Vraag om uitleg van mevrouw Sabine Poleyn tot de heer Geert Bourgeois, viceminister- president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand, over een impactanalyse van de bescherming als UNESCO-werelderfgoed van de slagvelden en frontzones uit de Eerste Wereldoorlog
De voorzitter: De heer Sintobin heeft het woord.
De heer Stefaan Sintobin: Voorzitter, minister, geachte leden, van het Zoniënwoud over Brugge naar de frontstreek is maar een kleine stap voor de mensheid. Eerst wil ik aan de heer Vandaele het volgende zeggen. Mijn vraag werd ingediend op 9 augustus. De andere vragen zijn er pas eind september gekomen. Het grootste deel van mijn vragen is dus deels achterhaald.
Minister, via een persbericht van Belga heb ik vorige week immers vernomen dat u uw beleid ter zake zou herzien. Toch lijkt het me belangrijk om in deze commissie nog even te debatteren over de problematiek van de erkenningen in de frontstreek. Voorzitter, ik zal mijn vragen wat inkorten, omdat ze op bepaalde punten vrij gedetailleerd en eigenlijk louter informatief zijn.
Ik wil kort de voorgeschiedenis schetsen die aanleiding heeft gegeven tot deze vragen. Iedereen weet dat de frontstreek in Vlaanderen reeds in 2002 werd opgenomen in de indicatieve lijst voor UNESCO Werelderfgoed. Het Vlaamse Gewest zorgde tussen november 2002 en eind mei 2005 via een samenwerkingsverband met de provincie West- Vlaanderen voor een volledige inventarisatie van de relicten uit de Eerste Wereldoorlog in de Westhoek. De resultaten van het project werden verwerkt in een speciaal daartoe opgebouwde database die ondertussen toegankelijk is via de website van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE).
Een van de voorwaarden voor deze internationale prestigieuze erkenning als UNESCO- Werelderfgoed was het maximaal inzetten van eigen instrumenten en middelen ter bescherming van dat erfgoed. Zo volgde de voorbije jaren het tweede deel van de werkzaamheden, namelijk de wettelijke bescherming. Hierbij werd geopteerd voor een thematische aanpak. In mijn tekst vindt u dan een lijst van beschermde items.
Tegelijkertijd wordt er ook op planologisch niveau gedacht. Om al deze relicten in hun landschappelijke context te plaatsen zal een Gewestelijk Uitvoeringsplan (GRUP) worden uitgewerkt. Op de website van het Departement internationaal Vlaanderen staat: “Het belang
van de gebeurtenissen die zich nu bijna honderd jaar geleden hebben afgespeeld in België en Noord-Frankrijk wordt alom erkend. Een erkenning als UNESCO-Werelderfgoed zou een passende herinnering vormen. Daarom heeft Vlaanderen het plan opgevat om de getuigenissen van de Eerste Wereldoorlog in de Westhoek in 2014 als UNESCO- Werelderfgoed voor te stellen.”
Minister, we hebben u in de vorige legislatuur altijd gesteund in het project Honderd Jaar Groote Oorlog 2014-2018. Dat doen we nu nog. Die UNESCO-erkenning sluit natuurlijk aan bij dat project. Wij hebben net als de Westhoekburgemeesters tijdens het overleg altijd kritische bedenkingen laten horen over de plannen. Wij vinden dat er mogelijkheid moet zijn voor een economische ontplooiing van de regio. Dat is het punt waar de Westhoekburgemeesters voor beducht zijn, hoewel zij ook erkennen dat de hele zaak aanzienlijke toeristische en cultuurhistorische potenties biedt voor de regio. Men is een beetje bang dat er nog weinig ruimte overblijft voor bedrijvigheid en economie.
De Westhoek is grotendeels een landbouwregio die streeft naar schaalvergroting, onder andere door de installatie van mestverwerking en biogas. Men vraagt zich dan ook af welke invloed dit zal hebben op de landbouw.
Mijn vragen zijn al gedeeltelijk achterhaald, maar ik zal ze stellen voor de volledigheid van het verslag. In hoeverre wordt tijdens de voorbereiding van dit UNESCO-dossier door het Vlaamse Gewest rekening gehouden met de door het Westhoekoverleg geschetste aandachtspunten zoals de ruimte voor bedrijvigheid? Is het niet de hoogste tijd dat de betrokken gemeentebesturen in de Westhoek planologisch zicht krijgen op de gevolgen van een mogelijke definitieve erkenning van de frontstreek als werelderfgoed?
Naar aanleiding van uw bezoek aan Torhout werd vorige dinsdag een persbericht verspreid. U zult de hele zaak herzien. U vindt dat het politieke en bestuurlijke draagvlak voor deze bescherming beperkt is en dat de bescherming risico’s inhoudt voor de landbouw en de ondernemingen. Klopt dat, minister? Misschien kunnen de vragen van de collega’s tot verdere discussie leiden.
De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.
Mevrouw Sabine Poleyn: Voorzitter, minister, ik heb een vraag over hetzelfde dossier. De vorige regering heeft geprobeerd om het erfgoed van de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen te laten erkennen als UNESCO-Werelderfgoed. Toen dacht men eraan om naast de begraafplaatsen, de momenten op de eigenlijke slagvelden en de frontlijn te laten erkennen. Ik herinner mij een schriftelijke vraag die sprak van een “integrale en flexibele” manier. Dat zijn twee belangrijke woorden voor mij, vooral het flexibele. Men wou dit doen via ankerplaatsen en erfgoedlandschappen.
In de commissievergadering van 2 juni 2010 gaf u aan dat u dit idee van erfgoedlandschappen verlaat en denkt aan de combinatie van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening voor een projectzone en enkele RUP’s om de erfgoedwaarde veilig te stellen om zo enkele WOI-slagvelden en -frontzones te beschermen. Het doel hierbij is de erkenning als UNESCO-Werelderfgoed. Ondertussen hoorde ik u op tv zeggen dat u afziet van de totale bescherming van de frontlijn. Het is mij niet zo duidelijk of het gaat over het ‘oude nieuws’ van vóór juni of dat u een derde spoor hebt getekend om uiteindelijk toch die aanvraag te doen voor UNESCO-Werelderfgoed.
Minister, kunt u een duidelijke afbakening maken van de projectzone? Is die al volledig afgebakend? Is dat al gekend? Kunt u ons dat bezorgen? Is dit vastgesteld door het Agentschap Ruimte en Erfgoed of het Vlaams Instituut Onroerend Erfgoed (VIOE)?
Wat betreft de stedenbouwkundige verordening, op welke manier wilt u hierbij de erfgoedwaarde veilig stellen? Welke gevolgen zal ze hebben voor landbouw en economie?
Voor bouwen en verbouwen? Voor de ruimtelijke ordening? U begrijpt dat deze vragen sterk leven op het terrein. Ze moeten serieus worden genomen.
Wat wilt u zeker opnemen in deze verordening? Wat betekent de bescherming concreet? Op welke manier zult u vooraf de impact op landbouw, economie en ruimtelijke ordening inschatten? Doet u normaal gezien vooraf een impactanalyse?
Welke lering trekt u hieruit in het licht van de conceptnota Onroerend Erfgoed die u in juli hebt voorgelegd aan de Vlaamse Regering over de hervorming van de sectorale instrumenten Onroerend Erfgoed?
U verliet – toen alleszins niet – niet geheel het denkspoor van de RUP’s. Voor welke zones voorziet u dan wel in ankerplaatsen en RUP’s?
Hoever staat u in de voorbereidingen van beide denksporen? Is er nog een ander denkspoor? Wat houdt dat dan in? Wat is uw timing? Is die nog realistisch om 2014-2018 te halen?
Hoe verloopt het overleg met de betrokken actoren, gemeenten, provincies, eigenaars, gebruikers, landbouwverenigingen en Westhoekburgemeesters? Wie wordt erbij betrokken? Wanneer hebt u met de betrokkenen samen gezeten? Wat plant u nog op korte termijn?
Zal deze bescherming voldoen voor de UNESCO, gezien onze ervaring in andere dossiers? Hebt u gesproken met hun diensten? Ik dacht dat u gezegd had dat u een gesprek zou hebben. Wat was het resultaat?
Wat is de opdracht en samenstelling van het begeleidende wetenschappelijk comité van de UNESCO? Hoe verlopen de afspraken inzake het internationale dossier met Noord-Frankrijk en eventueel ook Wallonië? Hoe ver staan zij? Zijn wij nog mee met de voorbereiding? Zitten we op dezelfde lijn?
De voorzitter: De heer Verfaillie heeft het woord.
De heer Jan Verfaillie: Voorzitter, minister, collega’s, de herdenking van de Groote Oorlog
1914-1918 biedt voor de Westhoek enorme kansen, onder meer op het gebied van toerisme. Hopelijk wordt de streek verder en blijvend toeristisch ontwikkeld, en meer dan ooit op de kaart gezet. Ik heb mijn vraag ingediend op 27 september, een dikke maand na uw vraag, collega. Op dat moment had ik nog geen weet van de toespraak van de minister in Torhout. Dat ligt niet in de Westhoek maar wel in de provincie West-Vlaanderen.
Heel belangrijk, minister, ik neem er akte van dat u afstand zou doen van uw oorspronkelijk plan om de volledige Westhoek te laten beschermen als UNESCO-Werelderfgoed, en dat u zich schaart achter het advies van de Westhoekburgemeesters. We hebben het dossier van meet af aan ter harte genomen. Het stond meermaals op de agenda van onze vergaderingen. We hadden bezwaren bij de volledige bescherming van de Westhoek. Dat kan immers een zware hypotheek leggen op de toekomst. Ik heb er alle begrip voor dat er moet worden bekeken hoe bepaalde zaken duurzaam voor de toekomst kunnen worden beschermd, maar de volledige Westhoek laten erkennen als werelderfgoed, zal ongetwijfeld zeer verregaande gevolgen hebben voor de economische en andere ontwikkelingskansen van de regio.
Minister, ik wil u enkele vragen stellen die deels afwijken van mijn schriftelijk ingediende vraagstelling. Blijft u bij uw voornemen dat u hebt verkondigd in Torhout om af te zien van een volledige bescherming en enkel een aantal heel specifieke zaken te beschermen? Hoe ziet u het dossier verder evolueren? Hoe kan het parlement, los van krantenartikels, betrokken worden en op de hoogte worden gehouden van de stand van zaken?
Westhoekgemeenten spelen in dezen een heel belangrijke rol. Er is al dialoog geweest met uw diensten, maar het is heel belangrijk dat de lokale gemeentebesturen, die meer dan ooit de situatie ter plaatse kennen, bij eventuele beleidsplannen of eventuele plannen om een aantal sites of regio’s te beschermen, van zeer dichtbij worden betrokken. Zij kennen immers meer
dan ooit de ruimtelijke ordening. De Westhoekburgemeesters wensen daar betrokken bij te blijven.
De voorzitter: De heer Van Mechelen heeft het woord.
De heer Dirk Van Mechelen: Voorzitter, minister, collega’s, als niet-West-Vlaming praat ik met enige schroom over dit thema. Met alle respect voor de burgemeesters van de regio, maar we praten wel over werelderfgoed. Ik zou dan ook deze dimensie willen behouden.
Collega’s, eenieder weet dat de frontzones die op dit ogenblik nog schitterend zijn bewaard en nog heel gaaf zijn, een uniek erfgoed betekenen omdat de Eerste Wereldoorlog de eerste moderne oorlog was. Het kan cynisch klinken, maar het was de eerste oorlog waarin men afstapte van de Napoleontische gevechtstechnieken en voor het eerst in een soort stellingenoorlog terecht kwam. De vraag die zich stelt, is hoe we met dat verleden zullen omgaan en hoe we hetgeen nu bijna 100 jaar gaaf is bewaard, de volgende decennia zullen bewaren voor degenen die na ons komen.
Ook zeer interessant is dat ondertussen de ontsluiting van dat erfgoed via de digitale revolutie op een bijna sensationele manier mogelijk is, waardoor heel de frontzone van een toeristisch zeer groot belang wordt voor de hele regio en, bij uitbreiding, voor Vlaanderen. Daarom verdient het onze bijzondere aandacht.
Minister, er is een vraag gesteld op 2 juni. U hebt toen gezegd dat u de piste van ankerplaatsen en erfgoedlandschappen niet zou volgen omdat dat nogal wat tijd kost en bijkomende voorbereiding. Alhoewel, de Eerste Wereldoorlog duurde van 1914 tot 1918. We hebben dus eigenlijk tot 2018 de tijd om ons doel te bereiken. Ik zou me dus niet zo focussen op 2014, buiten het feit dat we dan een andere oorlog moeten uitvechten in Vlaanderen. Het gaat hier over een langetermijnvisie en hoe we dat aanpakken. Kunnen we resultaten boeken in 2014, dan is dat mooi meegenomen. Hebben we daar meer tijd voor nodig, ‘don’t worry’, we zijn aan het werken voor mensen die na ons komen en die we ons erfgoed zo ongeschonden mogelijk willen doorgeven.
Moeten we die 600 vierkante kilometer onder een stolp zetten? Ik heb op 2 juni ook al gezegd dat dat niet de bedoeling is. Wie zou dat overwegen? De vraag is: hoe springen we daarmee om? U hebt toen in de commissie gezegd dat u zult werken met een gewestelijke stedenbouwkundige verordening voor de projectzone. Dat is de reden voor mijn vraag. Ik ken het systeem van gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen, en ik vond dat nogal vreemd. Naar aanleiding daarvan heb ik een aantal vragen gesteld aan minister Muyters over die stedenbouwkundige verordening.
U weet dat er op dit ogenblik vier stedenbouwkundige gewestelijke verordeningen zijn uitgevaardigd: een algemene bouwverordening omtrent voetgangersverkeer, een verordening over hemelwaterafvoer, een verordening openluchtrecreatieve verblijven in verband met de problematiek van de weekendzones in Vlaanderen en de stedenbouwkundige verordening over de toegankelijkheid van gebouwen. In al die gevallen gaat het om een verordening over een zeer specifiek thema of onderwerp waarbij het telkens de bedoeling was dat die in heel Vlaanderen voor iedereen op dezelfde manier van kracht zou zijn. Dat is de kracht van een stedenbouwkundige verordening.
De slagvelden van de Eerste Wereldoorlog zijn in tegenstelling daarmee juist gekenmerkt door diversificatie en veelzijdigheid. Ik geef een voorbeeld: het slagveld van de Zilveren Helmen is totaal anders dan de frontzone en de boog rond Ieper. Bovendien is iedereen het erover eens dat om ervoor te zorgen dat deze plaatsen leefbaar blijven in alle opzichten van het woord, mijnheer Verfaillie, duidelijke keuzes moeten worden gemaakt. Ook hier is weer de vraag: kan men een stedenbouwkundige verordening die algemeen van kracht is voor de frontzone, dermate specifiek maken voor gebied A zodat ze niet als een tang op een varken slaat voor gebied B.
Minister, toen u in juni sprak over de piste van de stedenbouwkundige verordening, vroeg ik me na wat bezinning af of dit wel het instrument is waarmee we uit de problemen raken om een eerste snelle conservatie te kunnen doen. Ik had ook de indruk uit het schriftelijke antwoord van minister Muyters dat hij niet mee was op de piste van de stedenbouwkundige verordening om onze slagvelden te bewaren. Daarom heb ik enkele vragen.
Minister, is er een consensus in de Vlaamse Regering om een stedenbouwkundige verordening uit te vaardigen als instrument voor het beschermen van de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog? Wordt erover overlegd? Hoe loopt dat?
Op welke basis hebt u in uw antwoord van 2 juni verklaard dat de piste van een stedenbouwkundige verordening als het ware verworven was en zal worden gevolgd? Wat zijn de belangrijkste uitgangspunten van die stedenbouwkundige verordening, en wat zijn de eventuele knelpunten die nog moeten worden uitgeklaard?
Mijn volgende vragen sluiten aan bij wat de collega’s al hebben gevraagd. U zei dat een stedenbouwkundige verordening onvoldoende is en we daarnaast ook moeten werken met ruimtelijke uitvoeringsplannen. Hoe ver staat het daarmee? Op welke manier gaat u de administratie Ruimtelijke Ordening vatten met die vraag om de erfgoed-RUP’s te maken? Bij mijn weten is er op dit ogenblik een serieuze opstopping in de werkzaamheden. Is dat dan wel realistisch? Voor welke zones worden op dit ogenblik voorbereidingen getroffen?
Bij deze vragen heb ik maar één bezorgdheid en dat is om er vandaag, morgen of overmorgen voor te zorgen dat onze slagvelden, waar bloed is gevloeid, op de meest adequate manier beschermd zouden worden, zonder afbreuk te doen aan de terechte behoefte tot verdere ruimtelijke dynamiek.
De voorzitter: De heer Vandaele heeft het woord.
De heer Wilfried Vandaele: Voorzitter, minister, zoals het gebouwde erfgoed zeer belangrijk is voor een stad als Brugge, is het oorlogserfgoed bijzonder belangrijk voor de frontstreek, de Westhoek, en trouwens ook voor andere plaatsen in West-Vlaanderen. Ook hier gaan erfgoed en toerisme samen. Er zijn niet alleen de materiële relicten waarover we het al hebben gehad vandaag, maar ook het grote verhaal van oorlog en vrede dat daaraan vast hangt en dat een mondiaal verhaal is.
Op welke wijze de bescherming best gebeurt, daarover wil ik me nu niet uitspreken. Ik heb me in een vorig leven nog ingespannen voor Pilkem Ridge, en dat er zorgvuldig moet worden omgegaan met dat erfgoed, zoals de heer van Mechelen zegt, dat lijkt me duidelijk. Dat het belang groter is dan een lokaal belang, een West-Vlaams belang of zelfs een Vlaams belang, lijkt me ook duidelijk. Dat daarnaast ontwikkelingsmogelijkheden moeten blijven bestaan voor de verschillende sectoren, waaronder de landbouw, ook daar zijn we het met zijn allen over eens.
Minister, we hebben ondertussen uw visie kunnen horen en lezen. Met dat in het achterhoofd, heb ik een beetje het gevoel dat het hele werelderfgoedverhaal misschien op een verkeerde manier in de regio is verteld en er wellicht wat paniek is gezaaid waar dat niet nodig was.
De heer Bart Caron: Ook vandaag staat nog op de website van het Departement internationaal Vlaanderen onder de titel ‘Groote Oorlog’ dat een erkenning als Unesco- werelderfgoed een passende herinnering zou worden aan die grote oorlog. Ook vandaag is dat nog aan de orde.
Ik ben geen expert in ruimtelijke ordening. Ik ga dat voorbehoud in mijn eigen uiteenzetting inbrengen. Ik kan niet oordelen over het instrumentarium uit de ruimtelijke ordening, dat misschien even sterk zou zijn als een bescherming in het kader van de UNESCO. Maar ik wil voor een maximale benadering gaan van die herinnering, het landschap en de relicten die in de Westhoek aanwezig zijn.
Er leeft nog altijd hetzelfde misverstand – ik zou bijna zeggen vooroordeel – alsof erfgoed economische ontwikkeling zou tegengaan en bemoeilijken. Dat is niet zo. Zoals de heer Vandaele zegt, is het erg genoeg. Het is jammer en cynisch om het te moeten zeggen, maar vandaag is net het oorlogserfgoed de grote toeristische troef van dezelfde Westhoek, samen met het landschap. Ze gaan onvermijdelijk samen, en daarom is het naar mijn bescheiden mening ook gepast om de landschappelijke benadering als de werelderfgoedbenadering van de relicten van de kerkhoven bijvoorbeeld en de gebouwen en de monumenten op die sites niet te scheiden. Ik pleit voor een instrumentarium dat een algemene benadering inhoudt. Het zou kunnen dat we vandaag in Vlaanderen nog niet beschikken over dat ideale instrument, maar ik wil in ieder geval af van het altijd terugkerende idee dat erfgoed een belemmering is in de ontwikkeling. Hier is erfgoed een troef voor de ontwikkeling, en ik zou graag hebben dat mijn geachte collega’s en burgemeesters van de Westhoek die troef erkennen, en inzien welke eer het zou zijn voor de Westhoek en welke ontwikkeling daaruit voortkomt. Het zal niet de ontwikkeling van de grote industrie zijn. Dat weet ik ook wel.
Ik wil van dat misverstand af. Dat is mijn bekommernis. Minister, ik roep u op om dat vol te houden. U zegt in de meest gelezen krant van dit land, de Krant van West-Vlaanderen, naar aanleiding van uw toespraak in Torhout: “Ondernemers, landbouwers en vakorganisaties vrezen dat de strikte maatregelen de dynamiek van de streek zouden afremmen. Ik begrijp die bezorgdheid en daarom heb ik ervoor gekozen om niet over te gaan tot de bescherming van de frontzone in haar geheel.” Er kan een beter instrument zijn, en daarom mijn voorbehoud bij het instrumentarium, maar ik wil bij u toch pleiten voor een beetje politieke moed in dit dossier.
U komt uit een politieke familie, minister, die de traditie van erfgoedzorg draagt. Uw voorgangers – bij een van heb ik trouwens kunnen werken – hebben er veel voor gedaan. Die aandacht voor het erfgoed gaat in de geschiedenis tot 20 jaar ver. Ik zou graag een warme oproep doen om dat vol te houden en een beetje koppig te zijn, een beetje moedig zijn en ook het schijnbare misverstand alstublieft te ontzenuwen. Ik pleit voor een maximale toepassing, niet om de Westhoek onder een stolp te zetten of, letterlijk onder zijn oorlogsrelicten, te begraven, maar net om dat kenmerk van het landschappelijke met de oorlogsherinnering te ontwikkelen. Die oorlogsherinnering die overal in de wereld vandaag de dag zo belangrijk wordt en die in 2014-2018 voluit ontwikkeld en nog versterkt zal worden ten opzichte van vandaag, is toch een ongelooflijke troef voor de streek. Ik kan niet anders dan het op die manier te zeggen. Welk soort Westhoek willen we? Mijnheer Verfaillie, ik zal daarvoor niet in uw plaats treden, maar ik wil de vraag stellen. Welk soort Westhoek wilt u en willen de burgemeesters? Is er voldoende plaats om die combinatie te maken?
Ik heb een technische vraag voor de minister. Ik heb begrepen dat de Vlaamse Bouwmeester een internationale opdracht heeft uitgeschreven voor de ontwikkeling van een ‘remembrance park’ in de Westhoek. Heeft die opdracht iets te maken met dit dossier of staat het er los van? Wat is de draagwijdte?
Ten slotte heb ik nog de vraag of het andere instrumentarium dat u in de ruimtelijke ordening wilt inzetten even krachtig is als het UNESCO-erfgoed. Hebt u dat denkspoor helemaal verlaten en hebt u daarover in de regering al een beslissing genomen? Want ik lees het op de website van uw collega bevoegd voor het internationale beleid op een andere manier. Mevrouw Mercedes Van Volcem: Ik wil een kleine aanvulling maken. Voor de Westhoek kan een label van UNESCO uiteraard een toeristische troef zijn, maar ik moet wel zeggen – en dat kunt u lezen in alle recente publicaties van UNESCO – dat het toerisme op zich eigenlijk geen argument is voor een erkenning, integendeel. Men heeft daar zelfs een beetje schrik van. Er is steeds meer kritiek dat UNESCO leidt tot de consumptie van het erfgoed en daar zou ik toch ook willen op wijzen. Ik begrijp dat u als minister van Erfgoed, maar ook van Toerisme altijd beide bekijkt, maar ik denk ook dat erfgoed meer dan dat moet zijn en dat men ergens een balans moet hebben tussen het erfgoed op zich dat kan worden uitgebaat, hoe
mensen er kunnen wonen en hoe men het authentieke en vooral bij kerkhoven het intimistische karakter en de stilte zal kunnen bewaren in combinatie met de toeristische troef die u vooral beoogt.
De voorzitter: Minister Bourgeois heeft het woord.
Minister Geert Bourgeois: Ik ga proberen te komen tot een gecoördineerd antwoord en ook een beetje geschiedenis te geven omdat deze vragen voor mij de aanleiding waren om even terug te keren in het verleden van dit dossier waarin vroeger al heel wat gebeurd is en ook al heel wat beslist werd. Ik wil vooraf zeggen, een beetje ingaand op de laatste discussies, dat er een aantal zaken tegelijk lopen die heel belangrijk zijn voor de Westhoek. Er is inderdaad het toeristische aspect, voorzitter, waar we heel veel in willen investeren. Ik ben ervan overtuigd dat het een belangrijke impuls kan geven voor de Westhoek op economisch en toeristisch vlak. Het is een troef van Vlaanderen die zorgt voor tewerkstelling in de streek, die heel specifieke kenmerken heeft, die de frontzone is, die geen aaneengeschakeld stedelijk gebied is en waar nog een paar van de laatste echte plattelandsdorpen van Vlaanderen zijn, waar zich geen grote industrie bevindt en waar de troeven van die frontzone kunnen worden uitgespeeld. Dat gebeurt nu met goed succes.
Ik kom heel vaak in de streek, op allerlei herinneringsplaatsen en ik moet zeggen dat toerisme en erfgoed daar niet tegenover elkaar staan. U moet eens naar Tyne Cot gaan. Ik denk dat het een van de meest bezochte monumenten is. Ik kom daar heel veel, soms een keer per week. Ik ga daar graag een beetje wandelen en nadenken. Er komen heel veel mensen, maar het is geen toerisme dat op andere plaatsen vaak choquerend is en waar men geconfronteerd wordt met mensen die de plaats onteren of ontheiligen. Iedereen die er komt, doet dat met grote piëteit. De zaken zijn combineerbaar. Ik moet zeggen dat alle plannen die nu ingediend zijn, schitterende initiatieven zijn. Er zijn er veel te veel, want we hebben maar 15 miljoen euro. Dat is eigenlijk veel geld, maar er zijn heel veel plannen ingediend voor meer bedragen. Het zijn allemaal heel bijzondere en goede plannen die heel nuttig zijn en daarbij een aanvulling vormen.
Een andere zaak is het internationale aspect. De heer Caron verwijst terecht naar wat op de website staat. Op de website van het Departement internationaal Vlaanderen staat hopelijk ook nog meer. Het is immers ook de bedoeling om daar een internationale dimensie aan te geven, alsook een vredesdimensie. U herinnert zich de Verklaring van Ieper. Die contacten worden voortgezet. Er zijn samenwerkingsakkoorden van het Departement internationaal Vlaanderen met andere landen. Ook dat wordt verder uitgewerkt. Een aantal van die gemeentebesturen wil ook heel sterk inzetten op dat internationale karakter en op het aantrekken van mensen uit het buitenland, ook met speciale ontmoetingsplaatsen en dergelijke meer.
Een volgend aspect is het Herinneringspark, een initiatief met de Vlaamse Bouwmeester. Een aantal mensen had dat idee destijds ontwikkeld. Dat project loopt nu. Het kan hier natuurlijk niet los van worden gezien. Het beoogt de ontsluiting van het landschap vanaf Nieuwpoort tot in het zuiden. Daar is een internationale wedstrijd voor uitgeschreven. Het voorstel voor gunning gaat nu naar de Inspectie van Financiën. In principe zal er binnenkort dus een gunning kunnen gebeuren. Ik heb daar de precieze gegevens niet van bij, misschien kunnen we dat eens op een ander moment bespreken.
Dat is uiteraard op een onafhankelijke manier gejureerd en behandeld. Ik heb me daar niet in gemengd, maar ik heb gehoord dat er heel veel internationale belangstelling was en dat de kwaliteit heel hoog was.
Een laatste aspect is het erfgoed. Iedereen in deze commissie zal erachter staan dat wat zo kostbaar is, alle relicten op allerlei vlakken, beschermd wordt. Een bijkomende opgave is om aan wat al beschermd is, nog de bijkomende dimensie van UNESCO-werelderfgoed te proberen geven. Dat is geen zekerheid, welk voorstel we ook indienen.
Maar die bescherming moet sowieso gebeuren, laat daar geen twijfel over bestaan. Die lijn is getrokken door voorgangers en wordt nu ook doorgezet. Ik heb een beetje gegraven in de geschiedenis van dit dossier, en het eerste wat ik ervan terugvind, is een mededeling van toenmalig minister Van Grembergen van 13 juli 2001. Die laat weten dat hij als minister, bevoegd voor Monumenten en Landschappen, het oorlogserfgoed van Wereldoorlog I zou voordragen voor een erkenning als UNESCO-werelderfgoed. Ook in latere persmededelingen van de heer Van Grembergen lezen we dat hij de oorlogskerkhoven en -gedenktekens in de Vlaamse Westhoek wil opnemen in de lijst van het culturele werelderfgoed.
In 2002 liet België als lidstaat zijn indicatieve werelderfgoedlijst bij UNESCO aanvullen en actualiseren. Onder meer het voorstel van de heer Van Grembergen, om de getuigen van Wereldoorlog I te laten erkennen als werelderfgoed, werd opgenomen op die indicatieve lijst. Het voorstel luidde: ‘Lieux de mémoire et monuments de la Grande Guerre’. De bijbehorende tekst geeft duidelijk aan dat het voorstel zich niet meer wil beperken tot enkel de oorlogskerkhoven en -gedenktekens. Ik citeer: “La région conserve de plus des éléments de l’architecture militaire tels que bunkers, miradors etcetera qu’il faudra également prendre en considération.” De uitbreiding die toen, in 2002, voorlag, betrof dus de monumenten en de materiële constructies.
Het was de bedoeling om tot een selectie van relicten te komen, omdat die een representatieve getuigenis vormen van die verschrikkelijke oorlog. Ik wil ook benadrukken dat er op dat moment geen sprake was van het beschermen van gebieden. Om de meest representatieve oorlogrelicten te kunnen selecteren en voordragen aan UNESCO, wilde Vlaanderen werk maken van de inventarisatie van het oorlogserfgoed. Ik citeer opnieuw:
“Dès 2004 permettra la vue d’ensemble ainsi obtenue permettre de juger s’il vaudra ou non sélectionner des cas représentatifs.”
Ten gevolge van die beslissingen is dan tussen 2002 en 2005 een grootschalig inventarisatieproject gehouden van het bouwkundige erfgoed van Wereldoorlog I. Ik wil benadrukken dat dat een samenwerkingsverband was tussen de provincie West-Vlaanderen en het toenmalige Monumenten en Landschappen.
De klemtoon lag op de inventarisatie van materiële en bovengrondse relicten, zoals bunkers, schuilplaatsen, gedenktekens, militaire begraafplaatsen en noodwoningen. In 2007 is die inventaris gekoppeld aan de VIOE-databank van het bouwkundige erfgoed, zodat die informatie vlot ontsloten kon worden voor het grote en geïnteresseerde publiek. Je kunt dat allemaal terugvinden op de website van VIOE.
Gedurende die periode is het UNESCO-dossier voor de Westhoek steeds gedragen door de betrokken partners en de lokale besturen. Die gedragenheid door de lokale overheden is bijzonder belangrijk, mijnheer Caron, omdat je met beheersplannen moet werken. Ik refereer even aan onze discussie van daarstraks over Brugge: je moet meer doen dan het alleen maar voordragen, je moet er ook plannen rond hebben. Die gedragenheid was er, en er was zelfs een heel goede samenwerking op dat moment, zoals ik eerder al zei.
Iemand vroeg naar de regeringsbeslissingen, maar die zijn er bij mijn weten niet. Het dossier is tijdens de vorige regeerperiode grotere proporties gaan aannemen tussen 2006 en 2009. De heer Van Mechelen, die toen bevoegd was voor Onroerend Erfgoed, heeft het toen gehad over de hele frontzone. Die was volgens berekeningen van de Inspectie van Financiën 600 vierkante kilometer groot. Daarbij zou dan een inventaris moeten worden gemaakt.
De heer Van Mechelen zei dat men zich niet zou beperken tot de bescherming van relicten. Met de hulp van het instrument ‘ankerplaatsen-erfgoedlandschappen’ wou hij grotere gebieden, onder meer slagvelden, behouden en beheren. Een voorbeeld, dat ook in een vraag om uitleg werd aangehaald, is de Ieperboog, 28 kilometer lang en 8 kilometer breed. Ik heb echter geen officieel standpunt van de Vlaamse Regering teruggevonden. Het kan zijn dat het bestaat, maar de administratie heeft geen weet van een regeringsbeslissing die zegt dat het
standpunt van 2002 wordt aangepast om tot een totale, omvattende benadering van die zone van 600 vierkante kilometer te komen.
In de beleidsbrief van 2006-2007 kondigde de minister aan om een actieplan op te stellen voor ‘het inventariseren, het behoud en de eventuele bescherming van erfgoed uit de Eerste Wereldoorlog’. Dat actieplan was noodzakelijk om tot die verruimde visie inzake het UNESCO-dossier te komen. In die beleidsbrief werd ook aangekondigd dat daar de nodige financiële middelen voor zouden worden uitgetrokken.
De inventaris van 2005, collega’s, voldeed duidelijk niet meer aan die optie. Het VIOE kreeg daarom de opdracht om de integrale inventaris, met bijhorend waarderingsonderzoek, vorm te geven. Die inventaris is gestart. Er zijn verschillende beschermingsdossiers van bouwkundige relicten opgestart. Een aantal daarvan is ook al afgerond.
Bij mijn aantreden als minister heb ik die situatie geërfd. Ik heb geen actieplan aangetroffen. De inventaris moest ook nog beginnen. Die is gestart in november 2009. Ik had bij mijn aantreden dus alleen nog maar de inventaris die was uitgevoerd onder het ministerschap van Paul Van Grembergen. Door het feit dat de inventaris nog moest worden uitgevoerd, zal het duren tot midden 2011 voor we erover kunnen beschikken. Het beschermingstraject is volledig afhankelijk van het inventarisatietraject. De beschermingskalender zou dus pas in
2011 kunnen worden afgerond.
Ik heb dan bekeken hoe we dat instrumenteel kunnen aanpakken. Ik ben doorgegaan op de idee om heel dat gebied op de een of andere manier te kunnen voordragen als werelderfgoed bij UNESCO. Dat is een enorm gebied. Het is niet evident om daar een coherente visie voor te ontwikkelen. De ankerplaatsen zijn volgens de administratie geen werkbaar instrument gebleken. Het instrument van de ankerplaats heeft zich tot nu toe op slechts één plaats vertaald tot een erfgoedlandschap, met name voor een park in Brasschaat. Het is dan ook heel delicaat om de ontwikkeling van een heel groot gebied, de hele Westhoek, te laten afhangen van een instrument waarvan we momenteel nog niet kunnen inschatten wat de voor- en nadelen zijn. Op zich is de ankerplaats niet het bescherminginstrument, het creëert wel een zorgplicht voor overheden, dus ook voor lokale overheden. Het was een voornemen, een plan, een optie die op heel wat bezwaren stuitte, vooral dan van de lokale overheden.
Het is de bedoeling om het UNESCO-dossier ten laatste in 2013 in te dienen in functie van een eventuele erkenning in 2014. Zelfs wanneer die inventaris midden 2011 klaar is, kan men, met de creatie van het nodige draagvlak en met voldoende structureel lokaal overleg, niet klaar zijn tegen 2013. Het is niet de bedoeling om die ankerplaatsen vast te leggen boven de hoofden van de lokale besturen. Het is de bedoeling dat te doen in overleg en participatie met de lokale overheden zodat zij zoveel mogelijk betrokken worden bij het voorstel tot erkenning als werelderfgoed.
Een eerste toelichting op het Westhoekoverleg alsook een eerste overleg met de provincie
West-Vlaanderen is al gebeurd. Ik wil dat overleg structureel voortzetten.
Zoals eerder al gezegd heb ik mijn twijfels over het instrument van de ankerplaats. Er is overleg geweest met de diverse administraties. Uiteindelijk is op 23 september jongstleden beslist niet meer te werken met het instrument van de ankerplaatsen.
Wat het instrument van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening (GSV) betreft, heeft de heer Van Mechelen gelijk. Ik heb in de commissie gezegd dat het een voorstel was dat door mijn administratie geformuleerd was om te werken met een specifieke gewestelijke stedenbouwkundige verordening voor de projectzone. Tegelijkertijd heb ik er ook bij gezegd dat ik daarover overleg pleeg met minister Muyters en met onze beider administraties, het departement RWO, Ruimte en Erfgoed en het VIOE.
Op een schriftelijke vraag van 22 juni, enkele weken na die vraag om uitleg, heb ik gezegd dat mijn administratie momenteel een onderzoek voert naar de verschillende instrumenten, waaronder de GSV, die kunnen worden ingezet in functie van het behoud van de slagvelden. Op basis van de afweging van de diverse voor- en nadelen, heb ik gezegd te zullen concluderen wat de toepassingsmogelijkheden zijn van ieder instrument, en dus ook de GSV, in functie van het behoud van de slagvelden.
Het overleg met minister Muyters en met de diverse administraties heeft regelmatig plaatsgevonden in de zomer waarbij de juridisch-technische mogelijkheden van het instrument zijn onderzocht voor het UNESCO-dossier Wereldoorlog I. Het instrument voor dat omvangrijke gebied van meer dan 600 vierkante kilometer, bleek niet functioneel. Het gebied is ook enorm divers en complex, waardoor het onmogelijk is om via gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen te komen tot een duurzaam behoud en beheer van het aanwezige erfgoed.
Na uitvoerig overleg is op 23 september beslist dat deze optie niet kan leiden tot de doelstelling die we voor ogen hebben. Ik heb dan ook niet beslist om de actie stop te zetten, om tot een erkenning te komen van het werelderfgoed door UNESCO. Ik heb beslist dat we moeten inzetten op een andere aanpak. Ik blijf inzetten op de bescherming van de monumenten. Dat is een constante in het Vlaamse beleid.
Bijkomend aan die relicten en die lieux de mémoire die op de aanvankelijke lijst stonden, wil ik ook selectief kleinere landschapsgehelen of archeologische sites beschermen als landschap en eventueel ook ruimtelijk verankeren waar dat kan.
Door de nadruk te leggen op relicten in plaats van gebieden, keer ik grotendeels terug naar het originele voorstel van 2002. Het grote verschil is wel dat ik een integrale aanpak beoog, waarbij niet alleen bouwkundig erfgoed maar ook landschapselementen en archeologische relicten kunnen worden opgenomen in het UNESCO-dossier.
Mijn administratie heeft bekeken welke beschermingsinstrumenten het best worden ingezet, want zoals de heer Verfaillie terecht opmerkt, verlangt de UNESCO dat de beschermingen eerst op nationaal niveau worden gerealiseerd, vooraleer kan worden overgegaan tot een UNESCO-erkenning.
Wat het beschermingstraject betreft, zal ik kiezen voor twee sporen. Het eerste beschermingsspoor richt zich op de bescherming van het bouwkundig erfgoed. Het betreft materiële en bovengrondse relicten zoals militaire begraafplaatsen, gedenktekens, bunkers, schuilplaatsen en noodwoningen. De beschermingen staan in functie van de herdenkingen van de Eerste Wereldoorlog en beperken zich trouwens niet tot West-Vlaanderen. De beschermingen bevatten dus veel meer dossiers dan diegene die aan de UNESCO worden voorgelegd.
Het bouwkundig erfgoed dat is beschermd of zal worden beschermd, is geselecteerd op basis van de inventaris Bouwkundig Erfgoed van de Eerste Wereldoorlog die gerealiseerd is tussen
2002 en 2005. Het is een beleid dat is gevoerd vanaf minister Van Grembergen en minister Van Mechelen tot nu. Vroeger zijn er al meerdere beschermingsdossiers afgerond. De beschermingen van militaire begraafplaatsen zijn afgerond voor heel Vlaanderen, niet alleen voor West-Vlaanderen. De gedenktekens zijn afgerond voor West- en Oost-Vlaanderen. Er zijn ook nog kleinere dossiers zoals noodwoningen. Vorige week zijn er nog beschermd in Ieper, Kortemark en Veurne.
In 2011 staan volgende dossiers op de beschermingsagenda: noodwoningen, bunkers in de frontstreek, oorlogsgedenktekens in Limburg en bunkerlinies in Antwerpen, Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant.
Een tweede beschermingsspoor betreft landschappen zoals typerende zichtassen en verdedigingslinies enerzijds, maar ook archeologische sporen en sites anderzijds. Net zoals dat eerste spoor zullen ook deze beschermingsdossiers zich niet beperken tot de provincie West-Vlaanderen. De te beschermen landschappen of archeologische sites in de Westhoek
zullen worden geselecteerd op basis van de multidisciplinaire inventaris en de bijhorende waardering die medio 2011 zal worden opgeleverd. Omdat deze inventaris nog niet is afgerond, kan ik u dus nog geen beschermingskalender voorleggen. Ik kan dus ook nog niet zeggen wat de prioritaire gebieden zullen zijn omdat er moet worden gewacht op de inventarisatie om keuzes te kunnen maken.
Er is dus een tweeledige inzet van instrumenten. Er zijn de klassieke beschermings- instrumenten als monumenten, landschappen of archeologische sites. En er is de verankering van erfgoedwaarden in RUP’s. Met behulp van de integrale inventaris, die midden 2011 klaar zal zijn, wil ik in overleg gaan met de provincie en de betrokken gemeenten met de vraag om de aanwezige erfgoedwaarden zoveel mogelijk te verankeren in de provinciale en gemeentelijke RUP’s die zij zullen opstellen of in opmaak zijn. In het kader van de projectoproepen zijn er nu al steden en gemeenten die er spontaan mee bezig zijn. Bijvoorbeeld Ieper en Zonnebeke zijn bezig met de opmaak van omvattende RUP’s om die sites op te nemen en de ontsluiting ervan mee te realiseren, soms met inbegrip van het aanleggen van wandelwegen. De verankering in de RUP’s kan dus een zeer goed instrument zijn.
Andere beleidsvelden zoals landbouw en natuur binnen de AGNAS-procedure, ga ik ook proberen te betrekken. AGNAS is het afbakenen van de gebieden van de agrarische en natuurlijke structuur. Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen wil immers de open ruimte in het buitengebied maximaal vrijwaren voor landbouw, natuur en bos. Daarom worden de lopende planningsprocessen voor landbouw, natuur en bos maximaal op elkaar afgestemd binnen de AGNAS-structuur. Via een structureel overleg met landbouw en natuur hoop ik bij de lopende planningsprocessen binnen de AGNAS-structuur, de erfgoedwaarden zoveel mogelijk te laten verankeren.
Voor diegenen die eraan zouden twijfelen, wil ik zeer uitdrukkelijk zeggen dat ik wel degelijk oog en zorg heb voor de ruimtelijke inpassing van het aanwezige erfgoed. Ik denk dat het instrument van verankering in RUP’s die door partners worden opgesteld – al dan niet via de aanduiding van ankerplaatsen en de vertaling naar erfgoedlandschappen –, zullen leiden tot een veel groter draagvlak en dus ook een beter behoud, beheer en ontsluiting van de aanwezige erfgoedwaarden. Het aspect van het lokale beheer, de lokale planning en de lokale inzet daarvoor, is zeer belangrijk. We hebben dat eerder ook al gezien bij het UNESCO- dossier voor Brugge. Ik denk dat op die manier de werkwijze die nu wordt voorgesteld, kan leiden, na het afronden van de inventaris, tot een gedragen beschermings- en aanduidingstraject. De administratie werkt er in ieder geval heel sterk aan om het dossier nog te kunnen afronden in 2013.
Mevrouw Poleyn informeerde naar de aard van de vooropgestelde projectzone. Het integrale inventarisatieproject gebeurt in de zogenaamde frontzone, van Nieuwpoort tot Mesen, waar het zwaartepunt van de krijgsverrichtingen van de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen lag. Deze frontzone doorloopt 15 gemeenten: Nieuwpoort, Middelkerke, Diksmuide, Lo-Reninge, Houthulst, Staden, Langemark-Poelkapelle, Ieper, Zonnebeke, Heuvelland, Mesen, Koksijde, Veurne, Moorslede en Wervik. Gezien het belang van het landschap in het verhaal van de Eerste Wereldoorlog, is het noodzakelijk dat ook de op dit ogenblik gekende waardevolle landschappen, zoals beschreven in de landschapsatlas, die geheel of gedeeltelijk overlappen met deze frontzone, worden meegenomen. Hierdoor worden ook volgende gemeenten verder betrokken: Alveringem, Poperinge en Kortemark.
Ik wil nogmaals benadrukken dat deze projectzone gericht is op de integratie van alle aanwezige erfgoedwaarden. Wat zal worden geïnventariseerd, zal niet automatisch worden beschermd. Enkel de op Vlaams niveau meest unieke en representatieve relicten zullen worden beschermd, en een selectie hiervan zal aan de UNESCO worden voorgedragen om te worden erkend.
Ik wil concluderen met een aantal bedenkingen. Ik blijf inzetten op overleg en participatie. Het is belangrijk om procedures te vinden waarbij we de lokale overheden meekrijgen. Ik ervaar absoluut geen weerstand bij de lokale overheden tegen de voordracht als UNESCO- werelderfgoed. Ik ervaar alleen bezorgdheid, waarschijnlijk werd men een beetje opgeschrikt door wat zich in Brugge voordoet, over de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingskansen. Ik begrijp dat die bezorgdheid ook hier door diverse sprekers gedeeld wordt.
Het UNESCO-dossier zal voldoende gewicht en overtuigingskracht blijven hebben als we ons focussen op de meest representatieve relicten van WOI. Ik denk niet dat we een grotere impact op UNESCO kunnen hebben door hele gebieden op te nemen. Met deze aanpak gaan we sowieso ruimer dan het aanvankelijke voorstel van kerkhoven en gedenktekens, want we zullen er ook archeologische sites en landschappen in opnemen. Als men er in 2002 van overtuigd was dat het kon met de oorlogskerkhoven en gedenktekens, kan het dossier met de verruiming alleen maar aan kracht winnen. Ik beklemtoon dat we inzetten op kwaliteit eerder dan op kwantiteit.
Het beschermingstraject, het onderzoeken, het inventariseren, het beschermen, het beheren, en het ontsluiten, is ruimer dan de relicten die we inzake WOI zullen voorleggen en het centrale gegeven hierbij is het behoud en het beheer van de erfgoedwaarden, niet alleen in functie van de herdenking van de Groote Oorlog, we willen dit erfgoed ook bewaren voor alle komende generaties. Het is uiteraard zo dat een erkenning door UNESCO een kers op de taart zou zijn, maar de bescherming staat bij mij voorop, dat is het belangrijkste gegeven.
Ik wil waarschuwen voor al te grote verwachtingen bij de erkenning door UNESCO. Heel veel factoren zijn op dit ogenblik niet zo gunstig. Door de landen van buiten Europa wordt gezegd dat West-Europa nu al overbedeeld is inzake erkenning van werelderfgoed. Anderzijds ben ik ervan overtuigd dat, zoals diverse sprekers hier al opmerkten, het slagveld van WOI bijzonder uniek en waardevol is en we dus intrinsieke kwaliteiten en troeven hebben. Het zal niet evident zijn.
Frankrijk heeft al aangegeven dat het daar minder prioritair is. Hoe dan ook stelt Frankrijk niet te streven naar een erkenning voor 2014. Ik heb mijn Franse collega’s hierover aangeschreven, zowel minister Mitterand, die bevoegd is voor cultuur en communicatie, als minister Borloo, die bevoegd is voor ecologie, energie, duurzame ontwikkeling en de zee. Ik heb ook Waals minster Lutgen aangeschreven, want die is ook bevoegd ter zake. Ik heb van hen nog geen officiële reactie ontvangen. Mevrouw Poleyn, u informeerde naar de samenstelling en de opdracht van het begeleidende wetenschappelijke comité. Dat comité wil ik proberen samen te stellen in samenwerking met Frankrijk en Wallonië. Ook de precieze opdracht ervan zou ik graag samen met hen bepalen.
Vanuit het projectsecretariaat Herdenking Groote Oorlog zijn er wel al werkvergaderingen geweest. Het meest recente dateert van 15 september, en vond plaats met vertegenwoordigers van het departement Meuse en van de Franse academische wereld. Die gesprekken zullen, waarschijnlijk in januari, resulteren in een vergadering met vertegenwoordigers van alle betrokken Franse departementen. Ook Frankrijk zal hiervoor uitgenodigd worden, maar volgens de laatste berichten van de Franse regering zal dit worden gedelegeerd aan de departementen.
Ik wil er ook op wijzen dat vooral de grotere UNESCO-landen, de VS, Rusland en China, om politieke redenen heel terughoudend, zo niet negatief en argwanend, staan tegenover de erkenning van slagvelden als werelderfgoed. Ze vrezen daar een precedentswaarde in te zien en men refereert dan aan andere conflicten zoals Wounded Knee en Vietnam. Die landen zijn niet onze spontane partners, het omgekeerde is waar, maar wij hebben sterke intrinsieke kwaliteiten om het dossier te bepleiten.
Guy Debonnet van het UNESCO ‘World Heritage Centre’ heeft laten weten dat er over ons dossier zeker te praten valt, maar dat het niet evident zal zijn om een dergelijke site op de lijst
te plaatsen. Toch blijf ik erin geloven, en ik meen dat we dat met zijn allen moeten doen. Het is bijzonder belangrijk om de erkenning binnen te halen, ook al moet ik ook hier weer een nuance aanbrengen. Sinds 2001 hebben we één lijn getrokken, de lijn Van Grembergen-Van Mechelen-Bourgeois, en gesteld dat de beschermingen moeten gebeuren om het erfgoed te bewaren. Dat zijn we aan onszelf verplicht, los van de UNESCO-erkenning.
Bij het dossier-Brugge heb ik al gezegd dat er geen economische studies zijn over de waarde van een erkenning en daarom herhaal ik het beeld dat ik al heb gebruikt: het is een kers op de taart. We willen nu eerst de taart klaarmaken en ervoor zorgen dat we een brede bescherming hebben zodat we voor heel het grondgebied kunnen zorgen voor het behoud van het erfgoed om het door te geven aan wie na ons komt, en vooral ook om er een zinvolle toeristische activiteit rond te ontwikkelen.
De voorzitter: De heer Verfaillie heeft het woord.
e heer Jan Verfaillie: Voorzitter, ik wil de minister bedanken voor zijn antwoord en ik noteer dat hij in dezen een grote verantwoordelijkheid geeft aan de lokale besturen. Dat zien we graag en dat past ook in de subsidiariteit en in andere plannen waarmee we in andere commissies bezig zijn. Ik kan het alleen maar toejuichen om grote verantwoordelijkheid te geven aan de lokale besturen. Mijnheer Caron, na de uiteenzetting van de minister hebt u nu misschien een iets andere zienswijze.
Ik denk dat we moeten uitgaan van twee principes. Er moet respect zijn voor het verleden en dat verleden moet alle kansen geven voor de toekomst. We moeten echter ook andere kansen bieden en geven voor de toekomst in de Westhoek. Het oorlogsverleden is zeer belangrijk. Ik ben me daar terdege van bewust. De minister heeft aangehaald dat heel wat gemeenten al dossiers hebben ingediend om te kunnen rekenen op de subsidiëring door de Vlaamse overheid om een aantal nieuwe initiatieven te nemen inzake 2014-2018. Ondanks het belangrijke oorlogsverleden mogen we niet vergeten dat we onze regio ook op economisch vlak en op andere vlakken alle kansen moeten bieden voor ontwikkeling.
De voorzitter: De heer Sintobin heeft het woord.
De heer Stefaan Sintobin: Minister, ik dank u voor het heel omstandig antwoord. Het antwoord ligt geheel in de lijn van de visie van onze fractie tijdens de afgelopen jaren in deze commissie. Ik ben ook verheugd dat vooral het maatschappelijk draagvlak en structureel overleg een heel belangrijke plaats inneemt in dit dossier. Uw aanpak willen we eveneens graag ondersteunen.
Mijnheer Caron, net zoals de heer Verfaillie heb ook ik de afgelopen jaren de nodige aandacht voor het erfgoed gehad in deze commissie. Er werd gesuggereerd dat dit niet het geval is. Ik onderschrijf evenmin uw thesis dat de bescherming van het erfgoed geen invloed zou hebben op de economische ontwikkeling van een regio, van een streek. Ik zal de discussie niet voeren, mijnheer Caron. Dat zou ons veel te ver leiden. U kent ongetwijfeld het dossier over Pilkem Ridge. Het werd even aangehaald door de heer Vandaele. Pilkem Ridge werd beschermd, waardoor de A19 niet kon worden doorgetrokken. Enkele jaren nadien betoogt u dan tegen de verbreding van de N8, waardoor een hele streek niet ontsloten kan worden.
Mevrouw Van Volcem, u hebt een opmerking gemaakt over de overdreven toeristische impact van het dossier. Net zoals de minister vind ik dat de impact van het toerisme een enorm goede zaak is voor de economie en de tewerkstelling in de regio.
Mevrouw Mercedes Van Volcem: U mag me niet verkeerd begrijpen. Ik ben ook voor toerisme.
De heer Stefaan Sintobin: Net zoals de minister bezoek ik regelmatig Tyne Cot. Ondanks de vele toeristen, is er de nodige piëteit. Men kan niet zeggen dat het echt om massatoerisme gaat.
De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.
Mevrouw Sabine Poleyn: Minister, ik dank u voor uw zeer uitputtend antwoord. We hebben een antwoord gekregen op onze vragen.
Ik feliciteer u om het besef dat het misschien niet haalbaar was om met de ankerpunten en gewestelijk stedenbouwkundige verordeningen verder te gaan. Wat het alternatief betreft dat u nu aan het opbouwen bent via de inventaris en daarna de bescherming van landschappen en archeologische sites, roep ik u op om zodra er duidelijkheid bestaat over de betrokken gebieden, zo snel mogelijk overleg te plegen met de betrokken gemeenten en provincie, eventueel ook met verenigingen van landbouwers en bedrijven. Op die manier kunt u snel klaarheid scheppen over de impact van een bescherming, al is het op kleinere schaal. Men weet dan vooraf waarover het gaat en wat de mogelijke gevolgen zijn, zodat we niet zoals nu misschien onnodig paniek creëren.
Ik vind het ook wel goed dat u dat in het algemene beleid Ruimtelijke Ordening, zoals de RUP’s, opneemt en in de afbakening van het agrarisch gebied. Maar ook daar ben ik een groot voorstander van overleg met de betrokkenen.
Bijkomend stel ik voor om meer nadruk te leggen op de kansen en opportuniteiten, niet alleen vanuit toeristisch oogpunt, maar ook vanuit andere, misschien financiële, die er zijn voor de gemeenten, de eigenaars, de gebruikers van de landschappen.
Ik zou u ook willen aansporen ambitieus te blijven voor de erkenning zelf als werelderfgoed bij de UNESCO en de collega’s van Wallonië en Frankrijk aan te sporen om verder te gaan met de procedure, het wetenschappelijk comité samen te stellen en die aanvraag effectief in te dienen. We moeten ervoor zorgen dat we op het punt van de bescherming niet gepakt kunnen worden. Als men dat om politieke redenen niet wil doen, dan is dat de verantwoordelijkheid van een of andere raad van bestuur of UNESCO zelf. Maar wij moeten ervoor zorgen dat onze dossiers goed zijn opgesteld zodat we niet gepakt kunnen worden op procedurefouten.
Ik vind het ten slotte heel belangrijk dat bij de herdenking van ’14-’18 het landschap, al dan niet beschermd, te gebruiken als een soort ontsluiting van het verhaal over wat er is gebeurd. U bent ook coördinerend minister voor de herdenking van ’14-’18. Ik wil er u toch op wijzen dat het niet alleen maar om een toeristisch, een erfgoedaspect en een ruimtelijke of geografische ontsluiting gaat, maar ook om een ontsluiting voor de mensen, om een sociale ontsluiting. Dat geldt niet alleen voor de buitenlanders die hier hebben gevochten en wier familie hier op bezoek komt, maar ook voor de eigen bevolking. En dat vergeten we al te vaak. We hebben een heel aspect van herinneringseducatie, heel wat initiatieven worden genomen in de regio. Ook de landschappen kunnen heel wat interessante methodieken opleveren om onze eigen kinderen in de Westhoek, in Vlaanderen, zelfs in heel België te vertellen wat er 100 jaar geleden is gebeurd en hoe die herinnering tot meer vrede zou moeten kunnen leiden. Ik zou graag hebben dat het verhaal over oorlog en vrede mee wordt opgenomen in het aspect erfgoed.
De voorzitter: De heer Van Mechelen heeft het woord.
De heer Dirk Van Mechelen: Ik onthoud twee zaken. In juni hebben wij het meest voor de hand liggende instrument, de ankerplaatsen, al of niet omgezet naar erfgoedlandschap, verlaten. Toen werd het instrument van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening aangekondigd. Ik heb begrepen dat we dit vandaag begraven. We keren nu terug naar de klassieke beschermingsmethodes, die vanzelfsprekend erg waardevol blijven. We zijn daar zeer intensief mee gestart, al was het maar om datgene te beschermen waarvan iedereen dacht dat het al lang beschermd was: onze militaire begraafplaatsen. Minister, ik vrees dat we er op deze manier nooit zullen komen.
Minister, u eindigt met te zeggen dat de UNESCO het ook niet ziet zitten om de slagvelden als Werelderfgoed te bewaren. Bij mijn weten zijn al die zones in Frankrijk al als ‘lieu demémoire’ beschermd. Bijvoorbeeld in Verdun en omstreken mag er gewoon niet gebouwd worden. Dat is zeer verregaand. In de Verenigde Staten zijn er slagvelden van de Burgeroorlog geklasseerd en bewaard als Werelderfgoed. We moeten dus niet zo pessimistisch zijn. Maar als we het natuurlijk niet eens zijn over de instrumenten die we inzetten om ons doel te bereiken, de definitieve bescherming van dat waardevolle erfgoed, zullen we nooit aan de streep geraken. Ik vrees dat we hier de kans hebben gemist om iets historisch te doen. Laat de geschiedenis daar dan maar over oordelen.
De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.
De heer Bart Caron: Minister, het valt mij op dat u heel hard uw best doet om aan te tonen dat u het dossier een warm hart toedraagt en dat u ook alle instrumenten wilt inzetten om tot bescherming te komen en om met zorg met dat erfgoed om te gaan. Anderzijds merk ik in deze vergadering bij een aantal collega’s, aan hun schriftuur en aan hun manier van spreken, een zeer groot voorbehoud tegen een te erfgoedberichte benadering. Ik merk een grote dubbelzinnigheid.
Minister, ik voel dat ook bij u aan. U wilt er wel voor gaan maar u wordt zeer sterk afgeremd door collega’s om niet te hard door te rijden. U wilt op kop rijden en goed doortrekken, maar het is wel duidelijk dat er niemand uit het peloton mag lossen. Daardoor dreigt u, zoals de heer Van Mechelen zegt, noch mossel noch vis over te houden. We zullen gelukkig wel die sites hebben beschermd, we zullen een stukje van die waardevolle landschappen hebben beschermd. Het is niet niets, maar het mist de wervende kracht van het grote verhaal, dat ook een maatschappelijk belang heeft. Het gaat niet alleen om materieel erfgoed maar ook om mentaal erfgoed. Dat heeft een onwaarschijnlijk grote betekenis.
De naam ‘UNESCO’ wordt in Vlaanderen langzamerhand een verwijtterm. Dat is geen kwaliteitslabel meer. “Opgepast, de UNESCO komt weer kijken, laat ons maar gaan lopen.” Men put zich dan uit om een bocht te nemen, en dan probeert men toch een aantal dingen te realiseren.
Minister, ik twijfel niet aan uw goede intenties. Ik wens u toe dat u moedig en koppig doorzet in dat dossier en dat dat wervende verhaal terugkeert, met zijn – terecht – grote ambitie. Mijnheer Sintobin, ik ben niet de doodgraver van de economische ontwikkeling van die streek. Verre van. Ook niet op het vlak van mobiliteit en zeker niet op het vlak van natuur. Er is daar nog heel veel werk te doen.
De mentaliteit verandert. In 2001 en 2002 vonden we het al een grote stap als we die relicten zouden beschermen. We zijn bijna 10 jaar later en we komen dichter bij de herdenking van die oorlog. Daarom wordt het des te belangrijker.
Met enkele bestuurders en leden van dit parlement gaan we binnen 2 weken naar Verdun. Ik zal daar navragen hoe de politieke verantwoordelijken daar met dit dossier omgaan. Al zeg ik het van mezelf, ik ben een kenner van de Argonne. Dat is de streek tussen Reims en Verdun. In die frontstreek hebben vooral Amerikanen gevochten. De Voie Sacrée, u kent dat wel. Ik weet niet of men daar naar het Werelderfgoedstatuut streeft, maar men streeft er wel naar het grote verhaal. Het is zo ingebed in de streek en in alles wat er is. Ik wens dat u koppig bent en dat u dat grote verhaal in de mate van het mogelijke uitstraalt. Laat u niet kortwieken door het kortetermijndenken dat ik hier af en toe hoor. Ik hoor veel collega’s eerder spreken over de bezwaren dan over de kansen.
De voorzitter: Minister Bourgeois heeft het woord.
Minister Geert Bourgeois: Het is niet zo dat ik het ankerplaatseninstrument laat vallen, zoals de heer Van Mechelen, die nu vertrokken is, zegt. Ik laat het vallen als gebiedsdekkend instrument. Dit zal niet werken. Dat instrument is nog maar één keer, in een park in Brasschaat, toegepast. 600 vierkante kilometer met dat instrument gebiedsdekkend aanpakken, dat is één groot vraagteken. Dat zal kolossaal veel arbeid en kolossaal veel problemen met zich meebrengen. We weten op voorhand dat we er zo niet zullen komen. Mijnheer Caron, ik ben zeer ambitieus. Ik keer terug naar de ‘lieu de mémoire’-idee maar ik breid hem uit. De gedachtegang van de heer Van Grembergen betrof de kerkhoven en later de oorlogsgedenktekens. Ik breid dit expliciet uit met de landschappen en met de archeologische sites.
Dat gebiedsdekkende instrument is niet werkbaar. Er is in heel Vlaanderen maar één groot gebied: het Zoniënwoud. Dat is een bos. Het is bijzonder moeilijk om op 600 vierkante kilometer met die instrumenten gebiedsdekkend, als ankerplaats, of met een gewestelijke ruimtelijke verordening te werken.
Dit betekent niet dat we de ambitie loslaten. Ik zal zeer ambitieus streven naar die bescherming. Dat wordt voortgezet. Dat is een constant beleid binnen de Vlaamse Regering. Ik heb recent nog noodwoningen beschermd. We maken al die beschermingen klaar.
Een groot aantal daarvan zal worden ingediend bij de UNESCO, maar wat ook belangrijk is voor het UNESCO-dossier is dat we een draagvlak hebben. Dat wordt ook mee beoordeeld door ICOMOS. We moeten dat niet noodzakelijk als negatief zien. Mijn ervaring is niet dat men tegen is. Elke vergelijking loopt mank. Er kan niet worden vergeleken met de immense ruimten die er zijn in Frankrijk of de Verenigde Staten. Vlaanderen is zo ongeveer het dichtstbevolkte gebied dat men zich maar kan voorstellen. Dat is één verstedelijkt gebied. Zelfs de Westhoek is ook al sterk doorsneden. U kent die streek ook. Dat is ook al niet meer één grote open vlakte. We moeten daar dus ook rekening mee houden.
Dat draagvlak is dus een belangrijk element. Ik ga niet op kop rijden als het peloton niet volgt. Dat betekent absoluut niet dat we onze verantwoordelijkheid niet moeten opnemen, dat we het niet moeten doen. Ik hoop dat u die indruk niet hebt. Ik ben zeer voluntaristisch wat dit betreft. Ik ga ervoor, met een heel grote gedrevenheid. Ik heb alleen willen zeggen dat de buit niet binnen is: ook als we met een sterk dossier voor de dag komen, zullen we het niet noodzakelijk halen.
Mijnheer Van Mechelen, u besluit dat ik het al niet meer zie zitten. Dat is niet waar. Ik heb gewoon willen zeggen dat het niet evident is. Er wordt geconstateerd dat er in heel West- Europa al te veel zijn. Er is sprake van een overbedeling. Het is dus zaak een goed dossier te hebben. Dat zullen we nu precies maken, met die combinatie van die monumenten en gedenktekens met die landschaps- en archeologische sites. Dat zal een kwalitatief heel sterk dossier zijn. Ik hoop dat we dat ook ruimtelijk kunnen verankeren, op een aantal plaatsen. Ik heb nu al zeer goede vooruitzichten ter zake. Ieper en Zonnebeke zijn daar al mee bezig. Ik denk dat we een heel sterk dossier kunnen maken, door een combinatie van al die verschillende elementen.
De voorzitter: Het incident is gesloten.
|