sabine
sabinevlaams parlementbuitenlandjeugdoverigeonderwijswest-vlaanderenfotoboekcontact

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine Poleyn tot de heer Geert Bourgeois, viceminister- president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur,  Inburgering, Toerisme  en  Vlaamse  Rand,  over  een  impactanalyse  van  de bescherming als UNESCO-werelderfgoed van de slagvelden en frontzones uit de Eerste Wereldoorlog

De voorzitter: De heer Sintobin heeft het woord.

De  heer  Stefaan  Sintobin:  Voorzitter,  minister,  geachte  leden,  van  het  Zoniënwoud  over Brugge naar de frontstreek is maar een kleine stap voor de mensheid. Eerst wil ik aan de heer Vandaele het volgende zeggen. Mijn vraag werd ingediend op 9 augustus. De andere vragen zijn  er pas  eind  september  gekomen.  Het  grootste  deel  van  mijn  vragen  is  dus  deels achterhaald.

Minister, via een persbericht van Belga heb ik vorige week immers vernomen dat u uw beleid ter zake  zou  herzien.  Toch  lijkt  het  me  belangrijk  om  in  deze  commissie  nog  even  te debatteren over de problematiek van de erkenningen in de frontstreek. Voorzitter, ik zal mijn vragen  wat  inkorten,  omdat  ze  op  bepaalde  punten  vrij  gedetailleerd  en  eigenlijk  louter informatief zijn.

Ik  wil  kort  de  voorgeschiedenis  schetsen  die  aanleiding  heeft  gegeven  tot  deze  vragen. Iedereen  weet  dat  de  frontstreek  in  Vlaanderen  reeds  in  2002  werd  opgenomen  in  de indicatieve   lijst   voor   UNESCO   Werelderfgoed.   Het   Vlaamse   Gewest   zorgde   tussen november  2002  en  eind  mei  2005  via  een  samenwerkingsverband  met  de  provincie  West- Vlaanderen voor een volledige inventarisatie van de relicten uit de Eerste Wereldoorlog in de Westhoek.   De   resultaten   van   het   project   werden   verwerkt   in   een   speciaal   daartoe opgebouwde database die ondertussen toegankelijk is via de website van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE).

Een  van  de  voorwaarden  voor  deze  internationale  prestigieuze  erkenning  als  UNESCO- Werelderfgoed   was   het   maximaal   inzetten   van   eigen   instrumenten   en   middelen   ter bescherming   van   dat   erfgoed.   Zo   volgde   de   voorbije   jaren   het   tweede   deel   van  de werkzaamheden,  namelijk  de  wettelijke  bescherming.  Hierbij  werd  geopteerd  voor  een thematische aanpak. In mijn tekst vindt u dan een lijst van beschermde items.

Tegelijkertijd  wordt  er  ook  op  planologisch  niveau  gedacht.  Om  al  deze  relicten  in  hun landschappelijke  context  te  plaatsen  zal  een  Gewestelijk  Uitvoeringsplan  (GRUP)  worden uitgewerkt. Op de website van het Departement internationaal Vlaanderen staat: “Het belang

van de gebeurtenissen die zich nu bijna honderd jaar geleden hebben afgespeeld in België en Noord-Frankrijk  wordt  alom  erkend.  Een  erkenning  als  UNESCO-Werelderfgoed  zou  een passende   herinnering   vormen.   Daarom   heeft   Vlaanderen   het   plan   opgevat   om   de getuigenissen   van   de   Eerste   Wereldoorlog   in   de   Westhoek   in   2014   als   UNESCO- Werelderfgoed voor te stellen.”

Minister,  we  hebben  u  in  de  vorige  legislatuur  altijd  gesteund  in  het  project  Honderd Jaar Groote Oorlog 2014-2018. Dat doen we nu nog. Die UNESCO-erkenning sluit natuurlijk aan bij dat  project.  Wij  hebben  net  als  de  Westhoekburgemeesters  tijdens  het  overleg  altijd kritische bedenkingen laten horen over de plannen. Wij vinden dat er mogelijkheid moet zijn voor    een    economische    ontplooiing    van    de    regio.    Dat    is    het    punt    waar    de Westhoekburgemeesters  voor  beducht  zijn,  hoewel  zij  ook  erkennen  dat  de  hele  zaak aanzienlijke toeristische en cultuurhistorische potenties biedt voor de regio. Men is een beetje bang dat er nog weinig ruimte overblijft voor bedrijvigheid en economie.

De  Westhoek  is  grotendeels  een  landbouwregio  die  streeft  naar  schaalvergroting,  onder andere door de installatie van mestverwerking en biogas. Men vraagt zich dan ook af welke invloed dit zal hebben op de landbouw.

Mijn vragen zijn al gedeeltelijk achterhaald, maar ik zal ze stellen voor de volledigheid van het verslag.  In  hoeverre  wordt  tijdens  de  voorbereiding  van  dit  UNESCO-dossier  door  het Vlaamse   Gewest   rekening   gehouden   met   de   door   het   Westhoekoverleg   geschetste aandachtspunten  zoals  de  ruimte  voor  bedrijvigheid?  Is  het  niet  de  hoogste  tijd  dat  de betrokken gemeentebesturen in de Westhoek planologisch zicht krijgen op de gevolgen van een mogelijke definitieve erkenning van de frontstreek als werelderfgoed?

Naar aanleiding van uw bezoek aan Torhout werd vorige dinsdag een persbericht verspreid. U  zult de  hele  zaak herzien.  U  vindt  dat  het  politieke  en  bestuurlijke  draagvlak  voor  deze bescherming  beperkt  is  en  dat  de  bescherming  risico’s  inhoudt  voor  de  landbouw  en  de ondernemingen.  Klopt  dat,  minister?  Misschien  kunnen  de  vragen  van  de  collega’s  tot verdere discussie leiden.

De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.

Mevrouw Sabine Poleyn: Voorzitter, minister, ik heb een vraag over hetzelfde dossier. De vorige regering heeft geprobeerd om het erfgoed van de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen te   laten   erkennen   als   UNESCO-Werelderfgoed.   Toen   dacht   men   eraan   om   naast   de begraafplaatsen, de momenten op de eigenlijke slagvelden en de frontlijn te laten erkennen. Ik herinner mij een schriftelijke vraag die sprak van een “integrale en flexibele” manier. Dat zijn  twee  belangrijke  woorden  voor  mij,  vooral  het  flexibele.  Men  wou  dit  doen  via ankerplaatsen en erfgoedlandschappen.

In de commissievergadering van 2 juni 2010 gaf u aan dat u dit idee van erfgoedlandschappen verlaat  en  denkt  aan  de  combinatie  van  een  gewestelijke  stedenbouwkundige  verordening voor een projectzone en enkele RUP’s om de erfgoedwaarde veilig te stellen om zo enkele WOI-slagvelden   en   -frontzones   te   beschermen.   Het   doel   hierbij   is   de   erkenning   als UNESCO-Werelderfgoed. Ondertussen hoorde ik u op tv zeggen dat  u afziet  van de totale bescherming van de frontlijn. Het is mij niet zo duidelijk of het gaat over het ‘oude nieuws’ van vóór  juni  of  dat  u een derde spoor  hebt  getekend om uiteindelijk toch die aanvraag te doen voor UNESCO-Werelderfgoed.

Minister,  kunt  u  een  duidelijke  afbakening  maken  van  de  projectzone?  Is  die  al  volledig afgebakend?  Is  dat  al  gekend?  Kunt  u  ons  dat  bezorgen?  Is  dit  vastgesteld  door  het Agentschap Ruimte en Erfgoed of het Vlaams Instituut Onroerend Erfgoed (VIOE)?

Wat   betreft   de   stedenbouwkundige   verordening,   op   welke   manier   wilt   u   hierbij   de erfgoedwaarde veilig stellen? Welke gevolgen  zal  ze hebben voor landbouw en economie?

Voor bouwen en verbouwen? Voor de ruimtelijke ordening? U begrijpt dat deze vragen sterk leven op het terrein. Ze moeten serieus worden genomen.

Wat wilt u zeker opnemen in deze verordening? Wat betekent de bescherming concreet? Op welke  manier  zult  u  vooraf  de  impact  op  landbouw,  economie  en  ruimtelijke  ordening inschatten? Doet u normaal gezien vooraf een impactanalyse?

Welke lering trekt u hieruit in het licht van de conceptnota Onroerend Erfgoed die u in juli hebt voorgelegd aan de Vlaamse Regering over de hervorming van de sectorale instrumenten Onroerend Erfgoed?

U verliet – toen alleszins niet – niet geheel het denkspoor van de RUP’s. Voor welke zones voorziet u dan wel in ankerplaatsen en RUP’s?

Hoever staat u in de voorbereidingen van beide denksporen? Is er nog een ander denkspoor? Wat houdt dat dan in? Wat is uw timing? Is die nog realistisch om 2014-2018 te halen?

Hoe  verloopt  het  overleg  met  de  betrokken  actoren,  gemeenten,  provincies,  eigenaars, gebruikers, landbouwverenigingen en Westhoekburgemeesters? Wie wordt erbij betrokken? Wanneer hebt u met de betrokkenen samen gezeten? Wat plant u nog op korte termijn?

Zal deze bescherming voldoen voor de UNESCO, gezien onze ervaring in andere dossiers? Hebt u gesproken met hun diensten? Ik dacht dat u gezegd had dat u een gesprek zou hebben. Wat was het resultaat?

Wat is de opdracht  en samenstelling van het begeleidende wetenschappelijk comité van de UNESCO? Hoe verlopen de afspraken inzake het internationale dossier met Noord-Frankrijk en eventueel ook Wallonië? Hoe ver staan zij? Zijn wij nog mee met de voorbereiding? Zitten we op dezelfde lijn?

De voorzitter: De heer Verfaillie heeft het woord.

De heer Jan Verfaillie: Voorzitter, minister, collega’s, de herdenking van de Groote Oorlog
1914-1918 biedt voor de Westhoek enorme kansen, onder meer op het gebied van toerisme. Hopelijk wordt de streek verder en blijvend toeristisch ontwikkeld, en meer dan ooit op de kaart  gezet.  Ik heb  mijn  vraag ingediend  op  27 september,  een  dikke  maand  na  uw  vraag, collega. Op dat moment had ik nog geen weet van de toespraak van de minister in Torhout. Dat ligt niet in de Westhoek maar wel in de provincie West-Vlaanderen.

Heel belangrijk, minister, ik neem er akte van dat u afstand zou doen van uw oorspronkelijk plan om de volledige Westhoek te laten beschermen als UNESCO-Werelderfgoed, en dat u zich  schaart  achter  het  advies  van  de  Westhoekburgemeesters.  We  hebben  het  dossier  van meet af aan ter harte genomen. Het stond meermaals op de agenda van onze vergaderingen. We hadden bezwaren bij  de volledige bescherming van de Westhoek. Dat  kan immers een zware  hypotheek  leggen  op  de  toekomst.  Ik  heb  er  alle  begrip  voor  dat  er  moet  worden bekeken hoe bepaalde zaken duurzaam voor de toekomst kunnen worden beschermd, maar de volledige  Westhoek  laten  erkennen  als  werelderfgoed,  zal  ongetwijfeld  zeer  verregaande gevolgen hebben voor de economische en andere ontwikkelingskansen van de regio.

Minister, ik wil u enkele vragen stellen die deels afwijken van mijn schriftelijk ingediende vraagstelling. Blijft u bij uw voornemen dat u hebt verkondigd in Torhout om af te zien van een volledige bescherming en enkel een aantal heel specifieke zaken te beschermen? Hoe ziet u  het  dossier  verder  evolueren?  Hoe  kan  het  parlement,  los  van  krantenartikels,  betrokken worden en op de hoogte worden gehouden van de stand van zaken?

Westhoekgemeenten spelen in dezen een heel belangrijke rol. Er is al dialoog geweest met uw diensten, maar het is heel belangrijk dat de lokale gemeentebesturen, die meer dan ooit de situatie ter plaatse kennen, bij eventuele beleidsplannen of eventuele plannen om een aantal sites of regio’s te beschermen, van zeer dichtbij worden betrokken. Zij kennen immers meer

dan ooit de ruimtelijke ordening. De Westhoekburgemeesters wensen daar  betrokken bij  te blijven.

De voorzitter: De heer Van Mechelen heeft het woord.

De heer Dirk Van Mechelen: Voorzitter, minister, collega’s, als niet-West-Vlaming praat ik met enige schroom over dit thema. Met alle respect voor de burgemeesters van de regio, maar we praten wel over werelderfgoed. Ik zou dan ook deze dimensie willen behouden.

Collega’s, eenieder weet dat de frontzones die op dit ogenblik nog schitterend zijn bewaard en nog heel gaaf zijn, een uniek erfgoed betekenen omdat de Eerste Wereldoorlog de eerste moderne  oorlog was.  Het  kan  cynisch  klinken,  maar  het  was  de  eerste  oorlog waarin  men afstapte   van   de   Napoleontische   gevechtstechnieken   en   voor   het   eerst   in   een   soort stellingenoorlog  terecht  kwam.  De  vraag  die  zich  stelt,  is  hoe  we  met  dat  verleden  zullen omgaan en hoe we hetgeen nu bijna 100 jaar gaaf is bewaard, de volgende decennia zullen bewaren voor degenen die na ons komen.

Ook zeer interessant is dat ondertussen de ontsluiting van dat erfgoed via de digitale revolutie op een bijna sensationele manier mogelijk is, waardoor heel de frontzone van een toeristisch zeer  groot  belang  wordt  voor  de  hele  regio  en,  bij  uitbreiding,  voor  Vlaanderen.  Daarom verdient het onze bijzondere aandacht.

Minister,  er  is  een  vraag  gesteld  op  2  juni.  U  hebt  toen  gezegd  dat  u  de  piste  van ankerplaatsen  en  erfgoedlandschappen  niet  zou  volgen  omdat  dat  nogal  wat  tijd  kost  en bijkomende voorbereiding. Alhoewel, de Eerste Wereldoorlog duurde van 1914 tot 1918. We hebben dus eigenlijk tot 2018 de tijd om ons doel te bereiken. Ik zou me dus niet zo focussen op 2014, buiten het feit dat we dan een andere oorlog moeten uitvechten in Vlaanderen. Het gaat hier over een langetermijnvisie en hoe we dat aanpakken. Kunnen we resultaten boeken in 2014, dan is dat mooi meegenomen. Hebben we daar meer tijd voor nodig, ‘don’t worry’, we  zijn  aan  het  werken  voor  mensen  die  na  ons  komen  en  die  we  ons  erfgoed  zo ongeschonden mogelijk willen doorgeven.

Moeten we die 600 vierkante kilometer onder een stolp zetten? Ik heb op 2 juni ook al gezegd dat dat niet de bedoeling is. Wie zou dat overwegen? De vraag is: hoe springen we daarmee om?   U   hebt   toen  in   de   commissie   gezegd   dat   u   zult   werken   met   een  gewestelijke stedenbouwkundige verordening voor de projectzone. Dat is de reden voor mijn vraag. Ik ken het  systeem  van  gewestelijke  stedenbouwkundige  verordeningen,  en  ik  vond  dat  nogal vreemd. Naar aanleiding daarvan heb ik een aantal vragen gesteld aan minister Muyters over die stedenbouwkundige verordening.

U  weet  dat  er  op  dit  ogenblik  vier  stedenbouwkundige  gewestelijke  verordeningen  zijn uitgevaardigd: een algemene bouwverordening omtrent voetgangersverkeer, een verordening over  hemelwaterafvoer, een verordening openluchtrecreatieve verblijven in verband met  de problematiek  van  de  weekendzones  in  Vlaanderen  en  de  stedenbouwkundige  verordening over de toegankelijkheid van gebouwen. In al die gevallen gaat het om een verordening over een zeer specifiek thema of onderwerp waarbij het telkens de bedoeling was dat die in heel Vlaanderen voor iedereen op dezelfde manier van kracht zou zijn. Dat is de kracht van een stedenbouwkundige verordening.

De  slagvelden  van  de  Eerste  Wereldoorlog  zijn  in  tegenstelling  daarmee  juist  gekenmerkt door  diversificatie  en  veelzijdigheid.  Ik  geef  een  voorbeeld:  het  slagveld  van  de  Zilveren Helmen is totaal anders dan de frontzone en de boog rond Ieper. Bovendien is iedereen het erover eens dat om ervoor te zorgen dat deze plaatsen leefbaar blijven in alle opzichten van het woord, mijnheer Verfaillie, duidelijke keuzes moeten worden gemaakt. Ook hier is weer de vraag: kan men een stedenbouwkundige verordening die algemeen van kracht is voor de frontzone, dermate specifiek maken voor gebied A zodat ze niet als een tang op een varken slaat voor gebied B.

Minister, toen u in juni sprak over de piste van de stedenbouwkundige verordening, vroeg ik me na wat bezinning af of dit wel het instrument is waarmee we uit de problemen raken om een  eerste  snelle  conservatie  te  kunnen  doen.  Ik  had  ook  de  indruk  uit  het  schriftelijke antwoord van minister Muyters dat hij niet mee was op de piste van de stedenbouwkundige verordening om onze slagvelden te bewaren. Daarom heb ik enkele vragen.

Minister,   is   er   een   consensus   in   de   Vlaamse   Regering   om   een   stedenbouwkundige verordening uit te vaardigen als instrument  voor  het beschermen van de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog? Wordt erover overlegd? Hoe loopt dat?

Op  welke  basis  hebt  u  in  uw  antwoord  van  2  juni  verklaard  dat  de  piste  van  een stedenbouwkundige  verordening als  het  ware  verworven  was  en  zal  worden  gevolgd?  Wat zijn de belangrijkste uitgangspunten van die stedenbouwkundige verordening, en wat zijn de eventuele knelpunten die nog moeten worden uitgeklaard?

Mijn  volgende  vragen  sluiten  aan  bij  wat  de  collega’s  al  hebben  gevraagd.  U  zei  dat  een stedenbouwkundige  verordening  onvoldoende  is  en  we  daarnaast  ook  moeten  werken  met ruimtelijke  uitvoeringsplannen.  Hoe  ver  staat  het  daarmee?  Op  welke  manier  gaat  u  de administratie Ruimtelijke Ordening vatten met die vraag om de erfgoed-RUP’s te maken? Bij mijn weten is er op dit ogenblik een serieuze opstopping in de werkzaamheden. Is dat dan wel realistisch? Voor welke zones worden op dit ogenblik voorbereidingen getroffen?

Bij deze vragen heb ik maar één bezorgdheid en dat is om er vandaag, morgen of overmorgen voor  te  zorgen  dat  onze  slagvelden,  waar  bloed  is  gevloeid,  op  de  meest  adequate  manier beschermd  zouden  worden,  zonder  afbreuk  te  doen  aan  de  terechte  behoefte  tot  verdere ruimtelijke dynamiek.

De voorzitter: De heer Vandaele heeft het woord.

De   heer   Wilfried   Vandaele:   Voorzitter,   minister,   zoals   het   gebouwde   erfgoed   zeer belangrijk  is  voor  een  stad  als  Brugge,  is  het  oorlogserfgoed  bijzonder  belangrijk  voor  de frontstreek,  de  Westhoek,  en  trouwens  ook voor  andere  plaatsen  in  West-Vlaanderen.  Ook hier gaan erfgoed en toerisme samen. Er zijn niet alleen de materiële relicten waarover we het al hebben gehad vandaag, maar ook het grote verhaal van oorlog en vrede dat daaraan vast hangt en dat een mondiaal verhaal is.

Op welke wijze de bescherming best gebeurt, daarover wil ik me nu niet uitspreken. Ik heb me in een vorig leven nog ingespannen voor Pilkem Ridge, en dat er zorgvuldig moet worden omgegaan met dat erfgoed, zoals de heer van Mechelen zegt, dat lijkt me duidelijk. Dat het belang groter is dan een lokaal belang, een West-Vlaams belang of zelfs een Vlaams belang, lijkt  me  ook  duidelijk.  Dat  daarnaast  ontwikkelingsmogelijkheden  moeten  blijven  bestaan voor de verschillende sectoren, waaronder de landbouw, ook daar zijn we het met zijn allen over eens.

Minister, we hebben ondertussen uw visie kunnen horen en lezen. Met dat in het achterhoofd, heb ik een beetje het gevoel dat het hele werelderfgoedverhaal misschien op een verkeerde manier in de regio is verteld en er wellicht wat paniek is gezaaid waar dat niet nodig was.

De   heer   Bart   Caron:   Ook   vandaag   staat   nog   op   de   website   van   het   Departement internationaal  Vlaanderen  onder  de  titel  ‘Groote  Oorlog’  dat  een  erkenning  als  Unesco- werelderfgoed een passende herinnering zou worden aan die grote oorlog. Ook vandaag is dat nog aan de orde.

Ik ben geen expert in ruimtelijke ordening. Ik ga dat voorbehoud in mijn eigen uiteenzetting inbrengen.  Ik  kan  niet  oordelen  over  het  instrumentarium  uit  de  ruimtelijke  ordening,  dat misschien even sterk zou zijn als een bescherming in het kader van de UNESCO. Maar ik wil voor een maximale benadering gaan van die herinnering, het landschap en de relicten die in de Westhoek aanwezig zijn.

Er leeft nog altijd hetzelfde misverstand – ik zou bijna zeggen vooroordeel – alsof erfgoed economische  ontwikkeling  zou  tegengaan  en  bemoeilijken.  Dat  is  niet  zo.  Zoals  de  heer Vandaele zegt, is het erg genoeg. Het is jammer en cynisch om het te moeten zeggen, maar vandaag is net het oorlogserfgoed de grote toeristische troef van dezelfde Westhoek, samen met  het  landschap.  Ze  gaan  onvermijdelijk  samen,  en  daarom  is  het  naar  mijn  bescheiden mening ook gepast om de landschappelijke benadering als de werelderfgoedbenadering van de relicten van de kerkhoven bijvoorbeeld en de gebouwen en de monumenten op die sites niet te scheiden. Ik pleit voor een instrumentarium dat een algemene benadering inhoudt. Het zou kunnen dat we vandaag in Vlaanderen nog niet beschikken over dat ideale instrument, maar ik wil in ieder geval af van het altijd terugkerende idee dat erfgoed een belemmering is in de ontwikkeling. Hier is erfgoed een troef voor de ontwikkeling, en ik zou graag hebben dat mijn geachte collega’s en burgemeesters van de Westhoek die troef erkennen, en inzien welke eer het zou zijn voor de Westhoek en welke ontwikkeling daaruit voortkomt. Het zal niet de ontwikkeling van de grote industrie zijn. Dat weet ik ook wel.

Ik wil van dat misverstand af. Dat is mijn bekommernis. Minister, ik roep u op om dat vol te houden. U zegt in de meest gelezen krant van dit land, de Krant van West-Vlaanderen, naar aanleiding  van  uw  toespraak  in  Torhout:  “Ondernemers,  landbouwers  en  vakorganisaties vrezen dat de strikte maatregelen de dynamiek van de streek zouden afremmen. Ik begrijp die bezorgdheid en daarom heb ik ervoor gekozen om niet over te gaan tot de bescherming van de frontzone in haar geheel.” Er kan een beter instrument zijn, en daarom mijn voorbehoud bij het instrumentarium, maar ik wil bij u toch pleiten voor een beetje politieke moed in dit dossier.

U  komt  uit  een  politieke  familie,  minister,  die  de  traditie  van  erfgoedzorg  draagt.  Uw voorgangers – bij een van heb ik trouwens kunnen werken – hebben er veel voor gedaan. Die aandacht voor het erfgoed gaat in de geschiedenis tot 20 jaar ver. Ik zou graag een warme oproep doen om dat vol te houden en een beetje koppig te zijn, een beetje moedig zijn en ook het schijnbare misverstand alstublieft te ontzenuwen. Ik pleit voor een maximale toepassing, niet  om  de  Westhoek  onder  een  stolp  te  zetten  of,  letterlijk  onder  zijn  oorlogsrelicten,  te begraven, maar net om dat kenmerk van het landschappelijke met de oorlogsherinnering te ontwikkelen. Die oorlogsherinnering die overal in de wereld vandaag de dag zo belangrijk wordt en die in 2014-2018 voluit ontwikkeld en nog versterkt zal worden ten opzichte van vandaag,  is  toch  een  ongelooflijke  troef  voor  de  streek.  Ik  kan  niet  anders  dan  het  op  die manier te zeggen. Welk soort Westhoek willen we? Mijnheer Verfaillie, ik zal daarvoor niet in uw plaats treden, maar ik wil de vraag stellen. Welk soort Westhoek wilt u en willen de burgemeesters? Is er voldoende plaats om die combinatie te maken?

Ik heb een technische vraag voor de minister. Ik heb begrepen dat de Vlaamse Bouwmeester een internationale opdracht heeft uitgeschreven voor de ontwikkeling van een ‘remembrance park’ in de Westhoek. Heeft die opdracht iets te maken met dit dossier of staat het er los van? Wat is de draagwijdte?

Ten slotte heb ik nog de vraag of het andere instrumentarium dat u in de ruimtelijke ordening wilt  inzetten  even  krachtig  is  als  het  UNESCO-erfgoed.  Hebt  u  dat  denkspoor  helemaal verlaten en hebt u daarover in de regering al een beslissing genomen? Want ik lees het op de website van uw collega bevoegd voor het internationale beleid op een andere manier. Mevrouw Mercedes Van Volcem: Ik wil een kleine aanvulling maken. Voor de Westhoek kan een label van UNESCO uiteraard een toeristische troef zijn, maar ik moet wel zeggen – en  dat  kunt  u  lezen  in  alle  recente  publicaties  van  UNESCO  –  dat  het  toerisme  op  zich eigenlijk geen argument is voor een erkenning, integendeel. Men heeft daar zelfs een beetje schrik van. Er is steeds meer kritiek dat UNESCO leidt tot de consumptie van het erfgoed en daar zou ik toch ook willen op wijzen. Ik begrijp dat u als minister van Erfgoed, maar ook van Toerisme altijd beide bekijkt, maar ik denk ook dat erfgoed meer dan dat moet zijn en dat men ergens een balans moet hebben tussen het erfgoed op zich dat kan worden uitgebaat, hoe

mensen   er   kunnen   wonen   en   hoe   men   het   authentieke   en   vooral   bij   kerkhoven   het intimistische karakter en de stilte zal kunnen bewaren in combinatie met de toeristische troef die u vooral beoogt.

De voorzitter: Minister Bourgeois heeft het woord.

Minister Geert Bourgeois: Ik ga proberen te komen tot een gecoördineerd antwoord en ook een beetje geschiedenis te geven omdat deze vragen voor mij de aanleiding waren om even terug te keren in het verleden van dit dossier waarin vroeger al heel wat gebeurd is en ook al heel wat beslist werd. Ik wil vooraf zeggen, een beetje ingaand op de laatste discussies, dat er een aantal zaken tegelijk lopen die heel belangrijk zijn voor de Westhoek. Er is inderdaad het toeristische aspect, voorzitter, waar we heel veel in willen investeren. Ik ben ervan overtuigd dat  het  een  belangrijke  impuls  kan  geven  voor  de  Westhoek  op  economisch  en  toeristisch vlak.  Het  is  een  troef  van  Vlaanderen  die  zorgt  voor  tewerkstelling  in  de  streek,  die  heel specifieke kenmerken heeft, die de frontzone is, die geen aaneengeschakeld stedelijk gebied is en waar nog een paar van de laatste echte plattelandsdorpen van Vlaanderen zijn, waar zich geen   grote   industrie   bevindt   en   waar   de   troeven   van   die   frontzone   kunnen   worden uitgespeeld. Dat gebeurt nu met goed succes.

Ik kom heel vaak in de streek, op allerlei herinneringsplaatsen en ik moet zeggen dat toerisme en erfgoed daar niet tegenover elkaar staan. U moet eens naar Tyne Cot gaan. Ik denk dat het een van de meest bezochte monumenten is. Ik kom daar heel veel, soms een keer per week. Ik ga daar graag een beetje wandelen en nadenken. Er komen heel veel mensen, maar het is geen toerisme dat op andere plaatsen vaak choquerend is en waar men geconfronteerd wordt met mensen die de plaats onteren of ontheiligen. Iedereen die er komt, doet dat met grote piëteit. De  zaken  zijn  combineerbaar.  Ik  moet  zeggen  dat  alle  plannen  die  nu  ingediend  zijn, schitterende initiatieven zijn. Er zijn er veel te veel, want we hebben maar 15 miljoen euro. Dat is eigenlijk veel geld, maar er zijn heel veel plannen ingediend voor meer bedragen. Het zijn allemaal heel bijzondere en goede plannen die heel nuttig zijn en daarbij een aanvulling vormen.

Een andere zaak is het internationale aspect. De heer Caron verwijst terecht naar wat op de website  staat.  Op  de  website  van  het  Departement  internationaal  Vlaanderen  staat  hopelijk ook nog meer. Het is immers ook de bedoeling om daar een internationale dimensie aan te geven, alsook een vredesdimensie. U herinnert zich de Verklaring van Ieper. Die contacten worden  voortgezet.  Er  zijn  samenwerkingsakkoorden  van  het  Departement  internationaal Vlaanderen  met  andere  landen.  Ook  dat  wordt  verder  uitgewerkt.  Een  aantal  van  die gemeentebesturen  wil  ook  heel  sterk  inzetten  op  dat  internationale  karakter  en  op  het aantrekken   van   mensen   uit   het   buitenland,   ook   met   speciale   ontmoetingsplaatsen   en dergelijke meer.

Een volgend aspect is het Herinneringspark, een initiatief met de Vlaamse Bouwmeester. Een aantal mensen had dat idee destijds ontwikkeld. Dat project loopt nu. Het kan hier natuurlijk niet los van worden gezien. Het beoogt de ontsluiting van het landschap vanaf Nieuwpoort tot in  het  zuiden.  Daar  is  een  internationale  wedstrijd  voor  uitgeschreven.  Het  voorstel  voor gunning  gaat  nu  naar  de  Inspectie  van  Financiën.  In  principe  zal  er  binnenkort  dus  een gunning kunnen gebeuren. Ik heb daar de precieze gegevens niet van bij, misschien kunnen we dat eens op een ander moment bespreken.

Dat is uiteraard op een onafhankelijke manier gejureerd en behandeld. Ik heb me daar niet in gemengd, maar ik heb gehoord dat er heel veel internationale belangstelling was en dat de kwaliteit heel hoog was.

Een laatste aspect is het erfgoed. Iedereen in deze commissie zal erachter staan dat wat zo kostbaar is, alle relicten op allerlei vlakken, beschermd wordt. Een bijkomende opgave is om aan  wat  al  beschermd  is,  nog  de  bijkomende  dimensie  van  UNESCO-werelderfgoed  te proberen geven. Dat is geen zekerheid, welk voorstel we ook indienen.

Maar die bescherming moet sowieso gebeuren, laat daar geen twijfel over bestaan. Die lijn is getrokken  door  voorgangers  en  wordt  nu  ook  doorgezet.  Ik  heb  een  beetje  gegraven  in  de geschiedenis  van  dit  dossier,  en  het  eerste  wat  ik  ervan  terugvind,  is  een  mededeling  van toenmalig  minister  Van  Grembergen  van  13  juli  2001.  Die  laat  weten  dat  hij  als  minister, bevoegd  voor  Monumenten  en  Landschappen,  het  oorlogserfgoed  van  Wereldoorlog  I  zou voordragen voor een erkenning als UNESCO-werelderfgoed. Ook in latere persmededelingen van de heer Van Grembergen lezen we dat hij de oorlogskerkhoven en -gedenktekens in de Vlaamse Westhoek wil opnemen in de lijst van het culturele werelderfgoed.

In 2002 liet België als lidstaat zijn indicatieve werelderfgoedlijst bij UNESCO aanvullen en actualiseren.  Onder  meer  het  voorstel  van  de  heer  Van  Grembergen,  om  de  getuigen  van Wereldoorlog I te laten erkennen als werelderfgoed, werd opgenomen op die indicatieve lijst. Het voorstel luidde: ‘Lieux de mémoire et monuments de la Grande Guerre’. De bijbehorende tekst   geeft   duidelijk  aan  dat   het   voorstel   zich   niet   meer   wil   beperken  tot   enkel   de oorlogskerkhoven en -gedenktekens. Ik citeer: “La région conserve de plus des éléments de l’architecture militaire tels que bunkers, miradors etcetera qu’il faudra également prendre en considération.” De uitbreiding die toen, in 2002, voorlag, betrof dus de monumenten en de materiële constructies.

Het   was   de   bedoeling   om   tot   een   selectie   van   relicten   te   komen,   omdat   die   een representatieve getuigenis vormen van die verschrikkelijke oorlog. Ik wil  ook benadrukken dat  er  op  dat  moment  geen  sprake  was  van  het  beschermen  van  gebieden.  Om  de  meest representatieve  oorlogrelicten  te  kunnen  selecteren  en  voordragen  aan  UNESCO,  wilde Vlaanderen  werk  maken  van  de  inventarisatie  van  het  oorlogserfgoed.  Ik  citeer  opnieuw:
“Dès 2004 permettra la vue d’ensemble ainsi obtenue permettre de juger s’il vaudra ou non sélectionner des cas représentatifs.”

Ten   gevolge   van   die   beslissingen   is   dan   tussen   2002   en   2005   een   grootschalig inventarisatieproject  gehouden  van  het  bouwkundige  erfgoed  van  Wereldoorlog  I.  Ik  wil benadrukken  dat  dat  een  samenwerkingsverband  was tussen  de  provincie  West-Vlaanderen en het toenmalige Monumenten en Landschappen.

De klemtoon lag op de inventarisatie van materiële en bovengrondse relicten, zoals bunkers, schuilplaatsen,  gedenktekens,  militaire  begraafplaatsen  en  noodwoningen.  In  2007  is  die inventaris  gekoppeld  aan  de  VIOE-databank  van  het  bouwkundige  erfgoed,  zodat  die informatie vlot ontsloten kon worden voor het grote en geïnteresseerde publiek. Je kunt dat allemaal terugvinden op de website van VIOE.

Gedurende die periode is het UNESCO-dossier voor de Westhoek steeds gedragen door de betrokken  partners  en  de  lokale  besturen.  Die  gedragenheid  door  de  lokale  overheden  is bijzonder belangrijk, mijnheer Caron, omdat je met beheersplannen moet werken. Ik refereer even aan onze discussie van daarstraks over Brugge: je moet meer doen dan het alleen maar voordragen, je moet er ook plannen rond hebben. Die gedragenheid was er, en er was zelfs een heel goede samenwerking op dat moment, zoals ik eerder al zei.

Iemand vroeg naar de regeringsbeslissingen, maar die zijn er bij mijn weten niet. Het dossier is tijdens de vorige regeerperiode grotere proporties gaan aannemen tussen 2006 en 2009. De heer  Van  Mechelen,  die  toen  bevoegd  was  voor  Onroerend  Erfgoed,  heeft  het  toen  gehad over  de hele frontzone. Die was volgens berekeningen van de Inspectie van Financiën 600 vierkante kilometer groot. Daarbij zou dan een inventaris moeten worden gemaakt.

De heer Van Mechelen zei dat men zich niet zou beperken tot de bescherming van relicten. Met   de   hulp   van   het   instrument   ‘ankerplaatsen-erfgoedlandschappen’   wou  hij   grotere gebieden, onder meer slagvelden, behouden en beheren. Een voorbeeld, dat ook in een vraag om uitleg werd aangehaald, is de Ieperboog, 28 kilometer lang en 8 kilometer breed. Ik heb echter geen officieel standpunt van de Vlaamse Regering teruggevonden. Het kan zijn dat het bestaat, maar  de administratie heeft  geen weet  van een regeringsbeslissing die zegt  dat  het

standpunt van 2002 wordt aangepast om tot een totale, omvattende benadering van die zone van 600 vierkante kilometer te komen.

In  de  beleidsbrief  van  2006-2007  kondigde  de  minister  aan  om een  actieplan  op  te  stellen voor ‘het inventariseren, het behoud en de eventuele bescherming van erfgoed uit de Eerste Wereldoorlog’.  Dat  actieplan  was  noodzakelijk  om  tot  die  verruimde  visie  inzake  het UNESCO-dossier te komen. In die beleidsbrief werd ook aangekondigd dat daar de nodige financiële middelen voor zouden worden uitgetrokken.

De inventaris van 2005, collega’s, voldeed duidelijk niet meer aan die optie. Het VIOE kreeg daarom de opdracht om de integrale inventaris, met bijhorend waarderingsonderzoek, vorm te geven. Die inventaris is gestart. Er zijn verschillende beschermingsdossiers van bouwkundige relicten opgestart. Een aantal daarvan is ook al afgerond.

Bij mijn aantreden als minister heb ik die situatie geërfd. Ik heb geen actieplan aangetroffen. De  inventaris  moest  ook  nog  beginnen.  Die  is  gestart  in  november  2009.  Ik  had  bij  mijn aantreden dus alleen nog maar de inventaris die was uitgevoerd onder het ministerschap van Paul Van Grembergen. Door het feit dat de inventaris nog moest worden uitgevoerd, zal het duren  tot  midden  2011  voor  we  erover  kunnen  beschikken.  Het  beschermingstraject  is volledig  afhankelijk  van  het  inventarisatietraject.  De  beschermingskalender  zou  dus  pas  in
2011 kunnen worden afgerond.

Ik heb dan bekeken hoe we dat instrumenteel kunnen aanpakken. Ik ben doorgegaan op de idee om heel dat gebied op de een of andere manier te kunnen voordragen als werelderfgoed bij UNESCO. Dat is een enorm gebied. Het is niet evident om daar een coherente visie voor te  ontwikkelen.  De  ankerplaatsen  zijn  volgens  de  administratie  geen  werkbaar  instrument gebleken.  Het  instrument  van  de  ankerplaats  heeft  zich  tot  nu  toe  op  slechts  één  plaats vertaald tot een erfgoedlandschap, met name voor een park in Brasschaat. Het is dan ook heel delicaat om de ontwikkeling van een heel groot gebied, de hele Westhoek, te laten afhangen van  een  instrument  waarvan  we  momenteel  nog  niet  kunnen  inschatten  wat  de  voor-  en nadelen zijn. Op zich is de ankerplaats niet het bescherminginstrument, het creëert wel een zorgplicht voor overheden, dus ook voor lokale overheden. Het was een voornemen, een plan, een optie die op heel wat bezwaren stuitte, vooral dan van de lokale overheden.

Het is de bedoeling om het UNESCO-dossier ten laatste in 2013 in te dienen in functie van een  eventuele  erkenning  in  2014.  Zelfs  wanneer  die  inventaris  midden  2011  klaar  is,  kan men, met de creatie van het nodige draagvlak en met voldoende structureel lokaal overleg, niet klaar zijn tegen 2013. Het is niet de bedoeling om die ankerplaatsen vast te leggen boven de hoofden van de lokale besturen. Het is de bedoeling dat te doen in overleg en participatie met  de  lokale  overheden  zodat  zij  zoveel  mogelijk  betrokken  worden  bij  het  voorstel  tot erkenning als werelderfgoed.

Een  eerste  toelichting  op  het  Westhoekoverleg  alsook  een  eerste  overleg  met  de  provincie
West-Vlaanderen is al gebeurd. Ik wil dat overleg structureel voortzetten.

Zoals  eerder  al  gezegd  heb  ik  mijn  twijfels  over  het  instrument  van  de  ankerplaats.  Er  is overleg geweest  met  de diverse administraties. Uiteindelijk is op 23 september jongstleden beslist niet meer te werken met het instrument van de ankerplaatsen.

Wat het instrument van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening (GSV) betreft, heeft de heer Van Mechelen gelijk. Ik heb in de commissie gezegd dat  het een voorstel  was dat door  mijn  administratie  geformuleerd  was  om  te  werken  met  een  specifieke  gewestelijke stedenbouwkundige verordening voor de projectzone. Tegelijkertijd heb ik er ook bij gezegd dat  ik daarover  overleg pleeg met  minister  Muyters en  met  onze  beider  administraties, het departement RWO, Ruimte en Erfgoed en het VIOE.

Op een schriftelijke vraag van 22 juni, enkele weken na die vraag om uitleg, heb ik gezegd dat  mijn  administratie  momenteel  een  onderzoek voert  naar  de  verschillende  instrumenten, waaronder de GSV, die kunnen worden ingezet in functie van het behoud van de slagvelden. Op  basis  van  de  afweging  van  de  diverse  voor-  en  nadelen,  heb  ik  gezegd  te  zullen concluderen wat de toepassingsmogelijkheden zijn van ieder instrument, en dus ook de GSV, in functie van het behoud van de slagvelden.

Het   overleg  met   minister   Muyters   en   met   de   diverse   administraties   heeft   regelmatig plaatsgevonden   in   de   zomer   waarbij   de   juridisch-technische   mogelijkheden   van   het instrument zijn onderzocht voor het UNESCO-dossier Wereldoorlog I. Het instrument voor dat  omvangrijke  gebied  van  meer  dan  600  vierkante kilometer,  bleek niet  functioneel.  Het gebied  is  ook  enorm  divers  en  complex,  waardoor  het  onmogelijk  is  om  via  gewestelijke stedenbouwkundige  verordeningen  te  komen  tot  een  duurzaam  behoud  en  beheer  van  het aanwezige erfgoed.

Na  uitvoerig  overleg  is  op  23  september  beslist  dat  deze  optie  niet  kan  leiden  tot  de doelstelling die we voor ogen hebben. Ik heb dan ook niet beslist om de actie stop te zetten, om tot een erkenning te komen van het werelderfgoed door UNESCO. Ik heb beslist dat we moeten   inzetten   op   een  andere   aanpak.   Ik  blijf   inzetten   op   de   bescherming   van   de monumenten. Dat is een constante in het Vlaamse beleid.

Bijkomend aan die relicten en die lieux de mémoire die op de aanvankelijke lijst stonden, wil ik ook selectief kleinere landschapsgehelen of archeologische sites beschermen als landschap en eventueel ook ruimtelijk verankeren waar dat kan.

Door de nadruk te leggen op relicten in plaats van gebieden, keer ik grotendeels terug naar het originele voorstel van 2002. Het grote verschil is wel dat ik een integrale aanpak beoog, waarbij  niet  alleen  bouwkundig  erfgoed  maar  ook  landschapselementen  en  archeologische relicten kunnen worden opgenomen in het UNESCO-dossier.

Mijn administratie heeft bekeken welke beschermingsinstrumenten het best worden ingezet, want  zoals de heer Verfaillie terecht opmerkt, verlangt  de UNESCO dat  de beschermingen eerst  op  nationaal  niveau  worden  gerealiseerd,  vooraleer  kan  worden  overgegaan  tot  een UNESCO-erkenning.

Wat   het   beschermingstraject   betreft,   zal   ik   kiezen   voor   twee   sporen.   Het   eerste beschermingsspoor  richt  zich  op  de  bescherming  van  het  bouwkundig  erfgoed.  Het  betreft materiële  en  bovengrondse  relicten  zoals  militaire  begraafplaatsen,  gedenktekens,  bunkers, schuilplaatsen  en  noodwoningen.  De  beschermingen  staan  in  functie  van  de  herdenkingen van  de  Eerste  Wereldoorlog  en  beperken  zich  trouwens  niet  tot  West-Vlaanderen.  De beschermingen  bevatten  dus  veel  meer  dossiers  dan  diegene  die  aan  de  UNESCO  worden voorgelegd.

Het bouwkundig erfgoed dat is beschermd of zal worden beschermd, is geselecteerd op basis van de inventaris Bouwkundig Erfgoed van de Eerste Wereldoorlog die gerealiseerd is tussen
2002 en 2005. Het is een beleid dat is gevoerd vanaf minister Van Grembergen en minister Van  Mechelen  tot  nu.  Vroeger  zijn  er  al  meerdere  beschermingsdossiers  afgerond.  De beschermingen van militaire begraafplaatsen zijn afgerond voor heel Vlaanderen, niet alleen voor  West-Vlaanderen. De gedenktekens zijn afgerond voor  West- en Oost-Vlaanderen. Er zijn ook nog kleinere dossiers zoals noodwoningen. Vorige week zijn er nog beschermd in Ieper, Kortemark en Veurne.

In  2011  staan  volgende  dossiers  op  de  beschermingsagenda:  noodwoningen,  bunkers  in  de frontstreek, oorlogsgedenktekens in Limburg en bunkerlinies in Antwerpen, Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant.

Een   tweede   beschermingsspoor   betreft   landschappen   zoals   typerende   zichtassen   en verdedigingslinies enerzijds, maar  ook archeologische sporen en sites anderzijds. Net  zoals dat  eerste  spoor  zullen  ook  deze  beschermingsdossiers  zich  niet  beperken  tot  de  provincie West-Vlaanderen.  De  te  beschermen  landschappen  of  archeologische  sites  in  de  Westhoek

zullen  worden  geselecteerd  op  basis  van  de  multidisciplinaire  inventaris  en  de  bijhorende waardering  die  medio  2011  zal  worden  opgeleverd.  Omdat  deze  inventaris  nog  niet  is afgerond, kan ik u dus nog geen beschermingskalender voorleggen. Ik kan dus ook nog niet zeggen  wat  de  prioritaire  gebieden  zullen  zijn  omdat  er  moet  worden  gewacht  op  de inventarisatie om keuzes te kunnen maken.

Er  is  dus  een  tweeledige  inzet  van  instrumenten.  Er  zijn  de  klassieke  beschermings- instrumenten als monumenten, landschappen of archeologische sites. En er is de verankering van erfgoedwaarden in RUP’s. Met behulp van de integrale inventaris, die midden 2011 klaar zal zijn, wil ik in overleg gaan met de provincie en de betrokken gemeenten met de vraag om de   aanwezige   erfgoedwaarden   zoveel   mogelijk   te   verankeren   in   de   provinciale   en gemeentelijke  RUP’s  die  zij  zullen  opstellen  of  in  opmaak  zijn.  In  het  kader  van  de projectoproepen  zijn  er   nu   al   steden   en  gemeenten   die   er   spontaan  mee   bezig  zijn. Bijvoorbeeld Ieper en Zonnebeke zijn bezig met de opmaak van omvattende RUP’s om die sites  op  te  nemen  en  de  ontsluiting  ervan  mee  te  realiseren,  soms  met  inbegrip  van  het aanleggen van wandelwegen. De verankering in de RUP’s kan dus een zeer goed instrument zijn.

Andere  beleidsvelden  zoals  landbouw  en  natuur  binnen  de  AGNAS-procedure,  ga  ik  ook proberen  te  betrekken.  AGNAS  is  het  afbakenen  van  de  gebieden  van  de  agrarische  en natuurlijke structuur. Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen wil immers de open ruimte in het  buitengebied  maximaal  vrijwaren  voor  landbouw,  natuur  en  bos.  Daarom  worden  de lopende  planningsprocessen  voor  landbouw,  natuur  en  bos  maximaal  op  elkaar  afgestemd binnen de AGNAS-structuur. Via een structureel overleg met landbouw en natuur hoop ik bij de  lopende  planningsprocessen  binnen  de  AGNAS-structuur,  de  erfgoedwaarden  zoveel mogelijk te laten verankeren.

Voor diegenen die eraan zouden twijfelen, wil ik zeer uitdrukkelijk zeggen dat ik wel degelijk oog en zorg heb voor  de ruimtelijke inpassing van het  aanwezige erfgoed. Ik denk dat  het instrument van verankering in RUP’s die door partners worden opgesteld – al dan niet via de aanduiding van ankerplaatsen en de vertaling naar erfgoedlandschappen –, zullen leiden tot een  veel  groter  draagvlak  en  dus  ook  een  beter  behoud,  beheer  en  ontsluiting  van  de aanwezige erfgoedwaarden. Het aspect van het lokale beheer, de lokale planning en de lokale inzet  daarvoor,  is  zeer  belangrijk.  We  hebben  dat  eerder  ook  al  gezien  bij  het  UNESCO- dossier voor Brugge. Ik denk dat op die manier de werkwijze die nu wordt voorgesteld, kan leiden,    na    het    afronden    van    de    inventaris,    tot    een    gedragen    beschermings-    en aanduidingstraject. De administratie werkt er in ieder geval heel sterk aan om het dossier nog te kunnen afronden in 2013.

Mevrouw Poleyn informeerde naar de aard van de vooropgestelde projectzone. Het integrale inventarisatieproject gebeurt in de zogenaamde frontzone, van Nieuwpoort tot Mesen, waar het  zwaartepunt  van  de  krijgsverrichtingen  van  de  Eerste  Wereldoorlog in  Vlaanderen  lag. Deze frontzone doorloopt 15 gemeenten: Nieuwpoort, Middelkerke, Diksmuide, Lo-Reninge, Houthulst, Staden, Langemark-Poelkapelle, Ieper, Zonnebeke, Heuvelland, Mesen, Koksijde, Veurne, Moorslede en Wervik. Gezien het  belang van het  landschap in het  verhaal  van de Eerste  Wereldoorlog,  is  het  noodzakelijk  dat  ook  de  op  dit  ogenblik  gekende  waardevolle landschappen, zoals beschreven in de landschapsatlas, die geheel of gedeeltelijk overlappen met deze frontzone, worden meegenomen. Hierdoor worden ook volgende gemeenten verder betrokken: Alveringem, Poperinge en Kortemark.

Ik  wil  nogmaals  benadrukken  dat  deze  projectzone  gericht  is  op  de  integratie  van  alle aanwezige  erfgoedwaarden.  Wat  zal  worden  geïnventariseerd,  zal  niet  automatisch  worden beschermd.  Enkel  de  op  Vlaams  niveau  meest  unieke  en  representatieve  relicten  zullen worden beschermd, en een selectie hiervan zal aan de UNESCO worden voorgedragen om te worden erkend.

Ik wil concluderen met een aantal bedenkingen. Ik blijf inzetten op overleg en participatie. Het  is  belangrijk  om  procedures  te  vinden  waarbij  we  de  lokale  overheden  meekrijgen.  Ik ervaar absoluut geen weerstand bij de lokale overheden tegen de voordracht als UNESCO- werelderfgoed. Ik ervaar alleen bezorgdheid, waarschijnlijk werd men een beetje opgeschrikt door wat zich in Brugge voordoet, over de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingskansen. Ik begrijp dat die bezorgdheid ook hier door diverse sprekers gedeeld wordt.

Het  UNESCO-dossier  zal  voldoende  gewicht  en  overtuigingskracht  blijven  hebben  als  we ons focussen op de meest representatieve relicten van WOI. Ik denk niet dat we een grotere impact op UNESCO kunnen hebben door hele gebieden op te nemen. Met deze aanpak gaan we sowieso ruimer dan het aanvankelijke voorstel van kerkhoven en gedenktekens, want we zullen  er  ook  archeologische  sites  en  landschappen  in  opnemen.  Als  men  er  in  2002  van overtuigd was dat het kon met de oorlogskerkhoven en gedenktekens, kan het dossier met de verruiming alleen maar aan kracht winnen. Ik beklemtoon dat we inzetten op kwaliteit eerder dan op kwantiteit.

Het  beschermingstraject, het  onderzoeken, het  inventariseren, het  beschermen, het  beheren, en  het  ontsluiten,  is  ruimer  dan  de  relicten  die  we  inzake  WOI  zullen  voorleggen  en  het centrale gegeven hierbij  is het  behoud en het  beheer van de erfgoedwaarden, niet alleen in functie van de herdenking van de Groote Oorlog, we willen dit erfgoed ook bewaren voor alle komende generaties. Het is uiteraard zo dat een erkenning door UNESCO een kers op de taart zou zijn, maar de bescherming staat bij mij voorop, dat is het belangrijkste gegeven.

Ik wil  waarschuwen voor  al  te grote verwachtingen bij  de erkenning door  UNESCO. Heel veel factoren zijn op dit ogenblik niet zo gunstig. Door de landen van buiten Europa wordt gezegd   dat   West-Europa   nu   al   overbedeeld   is   inzake   erkenning   van   werelderfgoed. Anderzijds ben ik ervan overtuigd dat, zoals diverse sprekers hier al opmerkten, het slagveld van  WOI  bijzonder  uniek  en  waardevol  is  en  we  dus  intrinsieke  kwaliteiten  en  troeven hebben. Het zal niet evident zijn.

Frankrijk heeft al aangegeven dat het daar minder prioritair is. Hoe dan ook stelt Frankrijk niet  te  streven  naar  een  erkenning  voor  2014.  Ik  heb  mijn  Franse  collega’s  hierover aangeschreven, zowel minister Mitterand, die bevoegd is voor cultuur en communicatie, als minister Borloo, die bevoegd is voor ecologie, energie, duurzame ontwikkeling en de zee. Ik heb ook Waals minster Lutgen aangeschreven, want die is ook bevoegd ter zake. Ik heb van hen   nog   geen   officiële   reactie   ontvangen.   Mevrouw   Poleyn,   u   informeerde   naar   de samenstelling en de opdracht van het begeleidende wetenschappelijke comité. Dat comité wil ik proberen samen te stellen in samenwerking met Frankrijk en Wallonië. Ook de precieze opdracht ervan zou ik graag samen met hen bepalen.

Vanuit  het  projectsecretariaat  Herdenking Groote  Oorlog zijn  er  wel  al  werkvergaderingen geweest. Het meest recente dateert van 15 september, en vond plaats met vertegenwoordigers van  het  departement  Meuse  en  van  de  Franse academische  wereld.  Die  gesprekken  zullen, waarschijnlijk  in  januari,  resulteren  in  een  vergadering  met  vertegenwoordigers  van  alle betrokken  Franse  departementen.  Ook  Frankrijk  zal  hiervoor  uitgenodigd  worden,  maar volgens  de  laatste  berichten  van  de  Franse  regering  zal  dit  worden  gedelegeerd  aan  de departementen.

Ik wil er ook op wijzen dat vooral de grotere UNESCO-landen, de VS, Rusland en China, om politieke  redenen  heel  terughoudend,  zo  niet  negatief  en  argwanend,  staan  tegenover  de erkenning van slagvelden als werelderfgoed. Ze vrezen daar een precedentswaarde in te zien en men refereert dan aan andere conflicten zoals Wounded Knee en Vietnam. Die landen zijn niet  onze  spontane  partners,  het  omgekeerde  is  waar,  maar  wij  hebben  sterke  intrinsieke kwaliteiten om het dossier te bepleiten.

Guy Debonnet van het UNESCO ‘World Heritage Centre’ heeft laten weten dat er over ons dossier zeker te praten valt, maar dat het niet evident zal zijn om een dergelijke site op de lijst

 

te plaatsen. Toch blijf ik erin geloven, en ik meen dat we dat met zijn allen moeten doen. Het is bijzonder belangrijk om de erkenning binnen te halen, ook al moet ik ook hier weer een nuance aanbrengen. Sinds 2001 hebben we één lijn getrokken, de lijn Van Grembergen-Van Mechelen-Bourgeois, en gesteld dat  de beschermingen moeten gebeuren om het  erfgoed te bewaren. Dat zijn we aan onszelf verplicht, los van de UNESCO-erkenning.

Bij het dossier-Brugge heb ik al gezegd dat er geen economische studies zijn over de waarde van een erkenning en daarom herhaal ik het beeld dat ik al heb gebruikt: het is een kers op de taart. We willen nu eerst de taart klaarmaken en ervoor zorgen dat we een brede bescherming hebben zodat we voor heel het grondgebied kunnen zorgen voor het behoud van het erfgoed om het  door  te  geven  aan  wie  na  ons  komt,  en  vooral  ook om er  een  zinvolle toeristische activiteit rond te ontwikkelen.

De voorzitter: De heer Verfaillie heeft het woord.

e  heer  Jan  Verfaillie:  Voorzitter,  ik  wil  de  minister  bedanken  voor  zijn  antwoord  en  ik noteer dat hij in dezen een grote verantwoordelijkheid geeft aan de lokale besturen. Dat zien we  graag  en  dat  past  ook  in  de  subsidiariteit  en  in  andere  plannen  waarmee  we  in  andere commissies bezig zijn. Ik kan het alleen maar toejuichen om grote verantwoordelijkheid te geven aan de lokale besturen. Mijnheer Caron, na de uiteenzetting van de minister hebt u nu misschien een iets andere zienswijze.

Ik denk dat we moeten uitgaan van twee principes. Er moet respect zijn voor het verleden en dat verleden moet alle kansen geven voor de toekomst. We moeten echter ook andere kansen bieden en geven voor de toekomst in de Westhoek. Het oorlogsverleden is zeer belangrijk. Ik ben  me  daar  terdege  van  bewust.  De  minister  heeft  aangehaald  dat  heel  wat  gemeenten  al dossiers  hebben  ingediend  om  te  kunnen  rekenen  op  de  subsidiëring  door  de  Vlaamse overheid  om  een  aantal  nieuwe  initiatieven  te  nemen  inzake  2014-2018.  Ondanks  het belangrijke oorlogsverleden mogen we niet vergeten dat we onze regio ook op economisch vlak en op andere vlakken alle kansen moeten bieden voor ontwikkeling.

De voorzitter: De heer Sintobin heeft het woord.

De  heer  Stefaan  Sintobin:  Minister,  ik  dank  u  voor  het  heel  omstandig  antwoord.  Het antwoord ligt geheel in de lijn van de visie van onze fractie tijdens de afgelopen jaren in deze commissie.  Ik  ben  ook  verheugd  dat  vooral  het  maatschappelijk  draagvlak  en  structureel overleg een  heel  belangrijke  plaats inneemt  in  dit  dossier.  Uw  aanpak willen we  eveneens graag ondersteunen.

Mijnheer  Caron,  net  zoals  de  heer  Verfaillie  heb  ook  ik  de  afgelopen  jaren  de  nodige aandacht  voor het  erfgoed gehad in deze commissie. Er  werd gesuggereerd dat dit niet  het geval is. Ik onderschrijf evenmin uw thesis dat de bescherming van het erfgoed geen invloed zou  hebben  op  de  economische  ontwikkeling  van  een  regio,  van  een  streek.  Ik  zal  de discussie niet voeren, mijnheer Caron. Dat zou ons veel te ver leiden. U kent ongetwijfeld het dossier over Pilkem Ridge. Het werd even aangehaald door de heer Vandaele. Pilkem Ridge werd  beschermd,  waardoor  de  A19  niet  kon  worden  doorgetrokken.  Enkele  jaren  nadien betoogt  u dan tegen de verbreding van de N8, waardoor  een hele streek niet  ontsloten kan worden.

Mevrouw  Van  Volcem,  u  hebt  een  opmerking  gemaakt  over  de  overdreven  toeristische impact  van  het  dossier.  Net  zoals  de  minister  vind  ik  dat  de  impact  van  het  toerisme  een enorm goede zaak is voor de economie en de tewerkstelling in de regio.

Mevrouw  Mercedes  Van  Volcem:  U  mag  me  niet  verkeerd  begrijpen.  Ik  ben  ook  voor toerisme.

De heer Stefaan Sintobin: Net zoals de minister bezoek ik regelmatig Tyne Cot. Ondanks de vele toeristen, is er  de nodige piëteit. Men kan niet  zeggen dat  het  echt  om massatoerisme gaat.

De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.

Mevrouw Sabine Poleyn: Minister, ik dank u voor uw zeer uitputtend antwoord. We hebben een antwoord gekregen op onze vragen.

Ik feliciteer u om het besef dat het misschien niet haalbaar was om met de ankerpunten en gewestelijk stedenbouwkundige verordeningen verder te gaan. Wat het alternatief betreft dat u nu aan het opbouwen bent via de inventaris en daarna de bescherming van landschappen en archeologische  sites,  roep  ik  u  op  om  zodra  er  duidelijkheid  bestaat  over  de  betrokken gebieden,  zo  snel  mogelijk  overleg  te  plegen  met  de  betrokken  gemeenten  en  provincie, eventueel  ook met  verenigingen  van  landbouwers  en bedrijven.  Op  die  manier  kunt  u  snel klaarheid scheppen over  de impact van een bescherming, al  is het op kleinere schaal. Men weet dan vooraf waarover het gaat en wat de mogelijke gevolgen zijn, zodat we niet zoals nu misschien onnodig paniek creëren.

Ik vind het  ook wel  goed dat  u dat in het  algemene beleid Ruimtelijke Ordening, zoals de RUP’s,  opneemt  en  in  de  afbakening  van  het  agrarisch  gebied.  Maar  ook  daar  ben  ik  een groot voorstander van overleg met de betrokkenen.

Bijkomend stel ik voor om meer nadruk te leggen op de kansen en opportuniteiten, niet alleen vanuit toeristisch oogpunt, maar ook vanuit andere, misschien financiële, die er zijn voor de gemeenten, de eigenaars, de gebruikers van de landschappen.

Ik zou u ook willen aansporen ambitieus te blijven voor de erkenning zelf als werelderfgoed bij de UNESCO en de collega’s van Wallonië en Frankrijk aan te sporen om verder te gaan met de procedure, het wetenschappelijk comité samen te stellen en die aanvraag effectief in te dienen. We moeten ervoor zorgen dat we op het punt van de bescherming niet gepakt kunnen worden. Als men dat om politieke redenen niet wil doen, dan is dat de verantwoordelijkheid van  een  of  andere  raad  van  bestuur  of  UNESCO  zelf.  Maar  wij  moeten ervoor  zorgen  dat onze dossiers goed zijn opgesteld zodat we niet gepakt kunnen worden op procedurefouten.

Ik vind het ten slotte heel belangrijk dat bij de herdenking van ’14-’18 het landschap, al dan niet beschermd, te gebruiken als een soort ontsluiting van het verhaal over wat er is gebeurd. U bent ook coördinerend minister voor de herdenking van ’14-’18. Ik wil er u toch op wijzen dat  het  niet  alleen  maar  om  een  toeristisch,  een  erfgoedaspect  en  een  ruimtelijke  of geografische ontsluiting gaat, maar ook om een ontsluiting voor de mensen, om een sociale ontsluiting.  Dat  geldt  niet  alleen  voor  de  buitenlanders  die  hier  hebben  gevochten  en  wier familie hier  op bezoek komt,  maar  ook voor  de eigen  bevolking.  En  dat  vergeten  we al  te vaak.  We  hebben  een  heel  aspect  van  herinneringseducatie,  heel  wat  initiatieven  worden genomen  in  de  regio.  Ook  de  landschappen  kunnen  heel  wat  interessante  methodieken opleveren  om  onze  eigen  kinderen  in  de  Westhoek,  in  Vlaanderen,  zelfs  in  heel  België  te vertellen wat er 100 jaar geleden is gebeurd en hoe die herinnering tot meer vrede zou moeten kunnen  leiden.  Ik  zou  graag  hebben  dat  het  verhaal  over  oorlog  en  vrede  mee  wordt opgenomen in het aspect erfgoed.

De voorzitter: De heer Van Mechelen heeft het woord.

De heer Dirk Van Mechelen: Ik onthoud twee zaken. In juni hebben wij het meest voor de hand  liggende  instrument,  de  ankerplaatsen,  al  of  niet  omgezet  naar  erfgoedlandschap, verlaten.  Toen  werd  het  instrument  van  de  gewestelijke  stedenbouwkundige  verordening aangekondigd.  Ik  heb  begrepen  dat  we  dit  vandaag  begraven.  We  keren  nu  terug  naar  de klassieke  beschermingsmethodes,  die  vanzelfsprekend  erg  waardevol  blijven.  We  zijn  daar zeer intensief mee gestart, al was het maar om datgene te beschermen waarvan iedereen dacht dat het al lang beschermd was: onze militaire begraafplaatsen. Minister, ik vrees dat we er op deze manier nooit zullen komen.

Minister, u eindigt met te zeggen dat de UNESCO het ook niet ziet zitten om de slagvelden als Werelderfgoed te bewaren. Bij  mijn weten zijn al die zones in Frankrijk al als ‘lieu demémoire’  beschermd.  Bijvoorbeeld in  Verdun  en  omstreken  mag er  gewoon  niet  gebouwd worden.   Dat   is   zeer   verregaand.   In   de   Verenigde   Staten   zijn   er   slagvelden   van   de Burgeroorlog   geklasseerd   en   bewaard   als   Werelderfgoed.   We   moeten   dus   niet   zo pessimistisch  zijn.  Maar  als  we  het  natuurlijk  niet  eens  zijn  over  de  instrumenten  die  we inzetten om ons doel  te bereiken, de definitieve bescherming van dat  waardevolle erfgoed, zullen we nooit aan de streep geraken. Ik vrees dat we hier de kans hebben gemist om iets historisch te doen. Laat de geschiedenis daar dan maar over oordelen.

De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.

De heer Bart Caron: Minister, het valt mij op dat u heel hard uw best doet om aan te tonen dat u het dossier een warm hart toedraagt en dat u ook alle instrumenten wilt inzetten om tot bescherming te komen en om met zorg met dat erfgoed om te gaan. Anderzijds merk ik in deze vergadering bij een aantal collega’s, aan hun schriftuur en aan hun manier van spreken, een  zeer  groot  voorbehoud  tegen  een  te  erfgoedberichte  benadering.  Ik  merk  een  grote dubbelzinnigheid.

Minister, ik voel dat ook bij u aan. U wilt er wel voor gaan maar u wordt zeer sterk afgeremd door collega’s om niet te hard door te rijden. U wilt op kop rijden en goed doortrekken, maar het is wel duidelijk dat er niemand uit het peloton mag lossen. Daardoor dreigt u, zoals de heer Van Mechelen zegt, noch mossel noch vis over te houden. We zullen gelukkig wel die sites  hebben  beschermd,  we  zullen  een  stukje  van  die  waardevolle  landschappen  hebben beschermd. Het is niet niets, maar het mist de wervende kracht van het grote verhaal, dat ook een  maatschappelijk belang heeft.  Het  gaat  niet  alleen  om  materieel  erfgoed  maar  ook om mentaal erfgoed. Dat heeft een onwaarschijnlijk grote betekenis.

De  naam  ‘UNESCO’  wordt  in  Vlaanderen  langzamerhand  een  verwijtterm.  Dat  is  geen kwaliteitslabel meer. “Opgepast, de UNESCO komt weer kijken, laat ons maar gaan lopen.” Men put zich dan uit om een bocht te nemen, en dan probeert men toch een aantal dingen te realiseren.

Minister, ik twijfel niet aan uw goede intenties. Ik wens u toe dat u moedig en koppig doorzet in dat dossier en dat dat wervende verhaal terugkeert, met zijn – terecht – grote ambitie. Mijnheer  Sintobin,  ik  ben  niet  de  doodgraver  van  de  economische  ontwikkeling  van  die streek. Verre van. Ook niet op het vlak van mobiliteit en zeker niet op het vlak van natuur. Er is daar nog heel veel werk te doen.

De mentaliteit verandert. In 2001 en 2002 vonden we het al een grote stap als we die relicten zouden beschermen. We zijn bijna 10 jaar later en we komen dichter bij de herdenking van die oorlog. Daarom wordt het des te belangrijker.

Met enkele bestuurders en leden van dit parlement gaan we binnen 2 weken naar Verdun. Ik zal daar navragen hoe de politieke verantwoordelijken daar met dit dossier omgaan. Al zeg ik het van mezelf, ik ben een kenner van de Argonne. Dat is de streek tussen Reims en Verdun. In die frontstreek hebben vooral Amerikanen gevochten. De Voie Sacrée, u kent dat wel. Ik weet niet of men daar naar het Werelderfgoedstatuut streeft, maar men streeft er wel naar het grote verhaal. Het is zo ingebed in de streek en in alles wat er is. Ik wens dat u koppig bent en dat u dat grote verhaal in de mate van het mogelijke uitstraalt. Laat u niet kortwieken door het kortetermijndenken dat ik hier af en toe hoor. Ik hoor veel collega’s eerder spreken over de bezwaren dan over de kansen.

De voorzitter: Minister Bourgeois heeft het woord.

Minister  Geert  Bourgeois:  Het  is  niet  zo  dat  ik  het  ankerplaatseninstrument  laat  vallen, zoals de heer Van Mechelen, die nu vertrokken is, zegt. Ik laat het vallen als gebiedsdekkend instrument.  Dit  zal  niet  werken.  Dat  instrument  is  nog  maar  één  keer,  in  een  park  in Brasschaat,   toegepast.   600   vierkante   kilometer   met   dat   instrument   gebiedsdekkend aanpakken,  dat  is  één  groot  vraagteken.  Dat  zal  kolossaal  veel  arbeid  en  kolossaal  veel problemen met zich meebrengen. We weten op voorhand dat we er zo niet zullen komen. Mijnheer Caron, ik ben zeer ambitieus. Ik keer terug naar de ‘lieu de mémoire’-idee maar ik breid hem uit. De gedachtegang van de heer Van Grembergen betrof de kerkhoven en later de oorlogsgedenktekens. Ik breid dit expliciet uit met de landschappen en met de archeologische sites.

Dat gebiedsdekkende instrument is niet werkbaar. Er is in heel Vlaanderen maar één groot gebied:  het  Zoniënwoud.  Dat  is  een  bos.  Het  is  bijzonder  moeilijk  om  op  600  vierkante kilometer  met  die  instrumenten  gebiedsdekkend,  als  ankerplaats,  of  met  een  gewestelijke ruimtelijke verordening te werken.

Dit  betekent  niet  dat  we  de  ambitie  loslaten.  Ik  zal  zeer  ambitieus  streven  naar  die bescherming. Dat wordt voortgezet. Dat is een constant beleid binnen de Vlaamse Regering. Ik heb recent nog noodwoningen beschermd. We maken al die beschermingen klaar.

Een groot aantal daarvan zal worden ingediend bij de UNESCO, maar wat ook belangrijk is voor het UNESCO-dossier is dat we een draagvlak hebben. Dat wordt ook mee beoordeeld door ICOMOS. We moeten dat niet noodzakelijk als negatief zien. Mijn ervaring is niet dat men tegen is. Elke vergelijking loopt mank. Er kan niet worden vergeleken met de immense ruimten  die  er  zijn  in  Frankrijk  of  de  Verenigde  Staten.  Vlaanderen  is  zo  ongeveer  het dichtstbevolkte  gebied  dat  men  zich  maar  kan  voorstellen.  Dat  is  één  verstedelijkt  gebied. Zelfs de Westhoek is ook al sterk doorsneden. U kent die streek ook. Dat is ook al niet meer één grote open vlakte. We moeten daar dus ook rekening mee houden.

Dat  draagvlak  is  dus  een  belangrijk  element.  Ik  ga  niet  op  kop  rijden  als  het  peloton  niet volgt. Dat betekent absoluut niet dat we onze verantwoordelijkheid niet moeten opnemen, dat we het niet moeten doen. Ik hoop dat u die indruk niet hebt. Ik ben zeer voluntaristisch wat dit betreft. Ik ga ervoor, met een heel grote gedrevenheid. Ik heb alleen willen zeggen dat de buit niet binnen is: ook als we met een sterk dossier voor de dag komen, zullen we het niet noodzakelijk halen.

Mijnheer Van Mechelen, u besluit dat ik het al niet meer zie zitten. Dat is niet waar. Ik heb gewoon  willen  zeggen  dat  het  niet  evident  is.  Er  wordt  geconstateerd  dat  er  in heel  West- Europa al te veel zijn. Er is sprake van een overbedeling. Het is dus zaak een goed dossier te hebben.  Dat  zullen  we  nu  precies  maken,  met  die  combinatie  van  die  monumenten  en gedenktekens met die landschaps- en archeologische sites. Dat zal een kwalitatief heel sterk dossier zijn. Ik hoop dat we dat ook ruimtelijk kunnen verankeren, op een aantal plaatsen. Ik heb nu al zeer goede vooruitzichten ter zake. Ieper en Zonnebeke zijn daar al mee bezig. Ik denk  dat  we  een  heel  sterk  dossier  kunnen  maken,  door  een  combinatie  van  al  die verschillende elementen.

De voorzitter: Het incident is gesloten.

 

 

 

 

 

 

2010

2009

2008

 



 

 

Sabine Poleyn - Vlaams volksvertegenwoordiger - Otegemstraat 131, 8550 Zwevegem, 0472 27 69 99 - Tel 02 552 43 27

creatie www.soete.be