Schriftelijke vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Sabine Poleyn aan de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs en Vorming, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel betreffende de knelpunten in de decreten hoger beroepsonderwijs.
Op 30 april 2009 keurde het Vlaams Parlement het decreet betreffende kwalificatiestructuur en het decreet betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs goed. Beide decreten zijn sterk met mekaar verbonden.
Zoals reeds meerdere malen aangehaald in de commissie Onderwijs, duiken er een aantal problemen op. Er zijn nog geen uitvoeringsbesluiten voor het decreet HBO en Se-n-se, de SERV wil in zijn advies van 2 december 2009 af van de rol die hem in de twee decreten is opgelegd, met name met betrekking tot de inschaling van de beroepscompetentieprofielen.
Bijkomend is er nood aan een statuut voor de lerende. Zo leert het eindrapport “Samenwerking HBO” van de VLOR dat een succesvolle trajectbegeleiding en een heroriëntering botsen op een ondoorzichtig kluwen van verschillende randvoorwaarden die met het sociaal statuut te maken hebben. Moeilijkheden treden op bij de kinderbijslag, studeren met een leefloon of werkloosheidsuitkering, financiering van de studies met opleidingscheques en met de regeling van het betaald educatief verlof.
- Heeft de minister kennis genomen van het alarmerende SERV-advies van 2 december 2009? Welk gevolg zal hij hieraan geven? Zal hij een decreetswijziging voorstellen?
- Wanneer worden de uitvoeringsbesluiten voor het decreet HBO en Se-n-se verwacht?
- Welke initiatieven zal de minister nemen om het administratieve kluwen van de HBO-student in het belang van de optimale eventuele heroriëntering te ontwarren op het vlak van het zogenaamd sociaal statuut van de student? Hoe verloopt het gesprek met de federale regering hieromtrent?
pascal smet
vlaams minister van onderwijs, jeugd, gelijke kansen en brussel
antwoord
op vraag nr. 300 van 25 maart 2010
van sabine poleyn
1. Ja. De administratie heeft de bezwaren van de SERV bij het decreet op de kwalificatiestructuur inmiddels grondig kunnen onderzoeken, zodat op korte termijn een vergadering met de SERV belegd kan worden om tot een consensus te komen. Uit dit overleg zal blijken of een decreetswijziging al dan niet nodig is.
2. De uitvoeringsreglementering voor het secundair-na-secundair onderwijs en HBO5 verpleegkunde is al uitgewerkt en dateert van 9 oktober 2009.
Voor het HBO5 zijn nog een aantal uitvoeringsbesluiten in ontwerp, zoals het besluit ter oprich-ting van de Commissie HBO en het besluit op het protocol van de kwaliteitszorg. Het besluit ter oprichting van de Commissie HBO wordt uiterlijk in juni ter goedkeuring aan de Vlaamse Rege-ring voorgelegd. Het besluit op het protocol van de kwaliteitszorg wordt momenteel gezamenlijk voorbereid door de inspectie, de NVAO, de VLHORA, de decretale stuurgroep volwassenen-onderwijs en de administratie; dit besluit kan tegen het einde van het jaar aan de Vlaamse Regering voorgelegd worden. Aangezien het in dit laatste besluit gaat over processen die pas star-ten na de programmatie, vormt dit tijdspad geen enkel probleem. Daarnaast heeft het bestuur van de NVAO inmiddels ook een kader voor de Toets Nieuwe Opleiding goedgekeurd, dat ter bekrachtiging voorgelegd zal worden aan de Vlaamse Regering.
3. Het sociaal statuut van de student is een zeer complexe aangelegenheid en omvat thema’s als studietoelagen, studiegeld, toegang tot de studentenvoorzieningen, kinderbijslag, studentenarbeid, ziekteverzekering, fiscaliteit, onderhoudsplicht, domicilie, leefloon, werkloosheidsuitkering, oplei-dingscheques, tijdskrediet, betaald educatief verlof, openbaar vervoer, studeren met een functie-beperking, verblijfswetgeving e.d. De problematiek van het sociaal statuut slaat overigens niet alleen op studenten in het HBO, maar in wezen op elke cursist of student in het post-leerplicht onderwijs.
Veel van deze aspecten hebben inderdaad betrekking op federale regelgeving, die niet altijd aan-gepast is aan de Vlaamse regelgeving of geen rekening houdt met bepaalde situaties. Ook de informatie hierover is niet altijd duidelijk en overzichtelijk.
Na de inventarisatie door de VLOR heeft de administratie Onderwijs in september van vorige jaar een projectgroep opgericht, waarin ook het beleidsdomein Werk & Sociale Economie vertegen-woordigd is en die focust op de financiële aspecten van dit sociaal statuut, die alle zeer nauw met elkaar samenhangen en zorgvuldige analyse vragen. Ik heb daarnaast aan mijn administratie de opdracht gegeven om een overkoepelende projectgroep op te starten die het geheel van initiatieven van het sociaal statuut bekijkt voor alle opleidingen in het post-leerplicht onderwijs. Die werk-zaamheden moeten toelaten om hierover met de federale regering in overleg te treden en waar nodig en mogelijk voorstellen tot aanpassing van regelgeving te doen.
|