja, of we, vooraleer de regelgeving definitief is, kunnen onderhandelen of onderzoeken samen met die netten of die sector of het effectief nodig is dat ook scholen voor 100 percent aan alle punten en komma’s van die regelgeving voldoen. Of moet daarvoor in uitzonderingen worden voorzien? Dat zou preventief een aantal zaken kunnen vergemakkelijken.
Minister, erkent u het probleem van de groeiende niet-onderwijsgebonden regelgeving met een grote, vaak financiële impact op de organisatie en de werkingsmiddelen van scholen? Krijgt u ook die signalen? Beschikt u over een studie die de regelgeving inventariseert en aangeeft hoe zwaar die impact is? Zo niet, bent u van plan om een dergelijke studie te maken of om uw administratie een dergelijke inventarisatie te laten opstellen? Hebt u contact gehad met de betreffende ministers op federaal niveau, zoals u bij de bespreking van de beleidsnota in uw repliek aankondigde? U verwees toen naar het Overlegcomité dat toen gepland was. Hebt u dat daar op de agenda kunnen plaatsen? Wat was het resultaat van het gesprek? Wat vindt u van mijn voorstel om binnen de Vlaamse Regering, wanneer het gaat om Vlaamse nieuwe regels, te onderzoeken of er een vorm van impactanalyse voor nieuwe regelgeving mogelijk is? Op welke manier zou u dat dan doen: al dan niet formeel via een RIA, of informeel via een reflectie op de administratie?
De voorzitter: De heer De Meyer heeft het woord.
De heer Jos De Meyer: Deze vraag is heel terecht. Wij worden inderdaad in onze scholen geconfronteerd met bijzonder veel niet-onderwijsgebonden wetgeving, die repercussies heeft voor het personeel en de middelen. Ik herinner u, minister, en mijn collega’s ook aan mijn vraag van vorige week in verband met de veiligheidscoördinaten. Ook de vraag van daarnet over brandveiligheid houdt daar onrechtstreeks verband mee. De hele problematiek van welzijn, veiligheid, gezondheid en voeding op school vergt heel wat extra aandacht. Daarvoor beschikt men niet altijd over de nodige mensen en middelen.
Voorzitter, minister, ik ben er mij anderzijds wel van bewust dat we vandaag niet de extra middelen hebben voor extra vragen. In het kader van de besprekingen van de komende cao is het zeker en vast nuttig om dit al stapsgewijs op te volgen. Ik heb begrepen dat de vakbonden en de koepels vragende partij zijn om deze problematiek te onderzoeken.
De voorzitter: Mevrouw Michiels heeft het woord.
Mevrouw An Michiels: Voorzitter, minister, ook ik vind de vragen van mevrouw Poleyn zeer terecht. We hebben het hier al meerdere keren gehad over de planlast waarover scholen en leerkrachten steeds meer klagen. U stelt dan steevast, zoals uw voorganger de heer Vandenbroucke, dat het niet zozeer de planlast is die opgelegd wordt door de vragen vanuit de overheid maar dat het elders zit. Ik denk dat we hier al een deel van die planlast hebben.
De voorzitter: Waar zit die dan?
Mevrouw An Michiels: Het zouden de koepels zijn die extra vragen stellen. U legt dit niet op maar het komt er wel allemaal bij. En de scholen moeten dat allemaal mee in orde krijgen. Dat zorgt eveneens voor extra planlast. Wanneer daar dan weinig of niets tegenover staat, dan kan ik me inbeelden dat scholen stilaan verzuipen in al die extra’s en niet meer toekomen aan wat ze echt moeten doen, namelijk optimale omstandigheden creëren om les te kunnen geven. Ik sluit me dan ook aan bij de zeer terechte vragen van mevrouw Poleyn.
De voorzitter: Mevrouw De Knop heeft het woord.
Mevrouw Irina de Knop: Ik kan niet veel nieuws meer toevoegen. Mevrouw Michiels heeft de aanvullingen gedaan die ik ook zelf wilde doen.
Dit is een heel terechte vraag. Het laatste voorstel van mevrouw Poleyn, namelijk om een soort van impactanalyse te doen, lijkt me interessant. We willen de scholen zeker niet belasten met nog meer taken. Het zou dan ook een goede oefening zijn om na te gaan wat er zoal wordt gevraagd van de scholen. Scholen en directies moeten ongeveer supermensen zijn om dit allemaal in goede banen te leiden. Het is uiteraard cruciaal dat zij zich kunnen concentreren op hun kerntaken.
Naast die analyse kan misschien ook worden nagegaan hoe de overheid kan faciliteren, zodat veiligheid en hygiëne, voedselveiligheid en dergelijke meer worden getoetst zonder dat zij een bijkomende werklast betekenen voor de directie zelf. Er zijn misschoen andere organisaties of instellingen die de scholen daarin kunnen bijstaan en in wier takenpakket die kan worden opgenomen. Dat is een oefening die vanuit het departement kan worden gestuurd. De voorzitter: Mevrouw Celis heeft het woord.
Mevrouw Vera Celis: Ik heb een bijkomende vraag. In de veronderstelling dat er een aantal zaken bijkomen, wordt dit dan toegevoegd als controle-element bij de doorlichting van een school? Wanneer de inspectie naar de school komt, wordt die daar dan ook weer op gecontroleerd en afgerekend?
De heer Boudewijn Bouckaert: Er is partijoverschrijdend een resolutie over die planlast goedgekeurd naar aanleiding van een interpellatie van de heer De Meyer, een aantal weken geleden. In de pers werd gemeld dat heel wat schooldirecteurs vroegtijdig afhaken. Misschien is een van de oorzaken daarvan de administratieve overlast die het eigenlijke directiewerk onmogelijk maakt.
In de Vlaamse administratie, Algemeen Bestuur, is er de dienst Wetsmatiging. Kan die dienst niet worden ingeschakeld om de planlast van directies te verminderen en de regelstroom die uit verschillende bronnen op de scholen afkomt, beter te coördineren zodat dat werk voor de directies wordt geminimaliseerd?
De voorzitter: Minister Smet heeft het woord.
Minister Pascal Smet: Uiteraard ken ik het probleem. Ik heb het ook erkend tijdens de bespreking van de beleidsnota.
Voor scholen zijn er inderdaad heel wat verplichtingen die afkomstig zijn van niet- onderwijsregelgeving. Dat kan Vlaams of federaal zijn. Ik denk dan aan de milieuvergunningen, het Afvalstoffendecreet, de bodemsanering en de energiezorg. Voor de veiligheid zijn er de federale bepalingen inzake keuring en onderhoud van apparatuur. Er zijn ook verplichtingen inzake voedselveiligheid. De wet op het welzijn op het werk houdt een reeks opdrachten in bij de gezondheidspreventie en de concrete werking van de werkvloer. Er is ook regelgeving inzake gewenst gedrag onder het personeel. Er zijn de boekhoudkundige verplichtingen, eigen aan vzw’s. Er zijn de auteurs- en productierechten, en er is de personeelsregelgeving wanneer schoolbesturen op eigen middelen personeel aanwerven. Er is dus heel wat wetgeving die niet direct met onderwijs te maken heeft.
Ik wil er wel op wijzen dat een aantal verplichtingen inherent zijn aan iedere organisatie in Vlaanderen of in België, of het dan gaat over een publieke instantie of over een privébedrijf. Ik denk dan aan de dubbele boekhouding voor vzw-wetgeving. Die geldt voor iedereen. Ook wat de toepassing van de milieuvergunningswetgeving betreft, mag er geen probleem zijn. Het grote probleem is dat er soms regelgeving wordt uitgevaardigd die niet altijd rekening houdt met de specificiteit van scholen. Ik geef dan het voorbeeld van de voedselveiligheid waar zeer strikte normen nodig zijn. Anderzijds gaat het niet over de voedselbereiding voor heel België. Zeker voor wat de federale wetgeving betreft, kan de vraag worden gesteld of er wel voldoende rekening wordt gehouden met de specificiteit van scholen. Dat is een extra dimensie die ik nog niet heb gehoord maar die wel heel belangrijk is.Op dit moment concentreert de administratie zich vooral op het direct informeren van de betrokken diensten van scholen zodra er sprake is van nieuwe verplichtingen die van toepassing kunnen zijn op scholen. Ik denk dan aan de auteursrechten en de welzijnswetgeving. Er zijn diverse informatiesessies georganiseerd met het federaal voedselagentschap. Samen met het Departement Leefmilieu is een brochure Vlarempel verspreid in alle scholen. Vanuit mijn onderwijsadministratie wordt het accent gelegd op communicatie over de niet- onderwijsgebonden regelgeving. Dat is ook al een grote stap voorwaarts.
Op dit moment hebben we nog geen uitgewerkte studie die de betreffende regelgeving oplijst. Het is wel de bedoeling om die te maken. Er zijn nog andere zaken die de administratie moet doen. Er zijn nog maar 3 maanden verstreken sinds we die besproken hebben. De administratie moet die opnemen in haar planning. Er staan heel wat zaken op stapel.We hebben nog geen contact gehad met het federale niveau. We hadden even gedacht om dat op te nemen in het samenwerkingsfederalisme van premier Leterme. We hebben ons echter voorgenomen om ons te concentreren op het verlagen van de btw op schoolgebouwen van 21 naar 6 percent. Mevrouw De Knop, tot mijn grote ontzetting heb ik moeten lezen dat de heer Vanhengel vindt dat dit pleidooi “getreiter van Vlaanderen” is. Gelukkig heeft de Brusselse regering gevraagd om de btw op schoolgebouwen te verlagen, want zou betekenen dat we direct 15 percent meer middelen in handen hebben. Ik reken dus op u dat we daarin slagen. Uw suggestie om een impactanalyse te maken, zal ik meenemen. U weet dat de Vlaamse Regering de regelgevingstoets en de regelgevingsimpactanalyse evalueert. Er worden veel toetsen gevraagd: de kindtoets, de jeugdtoets, de Brusseltoets… Nog even en we zijn meer met toetsen dan met wetgeving bezig. Maar ik wil uw suggestie om na te gaan wat de impact op de scholen is, meenemen. Het is een goede suggestie. We moeten dat met minister Bourgeois bekijken, want hij is de coördinator als de toetsregelgeving moet worden aangepast.
De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.
Mevrouw Sabine Poleyn: Ik dank u voor het eerste en het laatste deel van uw antwoord. Het is zo dat extra regelgeving zich uitstrekt over zaken die niet echt met het onderwerp te maken hebben. Dat is het probleem van onze overgereguleerde samenleving. Het lijkt me terecht om zeker voor het onderwijs aandacht voor het probleem te vragen. Onderwijs dient een nobel algemeen belang, en is fundamenteel voor de toekomst van onze samenleving. Mensen in het onderwijs moeten bezig zijn met lesgeven, en zo weinig mogelijk energie in andere zaken steken.
De RIA is een instrument dat het parlement heeft gecreëerd. Ik ben blij dat het wordt geëvalueerd, en dat de Vlaamse Regering suggesties zal formuleren. Ik moet evenwel tegenspreken dat het erg ingewikkeld is. Ik meen te weten dat ook het Jongeren- en kindeffectenrapport (JOKER) daar inzit. Het zou toch mogelijk moeten zijn om dat via één instrument op een transparante, eenvoudige manier te doen.
Naast die formele RIA’s zou u op het kabinet of via de administratie een bepaalde reflex kunnen ontwikkelen.
Minister Pascal Smet: Ik sprak ook van een reflex.
Mevrouw Sabine Poleyn: Ik bedoel het structureler. Neem de duurzame ontwikkeling: er zijn in dat verband in elk beleidsdomein contactpersonen die men gemakkelijk via e-mail kan bereiken en informeren. Zo weet men wat men in andere beleidsdomeinen aan het doen is en welke regelgeving men voorbereidt. Dat is een
Twee: ik pleit er niet voor om alle extra regelgeving die van andere beleidsdomeinen komt, niet op scholen toe te passen. Het is evident dat men in een school opleidingen krijgt die op de werkelijkheid zijn gebaseerd en dat men dus met een machine leert werken volgens de voorschriften die in dat verband in bedrijven gelden.U hebt terecht gezegd dat het hier over iets anders gaat; over de specificiteit van de scholen. Sommige regels zijn overbodig en zijn niet afgestemd op de specificiteit van de scholen. De praktijk leert bovendien dat dit ook geldt voor knelpuntopleidingen. Ik heb een voorbeeld dat niet uit het leerplichtonderwijs komt, maar van de mensen van SYNTRA, die wegens de extra regelgeving en de zware controles zeggen dat extra investeringen zo groot zijn dat ze beslissen om af te bouwen. Dat is spijtig, zeker als het gaat over knelpuntopleidingen. Ik kan u daarover meer informatie bezorgen.
Ik pleit ervoor om met het federale niveau te blijven overleggen, want daar worden veel zaken beslist. Het nadeel is dat het federale niveau weinig concrete onderwijsbevoegdheden heeft, en dus niet goed aanvoelt wat de impact van bepaalde regels zijn. Ik spoor u daarom aan om niet te wachten op een groot overleg met alle regeringen, maar al bilaterale contacten te leggen en de 6 percent hier en daar ook ter sprake te brengen, want daar moeten we blijven voor pleiten.
De heer Boudewijn Bouckaert: De RIA is geen formele oefening. De analyse is bedoeld om de voorgestelde regelgeving te screenen en een kosten-batenanalyse maken. Soms moet men dan besluiten dat een voorstel niet opportuun is. Ik merk wel dat de RIA’s soms op rituele oefeningen uitdraaien. Soms worden er RIA’s gemaakt over regelgeving waarover eigenlijk beter geen RIA’s worden gemaakt. Ik geef als voorbeeld het decreet over de eindtermen en de ontwikkelingsdoelen voor anderstaligen in het onderwijs. Daarvoor is een RIA gemaakt, maar dat hoefde echt niet, en de desbetreffende RIA herhaalde eigenlijk gewoon een beetje wat er in de motivering staat.
RIA’s zouden daarentegen veel grondiger moeten gebeuren voor alle regels die een impact hebben op de administratieve last van de scholen. Ik heb met de parlementsvoorzitter afgesproken om in het kader van het interinstitutioneel akkoord tussen parlement en regering de RIA’s eens te bekijken en om af en toe een RIA te laten evalueren: doet een administratie haar werk via het Interuniversitair Centrum voor Wetgeving (ICW) van mevrouw Populier in Antwerpen? De administratieve last moet onder controle blijven.
De voorzitter: Ik stel voor dat we inzake dit debat een pauze inlassen, in afwachting van de resultaten die we toch binnen enkele maanden van de minister mogen verwachten. Uit alle hoeken vernemen we dat dit voor de scholen een prangend probleem is.
Het incident is gesloten. |