Vraag om uitleg van de heer Dirk Van Mechelen tot de heer Geert Bourgeois, viceminister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand, over de koppeling van de inventaris van het bouwkundig erfgoed aan het vergunningenregister.
De voorzitter: De heer Van Mechelen heeft het woord.
De heer Dirk Van Mechelen: Voorzitter, minister, de vraag is geïnspireerd door het antwoord van de minister op mijn schriftelijke vraag met betrekking tot het up-to-date houden van de inventaris van het bouwkundig erfgoed en de kwalitatieve en kwantitatieve beschrijving van de relicten in de inventaris.
Minister, eerst en vooral geeft u aan dat wijzigingen in de bewaringstoestand van relicten worden geregistreerd door het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) als dat in het kader van het eigen inventarisatiewerk vaststellingen doet, wat mij nogal evident lijkt. Blijkbaar wordt ook gebruik gemaakt van informatie die wordt aangereikt door derden die zoals we weten, in de erfgoedsector bijzonder waardevol zijn.
Als tweede geeft u ook aan dat de inventaris van het bouwkundig erfgoed niet zal worden gekoppeld aan het vergunningenregister, omdat dit register, volgens u, een indicatie geeft van mogelijke ingrepen, maar er niet kan worden uit opgemaakt wat de invloed op de bewaringstoestand van het relict is. Bijkomend wijst u er ook op dat niet alle werken die vergund zijn, daadwerkelijk ook worden uitgevoerd. U bent dan ook geen voorstander van een automatische koppeling tussen vergunningenregister en inventarisatiedatabank.
Ik beschouw dit echt als een gemiste kans. Ik geef u maar één voorbeeld. Door aanpassingen in het vergunningenregister van datagegevens zoals bijvoorbeeld adressen, huisnummers en nieuwe straatnamen, krijgt men een automatische update van de inventarisatiedatabank.
Ik heb de indruk dat we de lessen uit het verleden nog steeds niet hebben geleerd. We zijn ongeveer 40 jaar bezig om een basisinventaris van het Vlaams grondgebied op te maken. U geeft zelf aan – en iedereen in de sector weet dat ook – dat er opnieuw verschillende decennia zullen nodig zijn voor actualisatie, herinventarisatie en uitbreiding van de inventaris.
Het kan toch niet de bedoeling zijn dat we in deze vicieuze cirkel blijven. Ik zou het zelfs een vicieuze spiraal noemen, waarin we telkens achter de feiten aanhollen. Als ik me niet vergis heeft de Raad van State recent nog een bescherming in Herentals vernietigd omdat de beschrijving van de intrinsieke erfgoedwaarden in het beschermingsdossier niet langer bestonden omdat er enkele maanden voor het opstarten van de procedure ingrijpende en vergunde aanpassings- en verbouwingswerken werden gerealiseerd.
Tot slot heb ik nog een bedenking. De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening trachtte net met het verplicht verlenen van een advies om tot een sloopvergunning te komen, een soort
‘warningknop’ in het vergunningenregister te installeren zodat geïnventariseerde gebouwen toch zouden worden onderworpen aan een bijzondere procedure en dit tot een soort kruisbestuiving zou kunnen leiden tussen enerzijds de inventarisatiedatabank en anderzijds het up-to-date houden van adequate vergunningenregisters. Ik zie het dus in twee richtingen. Minister, ik heb een paar vragen. Misschien komen de eerste vragen wat detaillistisch over. Op dit moment zijn er in de inventaris ‘Bouwen door de Eeuwen heen’ ongeveer 75.000 relicten opgenomen. Hoeveel plaatsbezoeken zullen er wel niet nodig zijn om in functie van het aanpassen, aanvullen en evalueren van de bewaringstoestand dit tot een goed einde te kunnen brengen? Het gaat over 75.000 stuks. Als je dit op een systematische manier wilt aanpakken, zou ik niet durven in te schatten hoeveel mensen moeten worden ingezet.
Van hoeveel andere relicten werd informatie aangereikt? Hoe werd die informatie concreet gecheckt? In hoeveel gevallen werd een wijziging vastgesteld en over welke wijziging gaat het? Hoeveel mensen zijn bezig met de evaluatie van deze wijzigingen in bewaringstoestand op het terrein? Er zijn 308 gemeenten in Vlaanderen.
Mijn laatste vraag is een politieke vraag. Misschien moet u eens wat duiding geven over de reden waarom u geen voorstander bent van een verstandige koppeling van de inventarisatiedatabank aan het vergunningenregister, waarbij ik, voor alle duidelijkheid, een soort tweerichtingsverkeer zie. Laat me duidelijk zijn: vandaag worden alleen nog vergunningen aangevraagd voor echt ingrijpende werken. U weet dat met de vrijstelling van kleinere bouwwerken en de meldingsplicht die nu van start gaat, de echt ingrijpende werken, waaronder sloopvergunningen, het voorwerp zullen uitmaken van een bijzondere afweging. Het zou eigenlijk heel eenvoudig moeten zijn om het ene het andere te laten bevruchten.
U zegt dat u niet weet of die werken wel worden uitgevoerd, maar daarvoor hebben we in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening natuurlijk juist het as-built attest ingevoerd. Ook als er werken worden uitgevoerd aan geïnventariseerde gebouwen, kan daarmee nadien exact worden vastgesteld of men zich aan de regels heeft gehouden en of er correct geïnventariseerd werd.
Minister, een vergunningenregister kan ook de basis vormen voor inventarisatie van hedendaagse architectuur die de kwaliteiten bezit om op termijn in de inventaris te worden opgenomen. U weet dat we gestart waren met die inventarisatie en ook met het klasseren van een aantal gebouwen. Ik meen dat de woning van architect Lucien Engels de eerste was. We zijn daarmee doorgegaan met, ook een beetje geïnspireerd door de omstandigheden, het inventariseren van het werk van Jo Crepain en het klasseren van een aantal van zijn gebouwen. De vergunningenregisters kunnen een bijzonder waardevolle inbreng hebben als we ze eventueel nog bijkomend ontsluiten met het oog op een goed inventarisatiebeheer en
als we ze gebruiken als basis voor de uitbreiding van onze inventaris ‘Bouwen door de eeuwen heen’.
De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.
De heer Bart Caron: Voorzitter, collega’s, ik wil me graag aansluiten bij de vraag van de heer Van Mechelen. Ik vermoed dat het antwoord zal zijn dat het een heel complexe en moeilijk te realiseren opdracht is. Alles kan stapsgewijs gebeuren, zoals de heer Van Mechelen zegt. We hebben er ook 40 jaar over gedaan om onze, bijna afgewerkte, inventaris op te maken.
Ik wil onderstrepen dat er vandaag heel veel misverstanden bestaan over de juridische waarde van de inventaris enerzijds en van beschermde gebouwen anderzijds. Gisteren heb ik daarover nog een incidentje meegemaakt. Duidelijkheid hierover is noodzakelijk.
Er is nu een dubbele tendens in onze regelgeving inzake erfgoed. Aan de ene zijde verlichten we de procedures. Zo bouwen we de machtiging van ambtenaren af en vervangen we die door afwegingen, adviezen en gemotiveerde beslissingen, bijvoorbeeld van het schepencollege bij ontvoogde gemeenten. Dat is goede zaak, want daarmee maken we de procedures korter en leggen we de beslissingen op het politieke niveau. Als we dat doen, moeten we anderzijds het politieke niveau ook wapenen met voldoende informatie om de afweging zo goed mogelijk te doen.
Mijnheer Van Mechelen, ik heb er mee voor gepleit om bij slopingsvergunningen het verplicht te vragen advies in het dossier te steken. In veel gemeentebesturen is dit een gevoelig punt, dat is heel goed, maar er kan ook overruled worden. De politieke beslissing is de laatste, dat is een groot verschil met vroeger. Dit valoriseert de inventaris, maar die kunnen we maar als instrument blijven bewaren als die zo volledig mogelijke informatie bevat om de politieke afwegingen door besturen mogelijk te maken.
We merken nu al dat de inventaris op veel punten, veel fouten vertoont. Dat is geen verwijt, het is een gevolg van allerlei ingrepen in de samenleving door bouwwerken en door vergunningen. Heel wat gebouwen zijn al verdwenen. Zonder dat dit dwingend hoeft te zijn, moeten we minstens de informatiebronnen over wat waardevol is, aan elkaar koppelen. Laten we de inventaris koppelen aan het vergunningenregister, aan het as-built attest, want dan zullen we adequate informatie hebben die up-to-date is en die kan leiden tot betere politieke beslissingen. De erfgoedwaarde in de afwegingen is buitengewoon belangrijk en moet adequaat kunnen gebeuren.
De voorzitter: Mevrouw Rombouts heeft het woord. Mevrouw Tinne Rombouts: Voorzitter, minister, ik wil me aansluiten bij deze vraag omdat ik bezorgd ben over de gebouwen die op de inventaris staan. Ik zal me niet uitspreken over de inventaris op zich en de juridische waarde ervan, want dat is stof voor een andere discussie. Als een gebouw op de inventaris staat, is het belangrijk dat de burgers daar ook adequaat over worden ingelicht. Ik stel echter vast dat als iemand een woning wil kopen en daarvoor naar de dienst Ruimtelijke Ordening gaat, het vergunningenregister vandaag het heilige boek is. De
dienst bekijkt wat er effectief vergund is, wat in het vergunningenregister werd opgenomen, maar men vraagt zich niet automatisch af, ook de burger niet, of de woning nog op een andere lijst voorkomt. Een link naar het vergunningenregister kan inderdaad interessant zijn, niet enkel bij vergunningsaanvragen of bij sloopwerken. Nu komen mensen er vaak pas op uit dat de woning op het register staat op het moment dat ze de aankoopakte ondertekenen, want dan moet alles effectief worden opgevraagd.
Een koppeling aan het vergunningenregister kan met het oog op informatie voor de burgers heel belangrijk zijn. Ik wil u daarom vragen dat naar synergieën wordt gezocht. We hebben de sector Erfgoed en we hebben de sector Ruimtelijke Ordening, en het is belangrijk voor de burger dat een zaak niet apart wordt bekeken. De administratie werkt al heel erg samen, het
lijkt me dan ook interessant dat ook de ministers eens samen onderzoeken op welke manier er synergieën zijn om de informatieoverdracht naar de burgers maximaal, coherent en via één instrument te bundelen in plaats van met aparte inventarissen en instrumenten te moeten werken. Ziet u het zoeken naar synergieën als een mogelijkheid?
De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.
Mevrouw Sabine Poleyn: Voorzitter, ik wil als leek in deze commissie toch de kans benutten om me aan te sluiten, vooral bij de opmerkingen van de heer Caron en van mevrouw Rombouts. Als parlementslid wil ik even signaleren dat ik in mijn provincie heel vaak situaties opmerk van mensen die ineens tot de vaststelling komen dat hun woning op de lijst staat.
Het probleem is dat die mensen, maar ook de gemeentebesturen vaak het gevoel hebben dat de huizen op een heel arbitraire manier op de lijst terecht zijn gekomen. Waarom het ene huis wel en het andere niet? Ik stel me vragen bij de keuze. (Opmerkingen van de heer Bart Caron)
Is dat een andere discussie? Ik ken de voorgeschiedenis niet, dus wil ik me excuseren als ik op zere tenen trap. In mijn provincie doet het verhaal de ronde dat de lijst werd samengesteld door jobstudenten. Ik weet niet of dat waar is, maar ik hoop dat het maar een legende is.
(Opmerkingen van de heer Bart Caron)
Ik stel me ook vragen bij de moeilijke communicatie over de lijst. Het is wellicht overdreven om te stellen dat alle burgers er met een aangetekend schrijven van moeten worden verwittigd dat ze op de lijst staan, maar nu is de situatie te onduidelijk. Mensen worden bang, ze denken dat ze een beschermd monument bezitten waar ze niets meer aan mogen veranderen. Ik zou de minister dan willen aansporen om werk te maken van de communicatie, maar liefst op een zo positief mogelijke manier zodat de mensen de kansen en de voordelen inzien van het wonen in zo’n markant gebouw en waarbij de beperkingen zo beperkt mogelijk worden gehouden.
De voorzitter: De heer Vandaele heeft het woord.
De heer Wilfried Vandaele: Voorzitter, minister, uit de praktijk blijkt dat het hanteren van de VIOE-lijst voor de lokale besturen heel moeilijk is. Ik heb het gevoel dat het moeilijk blijft om die gebouwen te vrijwaren, daarvoor staan de lokale politici misschien te dicht bij de burger – lees: de kiezer – die zo’n gebouw wenst te slopen. Los van de vraag of er al dan niet een koppeling moet komen met het vergunningenregister, hoop ik dat er over de status van de VIOE-lijst, die al verfijnd werd na de omzendbrief van mevrouw Vanblaere, nog meer helderheid komt. (Opmerkingen van de heer Bart Caron)
Natuurlijk kunt u zeggen dat het allemaal heel duidelijk is, mijnheer Caron, maar ik ondervind aan den lijve dat de lijst in de praktijk op het lokale vlak niet altijd zo gemakkelijk te hanteren is.
De voorzitter: Minister Bourgeois heeft het woord.
Minister Geert Bourgeois: Voorzitter, ik zie dat de aangelegenheid van de inventaris een materie is die controverse blijft oproepen. We hebben daarover al een paar keer kunnen discussiëren bij diverse gelegenheden. Ik zal nu wel niet de discussie over de problematiek van de individuele betekening en de lokale afwegingsbevoegdheid openen. Dat is een situatie die ik zo geërfd heb, in die zin dat de procedure niet voorziet in een individuele betekening. Er is een publicatie. Ik hoor dat daarover een aantal opmerkingen worden gemaakt. Daarnaast zijn er natuurlijk ook een aantal mythes over de inhoud van de inventaris en de gevolgen daarvan.
Mijnheer Vandaele, u zegt dat er in de praktijk een aantal problemen zijn. Dat is juist. Het vergunningverlenende bestuur moet een afweging maken. Het krijgt een niet-bindend advies. Van twee zaken een: ofwel willen we een zekere autonomie, ofwel moet er iets bindends
geformuleerd worden. Ik weet dat dat voor een aantal besturen nieuw is, en dat ze daar misschien mee moeten leren omgaan. Maar ik denk toch dat het een goede zaak is dat men het zegt, dat de aandacht erop is gevestigd, dat het op de inventaris staat en dat men aangeeft een afweging te maken of men al dan niet tot slopen zal overgaan. Want dat is de bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid. Ik denk dat het ook de bedoeling is geweest om het op die manier te doen. Die twee punten zijn bijkomend aan de initiële vraagstelling gekoppeld. Ik stel voor dat we die discussie nu niet opnieuw openen. We kunnen dat bij een andere gelegenheid doen.
Mijnheer Van Mechelen, u refereerde aan een arrest van de Raad van State, dat gaat over een beschermingsdossier. De administratie heeft me gezegd dat het ging om een motivering die onvoldoende was. De Raad van State heeft gezegd dat er niet was geantwoord op de bezwaren, op de opmerkingen van de betrokkenen en dat er onvoldoende motivering is opgenomen. Ik ben daar al diverse keren mee geconfronteerd. Ik heb ook opdracht gegeven om dat in het vervolg grondiger te doen. Vaak wordt in het definitieve besluit te weinig motivering, te weinig weerlegging opgenomen van de bezwaren die geuit zijn. We moeten daar heel zorgvuldig mee omgaan. Ik heb dat al doorgegeven aan de administratie. Maar tenzij ik me vergis, was dat toch wel een andere casus.
Ik zal nu antwoorden op uw vragen. Het onderzoek van de bewaringstoestand van relicten opgenomen in de inventaris van het bouwkundig erfgoed is een deel van het inventarisatieproces en wordt door het VIOE niet als een apart proces begrepen en uitgevoerd. Een gericht plaatsbezoek om de bewaringstoestand te evalueren wordt slechts heel uitzonderlijk uitgevoerd. Dat gebeurt eigenlijk maar indien de beschikbare informatie en navraag bij het betrokken gemeentebestuur geen uitsluitsel geven over de impact van verbouwingen of indien het geen sloop betreft.
Sinds september 2009 brachten de erfgoedonderzoekers bouwkundig erfgoed van het VIOE voor negen meldingen een plaatsbezoek. In elk van deze gevallen betrof het de vraag om uit de inventaris geschrapt te worden of de melding van zware verbouwingen. Geen van deze meldingen, verder onderzocht door middel van een terreinbezoek, heeft al geleid tot de wijziging van de gegevens in de inventarisdatabank over de bewaringstoestand.
Ik wil vermelden dat dank zij de goede samenwerking met vele gemeentebesturen een snel en efficiënt beheer van gegevens over de bewaringstoestand, hoofdzakelijk sloop, mogelijk is. Veel gemeentebesturen contacteren het VIOE spontaan voor de melding van informatie over de gesloopte panden. Het is onder meer daarom efficiënter met medewerking van de gemeentebesturen de melding van sloop te laten bevestigen. Zij kennen hun grondgebied het beste. Dat is beter dan centraal georganiseerd vanuit Brussel deze meldingen en informatie via plaatsbezoeken te controleren.
Sinds september 2009 is er over meer dan 1000 relicten informatie aangereikt of opgevraagd. Het exacte aantal is niet bijgehouden. Niet alle informatie of vragen waren relevant. De schatting is dat het gaat om een 1000 tot 3000 vragen. Die informatie en vragen komen op heel diverse manieren: per e-mail, telefonisch, per brief, mondeling bij veldwerk. Een duizendtal reacties is mondeling, zowel telefonisch als ter plaatse bij veldwerk, gegeven of schriftelijk verstuurd. Alle meldingen over bewaringstoestand worden, zoals zonet toegelicht, gecontroleerd. Alle vragen over schrapping worden onderzocht, behandeld en gecontroleerd, zoals zonet aangehaald. Vragen voor de opname van een relict in de inventaris worden gebundeld per provincie en in één periode, kort voor de actualisering van de inventaris, verder onderzocht.
Op basis van meldingen vanuit het erfgoedveld zijn zo de afgelopen maanden 60 relicten aan de Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed toegevoegd. Die zijn in de vaststelling van de inventaris van 20 september jongstleden opgenomen in de vastgestelde lijst.
Sommige meldingen brengen ook volledige inventarissen, herinventarisaties of aanzetten daartoe aan. Deze gegevens worden in dank aanvaard, maar zullen pas verder onderzocht worden op het moment dat de betrokken gemeente, regio of het betrokken thema in de planning aan bod komt, zoals net toegelicht.
Zoals daarstraks gesteld, wordt de evaluatie van de wijzigingen in de bewaringstoestand van de relicten die zijn opgenomen in de Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed niet als een apart proces beschouwd, maar als onderdeel van het inventarisatieproces. Dat betekent dat elk van de 9,3 voltijdsequivalenten die het VIOE inzet voor de inventarisatie van het bouwkundig erfgoed, een bijdrage levert aan deze deelopdracht. Ik heb dit al vermeld tijdens de vergadering van deze commissie van 28 april 2010 in antwoord op uw vraag over de rol van het VIOE.
Ik wil eerst de vijfde vraag beantwoorden vooraleer antwoord te geven op de vierde vraag. Ze geeft de meest relevante duiding en toont het best aan waar het hier in wezen om gaat. Ik begrijp dat de verleiding groot is om te zeggen dat er moet gezorgd worden voor automatische koppelingen en dat zo het probleem is opgelost, of dat er dan meteen minder werk moet worden gedaan. Dat is eigenlijk niet zo. De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed is in de eerste plaats een wetenschappelijke inventaris. De selectie van het bouwkundig erfgoed gebeurt omwille van zijn historische, artistieke, industrieel- archeologische, volkskundige, wetenschappelijke of algemeen sociaal-culturele waarde. Deze waarden worden niet afzonderlijk beschouwd. Het is het totale oordeel dat het uitgangspunt vormt van de evaluatie. Voor opname in de inventaris van het bouwkundig erfgoed dienen de waarden van de relicten afgetoetst te worden binnen het kader of de schaal van die inventaris, bijvoorbeeld binnen een bepaalde regio of binnen een gemeente, en met inachtname van de inhoudelijke criteria. Met andere woorden, de opname van een gebouw of object in de inventaris wordt nooit object per object besloten, maar steeds in het kader van de erfgoedwaardeafweging van een groep van gebouwen of objecten. Het is dan ook duidelijk dat het vergunningenregister, als administratieve gegevensbundeling van de stedenbouwkundige vergunningen en meldingen niet de eerste onderzoeksbron voor de verdere inhoudelijke aanvulling van de inventaris van het bouwkundig erfgoed kan zijn. Bovendien is tijd een essentiële factor bij de waardering van relicten. Dat betekent dat er enige afstand nodig is tussen de periode van de realisatie van het gebouw en het moment van de maatschappelijke appreciatie als erfgoed ervan. Daarenboven wil ik nogmaals benadrukken dat bij het opmaken en actualiseren van de inventaris met specifieke aandacht het meer recente patrimonium dat gelegen is in het geïnventariseerde gebied, wordt gescreend. Indien deze objecten als bouwkundig erfgoed voldoende erfgoedwaarde vertonen om te worden opgenomen in de inventaris, worden zij verder onderzocht waarbij gebruik wordt gemaakt van alle beschikbare literatuur, archieven en andere bronnen, en beschreven. Het is belangrijk om dat als achtergrond in gedachten te houden: wat is de precieze waarde, wat is de precieze bedoeling van deze inventarisatie?
Ik antwoord nu op de vierde vraag. Ik heb al geantwoord op uw eerdere schriftelijke vraag nummer 323. Ik stelde toen: “Een vergunning betekent geen onmiddellijke en complete wijziging in de bewaringstoestand van een relict of geheel uit de inventaris van het bouwkundig erfgoed. De informatie uit de vergunningen levert wel een indicatie over mogelijke ingrepen. Het zal evenwel steeds een expertenoordeel vragen of de vergunde ingreep de bewaringstoestand van het relict zodanig wijzigt dat een aanpassing van de bewaringstoestand aangewezen is. Bovendien betekent het verlenen van de vergunning niet dat de ingrepen altijd uitgevoerd zullen worden. De bewaringstoestand is een registratie van de reële toestand en niet van de vergunde toestand. Het VIOE is vragende partij om compacte en direct bruikbare informatie uit het vergunningenregister te ontvangen. Zo krijgt mijn administratie nu al informatie aangereikt van de gemeentebesturen, zoals onder meer beschreven in mijn antwoord op uw eerste vraag. Een automatische koppeling tussen het
vergunningenregister en de inventarisdatabank voor het beheer van de bewaringstoestand is echter geen werkbare verbetering.”
Bovendien kun je niet met zekerheid stellen dat omvangrijke werken een wezenlijke impact hebben op de intrinsieke erfgoedwaarde. Dat is zeer waarschijnlijk, maar het is niet 100 percent zeker. Elk van de vergunningen zal dus zeker nog apart moeten worden bekeken en
geëvalueerd door een expert. Ook het as-builtattest, dat er nog niet is maar dat wel al in het decreet is opgenomen, zal de tijdsinvestering voor het noodzakelijke expertoordeel niet wezenlijk verkorten. Ik verkies dan ook dat er verder wordt gewerkt volgens de huidige werkwijze en dat tijdens deze regeerperiode de inzet van de middelen zo maximaal mogelijk wordt geïnvesteerd in de herinventarisatie van de prioritaire gebieden, zoals is vermeld in mijn beleidsnota 2009-2014.
Ik wens ook een aantal omvangrijke praktische problemen expliciet te vermelden die zich zullen voordoen indien een koppeling van de inventaris aan het vergunningenregister zou worden overwogen.
Het vergunningenregister is een voorwaarde voor ontvoogde gemeenten. De praktijk wijst uit dat de gemeenten die voorwaarde als zwaar ervaren. Dat is voor hen vaak een moeilijke opgave. Ik wijs erop dat niet elke gemeente al ontvoogd is en dus een vergunningenregister heeft.
Bijkomende gegevens opnemen in het vergunningenregister is op dit ogenblik niet geregeld. Er zijn destijds, heb ik begrepen, contacten voor geweest. Mijnheer Van Mechelen, u hebt ooit in uw beleidsbrief vermeld dat er een link zou moeten worden gemaakt. Er is ook een studie aangekondigd. Als mijn informatie correct is, dan is er alleen maar een analyse geweest met de vraag om te onderzoeken of er in het vergunningenregister een veld zou kunnen worden opgenomen met informatie over de sloop. Dat is toen niet gerealiseerd. Toen ik minister werd, was die studie gemaakt en hadden beide administraties daarover overlegd, maar was dat veld niet opgenomen. We hebben dus geen automatische doorstroming van gegevens.
Nogmaals, een sloopvergunning is niet voldoende. Je moet in dit geval een as-builtattest hebben, het bewijs dat het effectief verdwenen is, dat het gesloopt is. Dat zou er in dit geval toe leiden dat je daar een administratieve lastenvermindering en een correcte, adequate informatiedoorstroming hebt. Maar op dit ogenblik is dit niet het geval. Dit veld is niet opgenomen in het vergunningenregister.
Er bestaat ook niet één, uniek en permanent vergunningenregister. Het is, zoals u weet, een verzameling van de gemeentelijke vergunningenregisters. De gemeenten leveren slechts om de 6 maanden een volledig bestand met alle vergunningen aan de Vlaamse overheid.
Er is geen eenduidig te bepalen gegeven dat uniek is en gebruikt wordt in beide databanksystemen, zoals kadastergegevens of Lambert-coördinaten, waardoor een koppeling mogelijk wordt gemaakt. Ik stel vast dat de inventaris van onroerend erfgoed is gebaseerd op adressen en het vergunningenregister op kadastergegevens. Je zit daar dus met twee aparte systemen. Het is niet zo evident om dat in een handomdraai te koppelen. Ik bespaar u de technische uitleg die aantoont hoe moeilijk het zou zijn om die zaken compatibel te maken. Het is niet mogelijk om op technisch vlak een snelle en goedkope manier te vinden om alle gegevens aan elkaar te koppelen. Dat zou zware bijkomende financiële investeringen met zich meebrengen.
Mijnheer Van Mechelen, u weet dat wij in Antwerpen zullen starten met een pilootproject voor de digitale bouwaanvraag. Op dit ogenblik wordt de software uitgewerkt. Antwerpen is heel enthousiast. Ik heb gevraagd om dat mee op te nemen in die software, zodat in de digitale bouwaanvraag en alles wat daarmee samenhangt voldoende velden zouden worden opgenomen om minstens wat de sloop betreft te voorzien in een as-builtattest. U hebt daar
een punt. Als dit zou worden aangeleverd, zou dat leiden tot een lastenvermindering. Ik heb daar nog geen expliciet antwoord op.
Voor de bouwvergunningen die leiden tot wijzigingen aan het pand is dit op zich geen oplossing. Hopelijk is dat duidelijk geworden door de toelichting bij het wetenschappelijke karakter van deze inventaris. Dit vergt nog altijd een beoordeling door experts, met een aantal afwegingen. Ik heb cijfers na plaatsbezoeken naar aanleiding van bouwvergunningen. Een wijziging daaraan leidt niet tot een wegvallen uit die inventaris. Tot nu toe is het omgekeerde het geval. Dit vergt opnieuw een plaatsbezoek, een afweging, een plaatsen in het kader van de andere gebouwen. Daarvan moeten geen grote wonderen worden verwacht. Maar samen met een aantal collega’s vind ik ook dat, als er een koppeling zou kunnen zijn met niet alleen de sloopvergunning maar ook met het gegeven dat het gesloopt is, dit een aantal lasten of taken of uren zou kunnen besparen.
Op dit ogenblik is dit technisch niet mogelijk. Het is de moeite dit op te nemen in de software die wordt ontwikkeld voor de digitale bouwvergunning.
De voorzitter: De heer Van Mechelen heeft het woord.
De heer Dirk Van Mechelen: Minister, ik dank u voor het antwoord. Met alle begrip voor ieders positie, maar ik heb de indruk dat we een beetje naast elkaar aan het praten zijn. Ik heb inderdaad gevraagd om dat te onderzoeken, op basis van het feit dat de codex op 1 september van vorig jaar zou starten. Op dat moment kwam ook de nieuwe procedure voor advies met betrekking tot sloopaanvragen in het vooruitzicht. Ik blijf erbij dat het een ongelooflijk interessante data-uitwisseling zou kunnen zijn tussen de twee vergunningenregisters. U hebt een analyse gemaakt van het vergunningenregister. Het zou een moeilijke klus zijn voor de gemeenten, en ze zouden nog ver weg staan. Gelukkig ben ik bevoegd in een gemeente waar we dat wel hebben. Ik blijf mij verwonderen dat wij anno 2011, met alle digitale mogelijkheden die wij hebben, nog altijd niet weten welke vergunningen wij hebben afgeleverd en wat is geïnventariseerd en wat niet. We zijn nu die GIS-systemen in kaart aan het brengen, en nu zegt u dat we die systemen niet kunnen koppelen omdat ze op twee verschillende basissen zijn opgebouwd, het ene op adres en het andere op kadaster. Bij mijn weten heeft elk adres een kadasternummer en hebben de meeste bebouwde kadasterpercelen een adres. Dan is het de kwestie om die op elkaar af te stemmen. U zegt dat dit technisch moeilijk is en dat het veel geld gaat kosten. Ik sluit dat niet uit, maar laat er ons aan beginnen. Wij hebben in de inventaris 75.000 relicten. Ik heb in enkele gemeenten die ik ken vastgesteld dat 10 tot 20 percent van de geïnventariseerde relicten gewoon verdwenen zijn, terwijl ze nog op de inventaris staan. Er is daar dus een fundamenteel probleem, dat bij de wortel moet worden aangepakt. Een van de oplossingen zou kunnen zijn ze te koppelen.
Ik ga ervan uit dat meten weten is, maar meten vraagt inspanningen. In het vergunningenregister moet dus plaats worden gemaakt voor de automatische opslag van het feit of een gebouw al of niet geïnventariseerd is, zoals mevrouw Rombouts terecht zegt. Als notarissen een uittreksel vragen uit het vergunningenregister, staat dat er niet op. Het zou er wel op moeten staan.
Ten slotte: we zien steeds meer dat we de synergie tussen ruimtelijke ordening en ons erfgoed compleet aan het kwijtspelen zijn. Voor mij is het geen probleem dat het de bevoegdheden van twee ministers zijn, maar dat ze elkaar dan tenminste goed verstaan zodat ze dit soort praktische problemen tot een goed einde kunnen brengen.
De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.
De heer Bart Caron: De uitdrukking dat tussen droom en daad praktische bezwaren in de weg staan, lijkt me hier bijzonder goed van toepassing. Minister, ik ben het met u eens dat de prioriteit moet gaan naar de correctie, aanvulling en evaluatie van de inventaris en bij die dringende plaatsen. Het is waar: de inventaris is sterk verouderd. Dat weten we. Zonder een
inventaris die up-to-date is, blijft ook het gedonder over de rechtsgevolgen van die inventaris wat aanslepen. Ik zou graag hebben dat dit prioritair wordt aangepakt. Dat was ook mijn zorg. Mettertijd – alles op zijn tijd, maar graag niet na 40 jaar – zou een koppeling echter wel zeer zinvol zijn. Laten we beginnen met het slopen: dat is eigenlijk de eerste vergunning die daarin een plaats zou moeten krijgen.
Minister Geert Bourgeois: Mijnheer Van Mechelen, ik begrijp u niet goed. In uw beleidsbrief van 2008 stelde u dat er zal worden onderzocht of er een link kan worden gelegd tussen de beide. Dat is niet opgenomen in het beleid. Dat is niet opgenomen in het vergunningenregister. Ik heb dat opgevraagd: die studie is niet gebeurd. Ik heb alleen vastgesteld dat daarover is gepraat tussen het VIOE en de administratie Onroerend Erfgoed. Toen was er één minister. Zij hebben vastgesteld dat dit onmogelijk was, ook omdat er, behalve in het geval van sloop, duidelijk niet zo’n grote meerwaarde zou zijn met betrekking tot het wetenschappelijke karakter. Dat was dus niet haalbaar. Dat was erg technisch.
Als u dat wilt, kan ik dat alles voorlezen. Ik heb een stuk overgeslagen. Dan gaat het over hoe die zaken worden geregistreerd, over hoe men te werk gaat bij de inventaris. Het gaat over Lambertcoördinaten, gekoppeld aan een punt dat het midden is van een perceel waarop het erfgoedrelict is gelegen. Ik citeer: “Voor de bouwkundige gehelen wordt er in de inventaris met polygonen/schuine vlakken gewerkt, gekoppeld aan Lambertcoördinaten. Deze gegevens,
voor zowel de relicten als de gehelen, zijn deels gegenereerd door de adressen te koppelen aan het Centraal Referentie Adressen Bestand en door manuele correcties van vastgestelde fouten, en niet door via het centrale referentiebestand te lokaliseren relicten.”
Het vergunningenregister werkt op basis van kadastergegevens. Een leek zou kunnen stellen dat het gemakkelijk moet zijn om dat alles te koppelen. Ik ben ook geneigd dat te zeggen. Ik stel alleen vast dat de beide administraties, toen ze onder één minister ressorteerden, rond de tafel hebben gezeten om dat te bekijken. Ik stel vast dat er nooit een studie is uitgevoerd en dat ze hebben gezegd dat dit niet mogelijk lijkt, omdat het enorm zware omvormingen van de systemen met zich zou meebrengen, heel veel zou kosten en uiteindelijk niet zou leiden tot die gewenste meerwaarde.
Samen met u ben ik erover verbaasd dat er zo weinig gegevens zijn. Samen met minister Muyters maak ik prioritair werk van de digitale bouwaanvraag. We gaan daar een pilootproject voor uitwerken. Ik denk dat dit een reuzenstap voorwaarts zal zijn. Op enkele architecten na werken architecten met CAD/CAM en dienen ze alles nu ook al digitaal in. Ik wil onderzoeken of het mogelijk is op dat ogenblik die velden wél in te voeren, zodat er wel een automatische link kan zijn. Ik voeg er echter aan toe dat dit, gelet op het concept van de inventaris, niet leidt tot het ontslaan van veldwerk bij een wijziging van de gebouwen.
Ik heb het al gezegd: men heeft een punt als we automatisch niet alleen de sloopvergunning zouden hebben, maar ook het bewijs dat iets is gesloopt, dat iets verdwenen is. Dat leidt natuurlijk wel tot een vermindering van het werk. Alleen is de studie die daarover moest gaan, nooit uitgevoerd, is men niet tot die oplossing gekomen, is dat niet opgenomen in dat vergunningenregister en stellen we vast dat die twee systemen ook niet compatibel zijn. In het ene systeem wordt gewerkt met adressen, in het andere met kadastergegevens. U hebt natuurlijk gelijk dat elk adres een kadasternummer heeft, maar het is niet mogelijk in een handomdraai software ontwikkelen waarbij dat ook nog eens moet worden ingevoerd als parameter. Dat alles zal niet kunnen worden ingevoerd met één druk op de knop.
Ik wil bekijken of we in het kader van de digitalisering wel tot compatibiliteit kunnen komen, maar momenteel is dat niet zo. Het zou kunnen dat men oordeelt dat die inventaris een totaal andere waarde moet krijgen, maar die inventaris heeft een wetenschappelijke waarde. Die wordt beoordeeld door experts en in zijn context. Het feit dat er een as-builtattest is van een verbouwing, van een aanpassing, zal er op zich niet toe leiden dat men vanuit zijn bureau in Brussel kan oordelen dat iets niet langer inventariswaardig is of dat wel blijft. Dat onderzoek ter plaatse moet blijven gebeuren. Men moet die afweging blijven maken.
De heer Dirk Van Mechelen: Voorzitter, ik stel voor de discussie te stoppen, maar ik heb nog één opmerking. Recent kreeg ik in mijn gemeente een aanvraag tot het slopen van een houten constructie. Bij mij ging er meteen een waarschuwingslichtje branden. Die constructie lag in de buurt van het Fort van Kapellen, dus zou het wel iets waardevols zijn geweest. Na wat onderzoek bleek dat inderdaad zelfs een geïnventariseerd gebouw te zijn. Het gebouw ernaast is dat jammer genoeg niet. Dat heeft me niet belet de sloopvergunning te weigeren. Ik kan me echter voorstellen dat het voor mevrouw Van Volcem in Brugge, waar er 4550 gebouwen geklasseerd zijn, iets moeilijker is dat uit het blote hoofd te weten.
Hoe lossen we dat op? Toen ik minister was, heeft men me 10 jaar lang ook vaak gezegd dat iets niet kon. Ik geef een voorbeeld. Onze vijf buitendiensten Ruimtelijke Ordening werkten allemaal met een verschillend softwarepakket. Vandaag werken ze allemaal met Bredero- light. Alles kan dus, als we het maar willen.
De voorzitter: Mevrouw Brouwers heeft het woord.
Mevrouw Karin Brouwers: Minister, mevrouw Rombouts moest naar een andere commissie. Ik zou er toch op willen aandringen die koppeling vooralsnog voort uit te proberen. Misschien zijn er ondertussen nieuwe mogelijkheden qua informatica. Ik zou dat toch niet opgeven, want het is toch ongehoord dat, als een notaris gegevens opvraagt over een bepaald gebouw dat wordt verkocht, de vergunningentoestand wordt meegedeeld, maar die notaris de rest niet zou krijgen van de gemeente. Dat zou toch minimaal moeten gebeuren. Ik heb dat althans hier toch net gehoord. Klopt dat niet?
Minister Geert Bourgeois: Ik heb dat hier al meegedeeld. De notarissen hebben toegang tot al die gegevens. We hebben ook gezorgd voor die koppeling. Ik hoor van mevrouw Van Volcem dat er ook steden zijn die het meteen opnemen. Zij hebben die inventaris ook in hun stedenbouwkundige inrichtingen. Iedereen in Vlaanderen kan aan die gegevens, ook de notaris.
Mevrouw Karin Brouwers: Dan is het daarnet op een ander manier weergegeven.
We vinden het alleszins belangrijk om daar op een of andere manier naar te blijven streven. De digitale bouwaanvraag is een eerste stap in de goede richting, maar wanneer wordt dat voort geïmplementeerd? U hebt het over een proefproject, dat gelukkig in een grote stad plaatsvindt. Het is goed dat uw collega dat meteen in een grote stad probeert, met heel veel aanvragen. Wanneer zal dat dan worden uitgerold in heel Vlaanderen? Wanneer zal die digitale bouwaanvraag er in de dagelijkse praktijk zijn? Dat zal misschien nog jaren duren en ondertussen blijft het probleem dat hier vandaag is geschetst. Vroeger was er één minister voor de twee administraties. Die heeft het dan toch ook niet helemaal rond gekregen. Nu zijn er twee ministers. Dat maakt de zaak zeker niet gemakkelijker. Ik wil u toch vragen daar voort werk van te maken.
U hebt daarnet gesteld dat de ontvoogding van gemeenten bij heel wat gemeenten toch wel enigszins een probleem is. Het overgrote deel van de gemeenten is echter al ontvoogd, en bij de gemeenten die nog niet zijn ontvoogd, zijn er wellicht ook al die hun vergunningenregister ondertussen klaar hebben. Het overgrote deel is ontvoogd, en men zou daar toch al mee kunnen beginnen.
De voorzitter: Het incident is gesloten.
|