sabine
sabinevlaams parlementbuitenlandjeugdoverigeonderwijswest-vlaanderenfotoboekcontact

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine Poleyn tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over de internationalisering in het
leerplichtonderwijs, meer bepaald in het tso en bso.


De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.

Mevrouw Sabine Poleyn: Vanaf 2011 kunnen leerlingen uit het gewoon en buitengewoon
secundair onderwijs een trimester in een andere EU-lidstaat studeren. Dit is een nieuwe actie van het programma ‘Een Leven Lang Leren’ in het kader van Comenius dat zich richt tot jongeren vanaf 16 jaar. Aangezien het meestal om minderjarigen gaat, lijkt het ons belangrijk om de organisatie ervan niet aan het toeval over te laten.
Erasmus loopt al een twintigtal jaar en heeft het stadium van de kinderziektes verlaten. In elke hogeschool is er een coördinator internationalisering die onder meer de uitwisselingen van studenten coördineert. Dit is echter niet of nog niet het geval in het secundair onderwijs. Het is nochtans zeer belangrijk om oog te hebben voor de eigenheid van jongeren uit het leerplichtonderwijs en de grenzen van wat deze jongeren aankunnen. Ik denk bij individuele leermobiliteit van leerplichtige jongeren onder meer aan een ondersteuning van de zogenaamde thuisschool voor het ontwikkelen van een visie, van een sterke voorbereiding en van een goede nazorg.
Tegelijk moet de gastschool, die ook een Vlaamse school kan zijn, nieuwe deelnemers goed kunnen ontvangen en begeleiden. Dit laatste is de taak van de vzw Europese Programma’s voor Onderwijs, Opleiding en Samenwerking (EPOS) vzw. Dat bleek tijdens de commissievergadering van 3 december 2009. Ik heb toen aan de vertegenwoordigster van EPOS gevraagd hoe dat zou worden aangepakt. Zij kon me daar toen nog geen duidelijk antwoord op geven. Zij verwees naar de ervaring die men heeft bij AFS Interculturele Programma’s. Dat is echter een volledig andere context. Daar gaat het om meerderjarige jongeren of jongeren die al afgestudeerd zijn. Dat is een privéorganisatie met hoge inschrijvingsgelden enzovoort. Bij de individuele of klasgerichte initiatieven van leermobiliteit vraagt de groep tso- en bsostudenten extra aandacht. Als minister van Jeugd zult u JINT ook goed kennen. In april 2009 heeft JINT een onderzoek afgerond. Daaruit blijkt dat lager opgeleide jongeren vaak wel interesse hebben in een buitenlandse ervaring, maar er moeilijk toe komen. Daarom lijkt het belangrijk om de bestaande Leonardo da Vinci-programma’s voor jongeren in tso, bso, dbso
en de beroepsopleiding extra te stimuleren. In dat kader zou een toename van de Vlaamse middelen specifiek aan dit programma of een ander specifiek initiatief voor deze doelgroep legitiem zijn. Bij de voorstelling van EPOS heb ik een tabel gekregen van de middelen. De Vlaamse middelen stonden op nul voor Leonardo. EPOS zei dat dat kwam omdat de Europese middelen voldoende waren. Toch is het goed om na te gaan wat er extra kan gebeuren. Leermobiliteit is natuurlijk maar één aspect van internationalisering. Andere stimulansen zijn mogelijk. Zo lanceerde mevrouw De Moor van de Beweging Vlaanderen-Europa het voorstel om een fonds te scheppen waaruit scholen, zowel secundaire als basisscholen, eventueel ook hogescholen, kunnen putten om buitenlandse gastdocenten of experts uit te nodigen. Dat zou ook een laagdrempelige manier zijn om contact met het buitenland over een bepaald thema in de school binnen te brengen. Dat was een voorstel van die mevrouw, ik vel daar geen oordeel over.
Minister, in de beleidsnota Onderwijs spreekt u enkel van leermobiliteit in het hoger
onderwijs, en helemaal niet in het secundair. Minister, hebt u plannen om de internationalisering ook kansen te geven in het leerplichtonderwijs? Erkent u dat door de eigenheid van individuele leermobiliteit van leerplichtigen, een sterkere begeleiding zeer belangrijk is? Hoe wilt u dit heel concreet voor het Comeniusprogramma vanaf 2011
uitwerken? Op welke manier zult u jongeren uit tso, bso, dbso en kso extra stimuleren tot internationalisering zoals het JINT-onderzoek suggereert? Welke andere initiatieven wilt u nemen om internationalisering in het leerplichtonderwijs te stimuleren? Is een fonds zoals voorgesteld haalbaar?

De voorzitter: Minister Smet heeft het woord.
Minister Pascal Smet: Internationalisering van het onderwijs start niet in het hoger
onderwijs. Vanaf de kleuterschool is het mogelijk om internationale projecten op te starten. Er zijn niet enkel de acties binnen het Europese Programma ‘Een Leven Lang Leren’ – Comenius en Leonardo da Vinci –, ook de Vlaamse overheid heeft haar eigen programma’s waarbij scholen subsidies kunnen krijgen om samen te werken met een partnerschool uit een ander Europees land. Zo zijn er de Vlaams-Marokkaanse Twinnings, Buurlanden voor het basisonderwijs, Grensoverschrijdende Samenwerking (GROS) en Euroklassen voor het secundair onderwijs, waarbij de uitwisselingen van de leerlingen centraal staan. In de periode 2001-2006 namen 461 verschillende Vlaamse scholen deel aan één of meer Comeniusacties, wat ongeveer 13 percent van de Vlaamse scholen is, ongeveer 8 percent van alle basisscholen en 25 percent van alle secundaire scholen. Elk jaar opnieuw zet een aantal nieuwe scholen de stap naar Comenius. In de schoolpartnerschappen waren er jaarlijks een 1000-tal verplaatsingen naar het buitenland, waarvan ongeveer een derde leerlingen. Het aantal betrokkenen bij diezelfde projecten ligt bovendien vele malen hoger. Deze trends binnen het Comeniusprogramma onder Socrates II, lijken zich door te zetten in het ‘Een Leven Lang Leren-programma’ (LLP). Het Comeniusbudget is aanzienlijk en
stelselmatig toegenomen van 1.385.000 euro in 2005 naar 2.243.000 euro in 2009. Dat is een stijging van 369 naar 400 dossiers. In het Leonardo Da Vinci-programma zijn van bij de start buitenlandse stages voor leerlingen in de initiële beroepsopleiding mogelijk. Leerlingen uit het tso, bso, dbso, de leertijd en de beroepsopleidingen van kso en buso kunnen een stage doen in een buitenlandse onderneming en/of beroepsopleidingsinstelling. In de eerste periode van het programma, van 1995 tot
1999, steeg het aantal deelnemers van 140 naar 205 per jaar. Het aantal deelnemende scholen bleef quasi gelijk, 15 in 1995, 17 in 1999.
In de tweede periode van het programma steeg het aantal deelnemers van 272 in 2000 naar 347 in 2006, het aantal deelnemende scholen steeg van 20 naar 27. Sinds 2007 is het
Leonardo Da Vinci-programma opgenomen in het Europees programma ‘Een Leven Lang
Leren’. De definitieve afrekening van de projecten is nog lopende, maar we kunnen toch de volgende cijfers geven: voor het budget 2007 werd er voor 417 deelnemers uit 32 scholen een voorstel tot betoelaging gegeven, in 2008 was dit het geval voor 548 deelnemers uit 36 scholen en in 2009 voor 542 deelnemers uit 46 scholen. Binnen deze periode konden alle aanvragen worden betoelaagd, die door de evaluatoren als kwalitatief toereikend werden gescoord. Dit was mede mogelijk door het intern verschuiven van budgetten binnen het Leonardo-programma. Er lijkt dus geen onmiddellijke nood te zijn aan extra middelen om de huidige aanvragen te kunnen beantwoorden. Uit contacten met het werkveld bleek dat men onder meer de volgende zaken als belemmerend naar voren schuift: de problematiek van middelen voor het vervangen van de begeleidende leerkracht en het gebrek aan ruimte in het curriculum voor het inbouwen van de buitenlandse stages. Tijdens het schooljaar 2008-2009 kregen 10 scholen een subsidie voor een GROS-project, 13 kregen een Euroklassen-subsidie, 28 een Buurlanden-subsidie en 16 scholen hadden een Vlaams-Marokkaanse Twinning.
Internationalisering krijgt dus zeker kansen in het leerplichtonderwijs. Daarbij is er niet
zozeer nood aan meer acties of hogere budgetten, wel aan permanente sensibilisering en ondersteuning, wat op zich ook een actie is. Wat dit betreft, kunnen scholen rekenen op de ondersteuning van EPOS vzw, het Centrum Ryckevelde en de Landcommanderij Alden Biesen.
De actie ‘Individuele Leerlingenmobiliteit’ (verder afgekort als IPM) is inderdaad een nieuwe en kleinschalige actie binnen Comenius. Nieuw, omdat 2010 pas het eerste jaar is waarin scholen een aanvraag voor een IPM-project kunnen indienen. Kleinschalig, omdat het gaat over een gering aantal uit te wisselen leerlingen. Voor Vlaanderen gaat het om het uitzenden van een dertigtal leerlingen naar het buitenland. In zekere zin is de actie ook nog experimenteel. Van alle landen die deelnemen aan het LLP-programma, doen er minder dan de helft mee aan IPM. In Vlaanderen is nog een vrij intensief overleg met het veld gaande, in de schoot van het Vlaams Comeniuscomité. Diverse overlegronden in 2009 hebben nog niet geleid tot een eenduidig advies. De deelname van Vlaanderen aan IPM vanaf 2011 is dus nog geen zekerheid. Los daarvan is het uiteraard evident dat de actie IPM, aangezien het gaat om de individuele internationale mobiliteit van minderjarigen, bijzondere eisen stelt qua begeleiding en ondersteuning. Dit wordt weerspiegeld in vrij strenge criteria voor scholen om te kunnen deelnemen. Daarbij wordt rekening gehouden met alle elementen die verband houden met de voorbereiding, het verblijf
en de nazorg van inkomende en uitgaande leerlingen, bij zendende en ontvangende scholen. Aan alle deelnemende scholen wordt een gedetailleerde handleiding ter beschikking gesteld en ze kunnen rekenen op hun Nationaal Agentschap – voor Vlaanderen is dat EPOS vzw – voor informatie, financiering, ondersteuning bij het projectmanagement en voor de organisatie van trainingen op het vlak van intercultureel leren. De pedagogische en academische invulling van de uitwisselingen valt onder de autonomie van de deelnemende scholen.
Het tso en dbso zijn van bij het begin een prioritaire doelgroep zowel binnen het Comeniusprogramma als binnen GROS en Euroklassen. Dit zal zo blijven de komende jaren, ook binnen een eventuele nieuwe actie IPM. Deze prioriteit geldt zowel op het niveau van de selectie van aanvragen – aanvragen uit het tso en dbso krijgen bonuspunten –, als op het niveau van promotie en sensibilisering. Deze aanpak werpt vruchten af, zoals blijkt uit het toegenomen aandeel van het tso en bso in de goedgekeurde Comenius Schoolpartnerschappen: van ongeveer 20 percent in de Socrates II-periode van 2001 tot 2006, naar ongeveer 30 percent in 2008 en 2009, wat evenveel is als het aandeel van aso. Zoals voor internationalisering in heel het leerplichtonderwijs, geldt ook hier dat er niet echt nood is aan meer acties en meer budget, wel aan permanente sensibilisering en ondersteuning. Uit het voorgaande blijkt dat er dus sensibilisering en ondersteuning nodig is. We denken niet meteen aan de oprichting van een nieuw fonds. Ook voor de mobiliteit van leerkrachten en
gastdocenten zijn Europese middelen beschikbaar. Binnen Comenius kunnen leerkrachten, opleiders en nascholers van leerkrachten een beurs aanvragen in het kader van de actie In- Service Training (IST) voor jobshadowing – dat is stage en werkplekleren – in een school, organisatie of bedrijf in het buitenland. En dus kunnen Vlaamse scholen op hun beurt functioneren als gastschool voor een leerkracht of nascholer uit het buitenland.

De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord. Mevrouw Sabine Poleyn: Minister, ik hoop dat ik uw antwoord op papier kan krijgen, want u hebt heel veel cijfers genoemd, en het zou interessant zijn om die te kunnen analyseren. Ik heb vooral onthouden dat u zegt dat er nood is aan meer permanente sensibilisering en ondersteuning. Dat was ook de reden voor mijn vraag om uitleg. Ik heb het gevoel dat er heel wat initiatieven zijn. In 2011 is er Comenius voor individuele jongeren die gedurende enkele weken of maanden zonder begeleiding van een leerkracht naar het buitenland gaan. Ik blijf een beetje op mijn honger. Ik heb van u niet gehoord dat u voor leerplichtjongeren een bepaald aantal weken in het buitenland goed vindt, zodat ze nadien vlot kunnen integreren in het gewone onderwijs. Ik heb u ook niet horen zeggen hoe u de permanente sensibilisering en ondersteuning zult uitvoeren. U verwijst naar EPOS, maar enkele weken geleden kreeg ik de boodschap dat men nog nergens stond en dat men nog niet goed wist waar de klepel hing. Ik hoop dat u wat meer sensibilisering en ondersteuning aan de administratie en EPOS kunt aanbieden. Natuurlijk telt uiteindelijk de pedagogische vrijheid van de scholen, maar ik denk dat de scholen, zeker voor de individuele leermobiliteit, nog in de beginfase zijn en dat ze echt wel ondersteuning kunnen gebruiken.

De voorzitter: Het incident is gesloten.

2010

Archief 2009

Archief 2008

Archief 2007

 


tekening
Marte Dewitte 8j.

 

 

Sabine Poleyn - Vlaams volksvertegenwoordiger - Otegemstraat 131, 8550 Zwevegem, 0472 27 69 99 - Tel 02 552 43 27

creatie www.soete.be