sabine
sabinevlaams parlementbuitenlandjeugdoverigeonderwijswest-vlaanderenfotoboekcontact

Schriftelijke vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Sabine Poleyn aan de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, betreffende het Leerplichtonderwijs en de Financiering volgens leerlingenkenmerken

Door de nieuwe berekening van de werkingsmiddelen van het leerplichtonderwijs zoals voorzien in het decreet van 1 februari 2008, stijgen deze in elke school. Door de toepassing van vier indicatoren voor een deel van de financiering verschilt dit van school tot school. In de beleidsnota en het regeerakkoord werd een evaluatie vermeld. Voor een grondige evaluatie is het misschien nog vroeg. Toch lijkt het belangrijk een overzicht te hebben van de financiering aan de hand van de nieuwe indicator.

  1. Kan de minister een overzicht bezorgen van de resultaten van de nieuwe berekening bij elke school in Vlaanderen voor het schooljaar 2009-2010?
  2. Binnen welk minimum-stijgingspercentage en maximum-stijgingspercentage situeren de scholen zich? Waar ligt de mediaan?
  3. Welke indicatoren waren het meest significant? Welke indicatoren klikken meestal samen aan? Welke onderscheiden zich?
  4. Zijn er geografische verschillen vast te stellen? Bij voorbeeld per provincie, stad-platteland, ...
  5. Zijn er verschillen per onderwijsnet of niveau vast te stellen? Basisonderwijs, secundair onderwijs, buitengewoon basisonderwijs …
  6. Aan welke indicator of factoren zijn deze verschillen te wijten?
  7. Welke evolutie mogen we verwachten de komende jaren?

Antwoord

Binnen de huidige afspraken m.b.t. de vrijgave van data aan externen kunnen de resultaten van de berekeningen niet meegedeeld worden.

Bij de vergelijking van de werkingsmiddelen 2007-2008 met de werkingsmiddelen 2008-2009 kunnen we volgende cijfers meedelen:

Niveau

Minimum
stijgingspercentage

Maximum stijgingspercentage

Mediaan

Basis

-51,69

132,19

22,12

Buitengewoon basis

-5,41

99,3

24,88

Secundair

-72,48

194,74

14,05

Buitengewoon secundair

-21,59

71,52

16,75

We willen er de aandacht op vestigen dat bij de vergelijking van deze middelen ook rekening moet worden gehouden met de evolutie van het aantal leerlingen en met herstructureringen. De stijgingspercentages worden niet enkel beïnvloed door de financiering volgens leerlingen-kenmerken. Op basis van de analyses, vermeld in de Memorie van Toelichting bij het decreet betreffende de werkingsbudgetten (stuk 1667), stelden we vast dat het recht op een schooltoelage een beperkter effect heeft op de schoolachterstand dan het opleidingsniveau van de moeder. De samenhang op schoolniveau was duidelijk hoger dan op individueel niveau: scholen met een hoog percentage schooltoelagegerechtigde leerlingen hebben ook een hoger percentage moeders met laag oplei-dingsniveau en omgekeerd.

De correlatie tussen de indicator opleidingsniveau moeder en de indicator thuistaal zou bijgevolg minder hoog zijn dan de correlatie tussen de indicator opleidingsniveau moeder en de indicator schooltoelage.

Als we een vergelijking maken van de leerlingenindicatoren, die we gebruikt hebben voor de werkingsmiddelen 2008-2009, zijn er enkele verschillen waar te nemen:

Bij een vergelijking per provincie zien we dat Brussel telkens het hoogste percentage leerlingen heeft dat aantikt op de vier indicatoren. Hierop is één uitzondering: in het niveau secundair heeft Limburg relatief het meeste leerlingen die op de indicator schooltoelagen aantikken. Voor de indicator taal volgen daarna Antwerpen en Vlaams-Brabant op bijna gelijke voet. West-Vlaande-ren heeft dan weer procentueel het minste aantal aantikkers op de indicator taal.
Op de indicator opleiding scoort, na Brussel, de rest van de provincies gelijkmatig aan, enkel voor Vlaams-Brabant ligt het aantal iets lager. Ook bij de indicator schooltoelagen scoort Vlaams-Brabant lager dan de andere provincies.
Ten slotte heeft de indicator buurt, na Brussel, het meeste aantikkende leerlingen in Antwerpen, daarna in Oost-Vlaanderen. De rest van de provincies volgt op gelijke voet. West-Vlaanderen heeft hier het kleinste aantal aantikkende leerlingen.

Om de verschillen per verstedelijkingsgraad vast te stellen, baseerden we ons voor de indeling van de gemeenten van het Vlaams Gewest op de VRIND-classificatie van de Studiedienst van de Vlaamse Regering.
Brussel en de grootsteden zijn steeds de koplopers op het aantal leerlingen met indicatoren, daarna volgen de regionale centrumsteden, de kleine steden, de stedelijke rand, het overgangsgebied en tenslotte het platteland.

De verschillen per onderwijsnet lopen gelijk over de vier leerlingenindicatoren: het GO! heeft steeds de meeste leerlingen met indicatoren gevolgd door het gesubsidieerd officieel onderwijs en daarna het gesubsidieerd vrij onderwijs. Hierop is een uitzondering in het niveau secundair: het officieel net heeft voor de indicator buurt relatief meer aantikkende leerlingen dan het GO!

De vergelijking tussen de niveaus voor de vier leerlingenkenmerken is minder eenvoudig. Voor de indicator schooltoelage is de referentieperiode in het basisonderwijs niet dezelfde als deze in het secundair onderwijs. Omdat de schooltoelage net in het basisonderwijs was ingevoerd, kon - in tegenstelling tot het secundair onderwijs - geen rekening worden gehouden met de situatie van het vorige schooljaar. De cijfers basisonderwijs weerspiegelen het aantal schooltoelagegerechtigde leerlingen bovendien ook maar gedeeltelijk omdat de referentieperiode afgesloten werd in mei en niet op het einde van dat schooljaar.

Een vergelijking voor de indicator buurt tussen het basis- en secundair onderwijs is niet relevant omdat er steeds op 25% aantikkende leerlingen wordt afgetopt. M.a.w. nadat deze buurtindicator aan de leerlingen werd gekoppeld, willen we aan 25% van de leerlingen extra financiering toeken-nen. Daarom wordt voor het basis- en secundair onderwijs een rangorde van leerlingen aangelegd waarbij de cesuur telkens op het 75ste percentiel wordt gelegd.
Er is wel een verschillende verdeelsleutel in het basis- en het secundair onderwijs voor de te besteden middelen.
In het basisonderwijs wordt het voorziene bedrag gelijkmatig over de vier indicatoren verdeeld. In het secundair onderwijs wordt slechts 10% van het voorziene bedrag aan de indicator buurt be-steed (over de drie andere indicatoren wordt telkens 30% verdeeld).

De indicatoren taal en opleiding kunnen wel worden vergeleken. Voor deze indicatoren stellen we vast dat er in het secundair onderwijs minder leerlingen aantikken op de indicator taal en meer leerlingen aantikken op de indicator opleiding dan in het basisonderwijs.

De evolutie van deze indicatoren, en bijgevolg ook de evolutie van de werkingsmiddelen, is moei-lijk in te schatten.

 

 

 

 

 

2010

Archief 2009

Archief 2008

Archief 2007

 


tekening
Marte Dewitte 8j.

 

Sabine Poleyn - Vlaams volksvertegenwoordiger - Otegemstraat 131, 8550 Zwevegem, 0472 27 69 99 - Tel 02 552 43 27

creatie www.soete.be