sabine
sabinevlaams parlementbuitenlandjeugdoverigeonderwijswest-vlaanderenfotoboekcontact

Schriftelijke vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Sabine Poleyn aan de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs en Vorming, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel betreffende de knelpunten in het decreet lokaal flankerend onderwijsbeleid.

Het decreet betreffende het flankerend onderwijsbeleid (FOB) van 30 november 2007 stimuleert gemeenten tot het voeren van een onderwijsbeleid. Op die manier krijgen steden en gemeenten de kans om voor alle scholen op hun grondgebied een onderwijsbeleid te ontwikkelen.

Sinds de invoering van het decreet blijken heel wat gemeenten overspoeld te worden met vragen omtrent de sociale en vooral andere voordelen. Er heerst bij de scholen onduidelijkheid over de rol die een gemeente moet of kan spelen. De koepel van het vrij onderwijs trekt aan de alarmbel over de interpretatie die vele gemeenten en VVSG (Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten) maken, met name beperkt tot gelijke kansen. Er is duidelijk een interpretatieprobleem.

In de beleidsnota kondigt de minister aan duidelijkheid te scheppen. Om de Vlaamse Regering toe te laten het decreet te evalueren, is in artikel 13 van dit decreet bovendien bepaald dat de lokale besturen jaarlijks aan de Vlaamse Regering een overzicht bezorgen van de beslissingen over de sociale en andere voordelen, evenals de staat van gedane uitgaven. Hierop heeft de Vlaamse Regering nog geen zicht. Zo leert het antwoord op een schriftelijke vraag van collega Franssen (vraag nr. 23 van 17 september 2009).

Een extra moeilijkheid voor de implementatie van het FOB is dat enkel de 13 centrumsteden middelen krijgen om dit beleid te ontwikkelen. Alle andere gemeenten die een lokaal flankerend onderwijsbeleid zouden kunnen uitbouwen, worden hiermee niet gestimuleerd of zoeken middelen elders via bijvoorbeeld Brede School-subsidies.

  1. Hoe zal de minister de interpretatieproblemen oplossen zoals aangekondigd in de beleidsnota? Is hij in overleg met de verschillende actoren?
  2. Op welke manier wordt het decreet geëvalueerd?
  3. Erkent de minister dat de verschillende financiering van de 13 centrumsteden en de andere gemeenten tot scheeftrekkingen leidt? Welke initiatieven wil de minister nemen om dit te verhelpen?

pascal smet
vlaams minister van onderwijs, jeugd, gelijke kansen en brussel

antwoord
op vraag nr. 301 van 25 maart 2010
van sabine poleyn

 

1.   Voor het antwoord op uw vraag hoe ik de interpretatieproblemen met betrekking tot sociale en andere voordelen zal oplossen, wil ik verwijzen naar mijn antwoord op de vraag om uitleg van Kathleen Helsen van 4 maart laatstleden. Zoals ik toen ook heb meegedeeld wil ik in eerste instantie de gevoeligheden en standpunten van de verschillende belanghebbenden in dit dossier in kaart brengen. Er loopt momenteel een individuele bevraging van alle steden en gemeenten om een overzicht te bezorgen van hun sociale en andere voordelen en de gedane uitgaven van het kalenderjaar 2008. Deze bevraging kan ons heel wat nuttige informatie bezorgen. In geen geval is het mijn bedoeling om via de bevraging een soort van ranking te maken van gemeenten op basis van de ondersteuning die ze bieden aan de scholen op hun grondgebied. Het is geenszins mijn bedoeling een onderlinge vergelijking te maken tussen gemeenten.
Na verwerking van de bevraging en de conclusies die we hieruit kunnen trekken, wil ik het debat heropenen met alle betrokken partners. Ik hoop dat we kunnen komen tot afstemming tussen alle betrokkenen.

2.   Deze legislatuur wil ik twee aspecten van het decreet evalueren en aanpassen. Enerzijds wil ik de interpretatieproblemen over sociale en andere voordelen oplossen (zie boven).
Anderzijds wil ik de regierol van de gemeenten duidelijker definiëren, de taken van het LOP en de gemeente beter op elkaar afstemmen en de samenwerking met het LOP evalueren en bijschaven. Daarvoor wordt samengewerkt met een werkgroep die in de schoot van de LOPS is opgericht en die de samenwerking onderzoekt vanuit het standpunt van het LOP. Anderzijds wordt er binnenkort een focusgroep opgericht waarin zal gedebatteerd worden met lokale besturen in alle formaten en gewichten. Op basis daarvan zal een conceptnota worden opgesteld en voorgelegd aan alle betrokkenen (VVSG, LOP, VLOR, koepels, overlegplatform centrumsteden,..). Ik streef ernaar de aangepaste regelgeving in werking te laten treden bij aanvang van de volgende ge-meentelijke legislatuur, januari 2013.

3.   Via subsidiebesluit dat de lopende projecten (schooljaar 2009-2010) subsidieert krijgen naast de centrumsteden ook 14 niet centrumsteden subsidies.
Zoals u weet werd op het totale budget voor projectsubsidies een besparing doorgevoerd van 5%. Het budget voor de centrumsteden voor het schooljaar 2010-2011 bedraagt 1.439.652 euro. Het budget voor de niet-centrumsteden voor het schooljaar 2010-2011 bedraagt 484.323 euro.
Momenteel kunnen alle gemeenten een beroep doen op de VVSG, aan wie een detachering is toegekend voor dit project, voor ondersteuning bij de uitbouw van hun flankerend onderwijs-beleid.
Op termijn en op voorwaarde dat er budgettaire ruimte komt, is het de bedoeling de regiefunctie te subsidiëren. Dat alles zal ook moeten gekaderd worden binnen de legislatuurplannnen van mijn collega bevoegd voor Binnenlands Bestuur.

 

 


 

2010

Archief 2009

Archief 2008

Archief 2007

 


tekening
Marte Dewitte 8j.

 

 

Sabine Poleyn - Vlaams volksvertegenwoordiger - Otegemstraat 131, 8550 Zwevegem, 0472 27 69 99 - Tel 02 552 43 27

creatie www.soete.be