sabine
sabinevlaams parlementbuitenlandjeugdoverigeonderwijswest-vlaanderenfotoboekcontact

Schriftelijke vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Sabine Poleyn aan de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs en Vorming, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel betreffende de knelpunten in het dubbel gebruik schoolgebouwen.

In de bespreking van de Beleidsnota Onderwijs zei de minister dat hij het dubbel gebruik van schoolgebouwen in het kader van Brede School en DKO wil stimuleren. In de schoolgebouwenmonitor 2008 lezen we dat 59 % van de schoolgebouwen wordt gebruikt buiten de normale schooluren. Dat betekent dat er nog heel wat potentieel aan ruimte beschikbaar is, maar dat die om uiteenlopende redenen niet gebruikt wordt op dit ogenblik.

Vaak wordt de moeilijk te regelen verzekeringskwestie aangegeven, soms gaat het ook over moeilijk lopende afspraken of slechte ervaringen tussen school en externen, moeilijk te organiseren selectieve toegang tot de lokalen (niet iedere vereniging moet toegang krijgen tot het hele schoolgebouw, maar dit is in de praktijk niet altijd eenvoudig te realiseren, al bestaan er zeker slotensystemen die in ziekenhuizen worden toegepast die een selectieve toegang kunnen garanderen).

  1. Wat zijn de praktische knelpunten voor een dubbel gebruik van schoolgebouwen? Onder meer betreffende de verzekeringsproblematiek?
  2. Welke oplossing voorziet de minister hiervoor?
  3. Heeft hij goede voorbeelden verzameld? Is de minister hiervoor in overleg met de netten?

Pascal Smet
Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Jelijke kansen en Brussel

Antwoord

De vraagsteller haalt  zelf al de belangrijkste knelpunten aan in verband met het dubbel gebruik van schoolgebouwen, namelijk verzekeringen en verantwoordelijkheden. Ik wil daarbij opmerken dat deze problemen de infrastructuur overstijgen; ze zijn ook van essentieel belang voor de mensen die ervan gebruik maken. Deze knelpunten komen overigens aan bod in het Eindrapport Brede School van het Steunpunt Diversiteit en Leren, dat de opdracht van het vroegere Steunpunt Gelijke Onderwijskansen rond deze materie voortzet sinds dit schooljaar.
Uit dat rapport, dat ik zeer binnenkort openbaar zal verspreiden, blijkt dat voor het oplossen van dergelijke problemen geen toverformule bestaat, maar dat je met goede afspraken heel ver geraakt. In dat opzicht lijkt het probleem groter dan het is. Om een voorbeeld te geven: de vraagsteller verwijst naar de slotensystemen met selectieve toegang van ziekenhuizen;  in Vlaanderen bestaat er minstens één Brede School  met een vergelijkbaar selectief ‘sleutelplan’. Het eindrapport van het Steunpunt geeft een overzicht van heel wat bestaande projecten en initiatieven, waaronder heel wat goede voorbeelden.

De infrastructuurproblematiek overstijgt de brede school en de brede schoolproblematiek overstijgt de infrastructuur. Voor beide onderwerpen heb ik met het oog op de uitvoering van mijn beleidsnota projectwerkgroepen opgestart met vertegenwoordigers van verschillende administraties en mijn kabinet. Zij zullen de problematiek verder onderzoeken en samen met mijn collega-ministers en mezelf verder bouwen aan het beleid ter zake.

AGION:
1. Over de knelpunten voor een dubbel gebruik van schoolgebouwen zijn bij weten van AGIOn slechts in beperkte mate (onderzoeks)gegevens voorhanden.

Een eerste bron is het onderzoeksrapport naar “De renovatie en openstelling van schoolgebouwen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest” uit 2001. In dit onderzoek werd bij bij 152 scholen uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gepeild naar de toestand van het gebouwenpark, de behoefte aan werken en de mogelijkheid tot openstelling van de gebouwen.

  • Een vrij negatieve houding tegenover openstelling: Uit de ciifers bleek dat een vrij groot percentage directies negatief of eerder negatief staat tegenover openstelling (47% in het basisonderwijs en 32% in het secundair onderwijs). Negatieve houdingen komen in het basisonderwijs vaker voor dan positieve, hoewel we in het secundair het omgekeerde kunnen vaststellen. Toch zijn er ook directies die een uitgesproken positieve houding tegenover openstelling hebben (5% in het basisonderwijs en 14% in het decundair onderwijs).
  • Vrij negatieve ervaringen met openstelling: De algemene beoordeling door de directies van hun openstellingservaringen was vrij negatief. 33% van de directies heeft negatieve of eerder negatieve ervaringen met het openstellen van schoolgebouwen. Bijna de helft (47,62%) zit in de neutrale middencategorie noch negatief/noch positief terwijl slechts 19% postieve of eerder positieve ervaring heeft. Uit de cijfers bleek dat de meeste problemen zich voordoen i.v.m. veiligheid en toezicht, hoewel het respect voor het gebouw, bijkomend onderhoud en bijkomende werkbelasting niet veel beter scoren. Met het naleven van gemaakte afspraken en een mogelijk (nefaste) invloed op het onderwijs zijn blijkbaar het minst problemen. Dit betekent echter niet dat voor deze items een positieve beoordeling wordt gegeven. Over de hele lijn liggen de evaluatiescores vrij laag.
  • Bijzondere aandachtspunten volgens directies: Wat de aandachtspunten bij openstelling betreft geven de directies het hoogste belang aan veiligheid en toezicht en respect voor het gebouw. 73 % van de directies brengt veiligheid en toezicht bij de belangrijkste drie aandachtspunten onder, 75 % van de directies brengt respect voor het gebouw bij de belangrijkste drie onder. 39% vindt dat aan veiligheid en toezicht het grootste belang moet gegeven worden bij openstelling. Zich aan afspraken houden scoort ook hoog als belangrijk aandachtspunt. 70% van de directies brengt het onder bij de drie belangrijkste. Verzekeringen echter verdient volgens de mening van de directies de laagste prioriteit.

Tabel 1: Aandachtspunten volgens belangrijkheid bij openstelling (in %)

 

aandachtspunten

Onderhoud

zich houden aan afspraken

veiligheid en toezicht

respect voor het gebouw

verzekering

invloed op onderwijs

werkbelasting

Cum % vpl

Cum % vpl

Cum % vpl

Cum % vpl

Cum % vpl

Cum % vpl

Cum % vpl

Belangrijkste punt

25,45

21,82

38,46

31,37

6,12

27,78

25,45

2 de belangrijkste punt

40,00

49,09

51,92

56,86

14,29

29,63

36,36

3 de belangrijkste punt

47,27

69,09

73,08

74,51

24,49

38,89

45,45

4 de belangrijkste punt

76,36

80,00

86,54

82,35

34,69

48,15

49,09

5 de belangrijkste punt

81,82

90,91

90,38

92,16

69,39

51,85

61,82

6 de belangrijkste punt

94,55

94,55

98,08

100,00

81,63

72,22

80,00

minst belangrijke punt

100,00

100,00

100,00

 

100,00

100,00

100,00

  • Slechte ervaringen leiden tot minder bereidheid tot openstelling: Om te weten wat de impact is van vroegere ervaringen met openstelling maken we een vergelijking tussen de doorzetters (degene die vroeger reeds hun schoolgebouw openstelden en dit nu blijven doen) en de afhakers (degenen die vroeger hun schoolgebouw openstelden, maar nu kiezen om dit niet langer te doen).

Tabel 2: evaluatiescores (op 100) mbt ervaringen met openstelling naar afhakers en doorzetters

 

onderhoud

naleven gemaakte afspraken

veiligheid en toezicht

respect voor gebouw

invloed op onderwijs

werkbelasting

algemene ervaring

afhakers

47,37

48,00

39,00

37,00

56,67

57,78

48,40

doorzetters

54,88

63,26

56,19

58,14

62,93

51,16

58,33

Totaal

52,58

58,41

50,65

51,43

61,02

53,11

55,13

De ervaringen van afhakers zijn duidelijk negatiever dan de ervaringen van doorzetters (hoewel nog eens moet gezegd worden dat bij deze laatsten de ervaringen ook niet bijster positief te noemen zijn). De algemene score bij afhakers ligt zelfs 10 procentpunten lager dan bij de doorzetters waardoor ze in de klasse ‘eerder negatief’ terechtkomen. De grootste verschillen, en daarmee ook de negatiefste scores bij afhakers, komen voor bij ‘veiligheid en toezicht’, ‘respect voor het gebouw’ en het ‘naleven van gemaakte afspraken’. Uit het onderzoek bleek dat deze drie aandachtpunten dan ook een impact hebben gehad op de beslissing om het schoolgebouw niet langer open te stellen. Deze aandachtspunten zijn dus van cruciaal belang als je ervoor wil gaan zorgen dat directies bereid blijven om hun schoolgebouw open te stellen.
Een tweede bronis de schoolgebouwenmonitor 2008 van AGIOn. In de monitor werd het effect onderzocht van (1) de mogelijkheid om gebouwen vlot en veilig open te stellen voor derden op (2) het buitenschools gebruik van de gebouwen. Uit de resultaten blijkt dat waar deze mogelijkheid niet of slechts in geringe mate aanwezig is, het percentage buitenschools gebruik een stuk lager ligt dan op vestigingsplaatsen die wel vlot en veilig opengesteld kunnen worden. Deze duidelijke samenhang wijst erop dat het buitenschools gebruik van schoolgebouwen aan infrastructurele voorwaarden gebonden is. Het mag dan ook duidelijk zijn dat we ons, bij het streven naar een intensiever buitenschools gebruik van schoolgebouwen, tegelijk moeten afvragen welke infrastructurele ingrepen nodig kunnen zijn om een dergelijk gebruik vlot en veilig te laten gebeuren.
Tabel 3: Vestigingsplaatsen naar de mogelijkheid om de gebouwen vlot en veilig open te stellen en buitenschools gebruik van de gebouwen, in%


Mogelijkheid om de gebouwen vlot en veilig open te stellen?

Worden de gebouwen buitenschools gebruikt?

buitenschools gebruik

geen buitenschools gebruik

Niet

33%

67%

In geringe mate

55%

45%

Middelmatig

64%

36%

Grotendeels

72%

28%

Volledig

69%

31%

Een derde bron zijn de ervaringen van de VGC en Buurtsport v.z.w. in Brussel van begin jaren 2000. Volgende knelpunten vallen op:

    • Conciërges van scholen vormen vaak een obstakel voor openstelling. Ze hebben soms teveel macht en werken niet mee met openstellingsprojecten.
    • De openstelling leidt tot een te grote werkbelasting bij directies. De VGC sportdienst vindt dat er een dag- en avonddirecteur zou moeten zijn. Er moet maw een soort van management komen en er moet continuïteit zijn in het beheer van de infrastructuur.
    • De vzw buurtsport onderkent de nood aan een duidelijke beheersstructuur voor het openstellen van scholen. Veel directies weigeren om hun schoolinfrastructuur open te stellen, vaak uit angst voor diefstal of vandalisme. Een beheerstructuur die scholen voldoende garanties kan geven omtrent veiligheid en respect voor het gebouw kan volgens buurtsport hier uitkomst bieden.

Een vierde bron is een beperkte bevraging van een aantal steden en gemeentes naar aanleiding van een vraag rond het openstellen van speelplaatsen. Hieruit blijken er enkele succeservaringen te bestaan (voorbeeld Leuven), maar dat dit in andere steden moeilijker lukt (voorbeeld Gent, Antwerpen). De vorm en inplanting van de schoolgebouwen blijkt hier belangrijk: (1) is er een relatie met het openbare domein (sociale controle)? (2) kan de speelplaats onafhankelijk worden opengesteld zonder dat men door de gebouwen moet?
Daarnaast zijn andere obstakels die door scholen aangehaald worden veiligheid, onderhoud, energiekosten, toezicht en verzekeringen. Daar waar er een succeservaring is speelt de stad of gemeente een belangrijke rol (begininvestering in ruil voor openstelling, opnemen in ‘publiek domein, onderhoud door lokale groendienst, etc.). Een onderliggend knelpunt blijkt dat scholen weinig geïnteresseerd zijn om hun schoolgebouwen en –speelplaatsen open te stellen, en dit enkel als een last zien. Wie de initiatiefnemer is, blijkt ook een gevoelig punt (externe gemeentelijke jeugddienst bijvoorbeeld).
Een ander knelpunt dat soms wordt aangehaald is de vrijstelling onroerende voorheffing. De voorwaarden rond openstellen schoolgebouw zijn echter duidelijk verwoord in de omzendbrief ‘FB/Vlabel/2007 - Vrijstelling van onroerende voorheffing voor onroerende goederen bestemd voor het onderwijs’. In paragraaf 4.3.13 ‘verhuur van schoollocaties en materiaal’ wordt er expliciet verwezen naar het ‘terbeschikkingstellen’ van locaties voor ‘derdengebruik’ (= externe partijen zoals jeugdbewegingen, socio-culturele organisaties en privépersonen). De vrijstelling komt alleen in het gedrang wanneer er tijdens de schooluren, niet onderwijs- of vormingsgerelateerde activiteiten op een permanente basis plaatsvinden in een schoolgebouw.

2.         Agion is op dit moment niet bij machte een exhausieve lijst van door te voeren beleidsmaatregelen voor te leggen. Wel blijkt uit onze ervaring dat volgende aandachtspunten nuttig kunnen zijn:
1. Openstelling van schoolgebouwen moet uitgaan van een win-win situatie. Zowel de directies/inrichtende machten als de gebruikers moeten er meer voordeel dan nadeel van ondervinden.
2. Allereerst moet het gebouw infrastructureel aangepast zijn aan openstelling.  Voor nieuwbouw en vernieuwbouw kunnen verschillende scenario’s rond het openstellen van schoolgebouwen en -speelplaatsen in rekening gebracht worden. Dit heeft een impact op inplanting, interne circulatie en organisatie, onthaalruimte, aparte toegangsmogelijkheden, etc. De scholen waar dit effectief op grote school gebeurt (voorbeeld Brede school Het Keerpunt in Antwerpen met ongeveer 30.000 bezoekers op jaarbasis) hebben dan ook geïnvesteerd in deze aanpassingen (sleutelplan, bemand onthaal, geregelde toegang, etc.).
3. Scholen en verenigingen moeten in het kader van openstellingsprojecten ook kunnen functioneren binnen een duidelijke beheersstructuur waarin de nodige aandacht wordt besteedt aan toezicht en veiligheid, het gebruik van juridisch afdwingbare gebruiks/huurcontracten, verzekeringen, convenanten, huurgelden, huishoudelijke reglementen, etc…. Deze noodzaak blijkt uit bovenstaande ervaringen en onderzoeksgegevens, maar wordt ook uitvoerig behandeld in het kader van projecten als '‘een school open voor de sport” van de Koning Boudewijnstichting. Hierin worden een aantal aanbevelingen en typedocumenten naar voren geschoven.
4. Sensibiliseren van onderwijsveld/scholen rond hun maatschappelijke rol naar de buurt. Zeker in buurten/steden waar weinig speelmogelijkheden zijn. Daarnaast kan het een extra bron van inkomsten zijn, en moet ook het financiële plaatje duidelijk gesteld worden.
5. Stimuleren van lokale besturen. Via hun sport, jeugd, welzijn en onderwijsdiensten kunnen ze een overkoepeld kader creëren om het openstellen van schoolgebouwen mogelijk te maken. Hierbij is het wel opnieuw belangrijk dat de win-win wordt nagestreefd.  Een voorbeeld van een dergelijke samenwerking is het Redingenhof in Leuven, waar in een huurovereenkomst duidelijk taken van verhuurder (school) en huurder (stad) worden omschreven. De stad heeft een begininvestering heeft gedaan in de buitenaanleg, en staat in voor onderhoud in vakantieperiodes. Samen staan ze in voor onderhoud in de uren wanneer ze er verantwoordelijk voor zijn. De school zorgt voor openen en sluiten van de poorten. Verder staan ook aspecten rond duur van overeenkomst, schade, zwerfvuil en reiniging, toegang en toezicht, overleg, etc. in beschreven.
6. Tot slot moet er inderdaad nog duidelijkheid komen over verzekeringen. In de beleidsnota onderwijs kunnen we lezen: “Verder zal ik proberen een aantal hindernissen in het openstellen van de schoolgebouwen voor andere activiteiten weg te werken (vb. collectieve verzekering van materiaal en vrijwilligers). We onderzoeken hoe we belemmeringen in de regelgeving kunnen wegnemen.”

Ook dit element wordt meegenomen binnen de opgestarte projectwerkgroepen.

 

Leemans, G. (2001). De renovatie en openstelling van schoolgebouwen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Onuitgegeven onderzoeksrapport in opdracht van het Sociaal Impulsfonds Brussel. Brussel, Studiebureau voor Maatschappelijke Ruimte (SMaR) v.z.w.

Telefonische gesprekken met stedelijke diensten van Leuven (Jeugd en Sport), Antwerpen (Jeugd en Onderwijs) en Gent (Onderwijs en Jeugd).

 

 


 

2010

Archief 2009

Archief 2008

Archief 2007

 


tekening
Marte Dewitte 8j.

 

 

Sabine Poleyn - Vlaams volksvertegenwoordiger - Otegemstraat 131, 8550 Zwevegem, 0472 27 69 99 - Tel 02 552 43 27

creatie www.soete.be