sabine
sabinevlaams parlementbuitenlandjeugdoverigeonderwijswest-vlaanderenfotoboekcontact

Vraag om uitleg van Vlaams volksvertegenwoordiger Sabine Poleyn aan de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over de evaluatie en bijsturing van het participatiedecreet. (23-02-10)

De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.

Mevrouw  Sabine  Poleyn:  De  voorbije  legislatuur  is  er  in  deze  commissie  regelmatig gediscussieerd  over  het  decreet  van  2  april  2004  betreffende  participatie  op  school.  De ambitie van het decreet was om via formele participatie de bakens uit te zetten om in het basis- en secundair onderwijs de betrokkenheid van directies, personeelsleden, leerlingen en ouders  bij  het  schoolbeleid  te  vergroten.  Het  decreet  bood  ook  een  basis  om   een expertisecentrum ter ondersteuning van participatie op te richten. Voor zover ik weet, bestaat dit niet of niet meer.De Universiteit Antwerpen heeft in opdracht van de Vlaamse minister van Onderwijs en in het  regeerakkoord  van  de  vorige  Vlaamse  Regering  een  bevraging  doorgevoerd  bij  een representatieve  steekproef  van  basis-  en  secundaire  scholen.  Hierin  werd  bij  directies, leerkrachten, ouders en leerlingen in het secundair onderwijs gepeild naar hun ervaringen met participatie. De resultaten van dit onderzoek zijn blijkbaar wel bekend bij de administratie, maar niet publiek bekendgemaakt. Ook het Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs
(VSKO) en  de Vlaamse  Vereniging van Studenten (VVS) deden een bevraging bij hun achterban en formuleerden beleidsaanbevelingen.In het onderzoek van de Antwerpse universiteit werd gewerkt met een participatiebarometer. Hiermee  werd  gevraagd  hoe  het  participatieklimaat  wordt  ervaren  en  hoe  het  evolueert doorheen de tijd. Ik vind dit een heel interessante meting, maar het gebruik van deze techniek leidt misschien wel de aandacht af van de mankementen die in de regelgeving zelf zitten en zal wellicht geen ideale evaluatie vormen. Ik denk onder meer aan de nogal formalistische bepalingen en procedures die maken dat scholen niet zelf op maat van hun organisatie een goed werkend participatieorgaan kunnen uitbouwen.De vorige  minister van Onderwijs Vandenbroucke beloofde het Participatiedecreet bij te sturen op basis van de evaluatie en de bijhorende beleidsaanbevelingen. In de beleidsnota hebben we niets teruggevonden in de regelgevingskalender achteraan. Tijdens de bespreking van de beleidsnota is er wel gevraagd naar de evaluatie van het Participatiedecreet. Minister, u hebt aangekondigd dat  die er nu ongeveer  zou zijn. Ik verwacht dan ook  een positief antwoord.Wat zijn de resultaten van het onderzoek van de Universiteit Antwerpen? Is de methode die werd  gebruikt  voldoende  om  dat  decreet   te   evalueren?  Welke  aanpassingen  uit  de beleidsaanbevelingen neemt u in aanmerking? Zijn er aanbevelingen waar u zeker wel of niet zult op ingaan?

Minister  Pascal  Smet:   In  de  beleidsperiode  1999-2004   besliste  men  om   voor   het leerplichtonderwijs het lokale participatieproces te ondersteunen via het decreet van 2 april
2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad. In het regeerakkoord van de vorige legislatuur werd het engagement genomen dit decreet te evalueren. De onderliggende vraag bij de intentie om de participatie te meten, was te weten te komen of we evolueren naar een hogere schoolbetrokkenheid en schooltevredenheid van de diverse actoren. Daarom besteedde de overheid een onderzoek uit om dit te bevragen in een representatief aantal basis- en secundaire scholen. Er werd geopteerd voor een onderzoeksdesign waarbij met gevalideerde vragenlijsten aan de verschillende actoren werd gevraagd hoe zij participatie ervaren en welke veranderingen daarin optraden sinds de  vorige bevraging in  2005. Op deze manier hebben  we informatie over  wie  participeert  of  de  participatiegroepen  zoals  ouders,  leerkrachten,  leerlingen  en directies, waarover of de participatiedomeinen, in welke mate of de participatiegraad en hoe of de participatiekanalen, zowel de formele decretale als alle mogelijke informele wegen. Er is  gepeild  naar  de   motivatie,  tevredenheid,  actuele  graad  van  inspraak  over  diverse onderwerpen. Er werd nagegaan in welke  mate persoons- en schoolkenmerken daarop een invloed uitoefenen.

Vandaag heb ik het rapport vrijgegeven. De onderzoekers mogen het publiceren. Het zal de volgende dagen beschikbaar worden gesteld op de website van het ministerie. De conclusies en aanbevelingen zullen aan deze commissie worden bezorgd. In het algemeen zijn de vastgestelde evoluties tussen de nulmeting en de huidige meting soms positief, soms negatief, soms  status-quo. Er zijn geen spectaculaire verschillen. Er kan dus niet eenduidig of ongenuanceerd gesteld worden dat het participatiegebeuren hetzij erop achteruitgaat hetzij positief evolueert.Naast het onderzoek dat in opdracht van de overheid werd uitgevoerd, vonden er ook nog drie bevragingen  van  het  participatiegebeuren  in  het  leerplichtonderwijs  plaats  door  andere actoren in het onderwijs: een thematische doorlichting door de inspectie, een bevraging van katholieke scholen door het Vlaams Verbond van Katholiek Onderwijs en een bevraging van scholieren door de Vlaamse Scholierenkoepel. De inspectie stelt vast dat in grote lijnen het decreet wordt nageleefd en noteert dat er op het veld zowel pro’s als contra’s tegenover de decretale  regeling  worden  geformuleerd.  Verder  benadrukt  de  inspectie  de  beperkte participatie van zwakkere groepen aan formele participatie.In de conclusies bij de bevraging vanuit het katholiek onderwijs beklemtoont men de grote weerstand tegenover het formaliseren  van participatie op schoolniveau via een decreet en focust men op de grote werklast die dit met zich meebrengt. De aanbevelingen hebben vooral betrekking op het terugschroeven van de decretale regeling. De aanbevelingen vanuit de scholierenkoepel   gaan   in   de   richting   van   meer   decretale   verankering   van    de leerlingenparticipatie en  meer ondersteuning  en  vorming van leerlingen om volwaardig te kunnen participeren. Ook deze bevragingen zullen aan deze commissie worden bezorgd.

Ik meen dat al die bevragingen en onderzoeken voldoende informatie bieden om een aantal voorstellen voor bijsturing van het decreet betreffende participatie op school te formuleren. Deze voorstellen tot bijsturing zullen zeker aangevuld kunnen worden vanuit het Vlor-advies. De  Vlor  bereidt  op  eigen  initiatief  een  advies  voor  betreffende  de  evaluatie  van  het participatiegebeuren in het basis- en secundair onderwijs dat in de loop van 2010 zal worden uitgebracht.

Voorstellen  voor   bijsturing  kunnen   via  de   weg  van  een  genummerd  decreet  in  het
Participatiedecreet worden aangebracht.

De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.

Mevrouw Sabine Poleyn: Minister, ik dank u voor uw toelichting. Ik hoop dat we het rapport zo snel mogelijk kunnen inkijken.

Minister  Pascal  Smet:   De  procedure  bepaalt  dat  ik  een  brief   moet  sturen  naar  de onderzoekers. Ik heb die vandaag ondertekend. Wanneer zij die ontvangen, wordt het rapport vrijgegeven en wordt het op onze website geplaatst.

Mevrouw Sabine Poleyn: Ik ben blij dat u zegt dat er een spontaan Vlor-advies komt naast de adviezen die we al hebben. Het is interessant  om te  weten of zo’n  participatiecultuur evolueert. Dan kan nog worden nagegaan of dit al dan niet door het decreet is gestimuleerd. Daarnaast  moet  rekening  worden  gehouden  met  de  kritiek  die  vanaf  het  begin  werd geformuleerd, bijvoorbeeld over de deelname van de directeurs aan de verschillende raden. Volgens het decreet mogen de directeuren niet aanwezig zijn, maar dat is een handicap om tot een echte participatie van de deelnemers te komen. Er zijn enkele zaken die we grondig  moeten  bekijken en durven evalueren. Ik heb veel sympathie voor de bekommernis en  de participatie van de leerlingen. Dat hoeft niet zo formalistisch te  zijn,  maar het welbevinden op school wordt gestimuleerd door een gevoel deel te zijn van een schoolgemeenschap en echt betrokken te zijn. Dat moet niet per se via een leerlingenraad gaan – dat is ook belangrijk –, het kan ook projectmatig gebeuren. Daar liggen wel wat kansen om te stimuleren, los van het decreet.

Ik ben blij en onthoud dat we tegen het einde van dit jaar een grondige evaluatie en een aantal voorstellen tot wijziging zullen doen. We zijn bereid om daar verder over te discussiëren.

Minister Pascal Smet: Daar twijfel ik geen seconde aan.

De voorzitter: Het incident is gesloten

2010

Archief 2009

Archief 2008

Archief 2007

 


tekening
Marte Dewitte 8j.

 

 

Sabine Poleyn - Vlaams volksvertegenwoordiger - Otegemstraat 131, 8550 Zwevegem, 0472 27 69 99 - Tel 02 552 43 27

creatie www.soete.be